MEDITATIE
SABBATSGEDACHTE.
„Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods". Psalm 92 vers 14.
Uit het opschrift van dezen twee-en-negentigsten psalm wordt ons duidelijk, dat het doel van den onbekenden dichter was : een lied te vervaardigen voor den rustdag. Wellicht is het gezongen, of door het priesterkoor gereciteerd in den tempel te Jeruzalem. Daaruit volgt de inhoud vanzelf. Op den dag, dien God ons vergunt om te rusten van onzen dagelijkschen arbeid, geeft Hij ons aanleiding om met verhoogde aandacht te letten op Zijn werken.
Op den zevenden dag der schepping heeft God gerust van al Zijn werk, dat Hij gemaakt heeft, en dien dag heeft Hij gezegend en geheiligd. In de toeschrijving daarvan missen wij de woorden : „Toen was het avond geweest en het was morgen geweest " Dit doet ons denken aan den dag der eeuwige rust, naar welke al Gods groote werken streven, den Dag, die wel een morgen heeft, maar een avond niet zal kennen.
In de scheppingsorde zelf ligt de aanwijzing van den wekelijkschen dag der rust. Onze rustdag heeft wèl een avond. Hij is dus slechts een heenwijzing naar den eeuwigen Sabbat, die echter reeds bereid is. Gods kind geniet het beginsel er van, allermeest op den dag des Heeren, maar ook al de dagen van zijn leven, zooals in den Heidelb. Catech. schoon is uitgedrukt (Vr. 103) : „dat ik den Heere door Zijn Geest in mij werken late en alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange".
Wij hebben dus dezen dag niet door te brengen in nuttelooze ledigheid of ook in de dingen van óns behagen, maar hij zal ons zijn een dag van werkzame rust, gewijd aan de overweging van Gods daden in schepping en herschepping, opdat ons hart daarin zal rusten.
De stof voor zijn lied vindt de dichter in de werken van Gods handen. Hij heeft de wereld gegrond en Hij bestuurt haar. Hij heeft Zich een gemeente verkoren en Hij leidt haar. Deze leiding, die hij bizonderlijk bezingt, schijnt echter voor het oppervlakkig oog te ontbreken : de rechtvaardige kwijnt, terwijl de goddelooze bloeit. Maar , zeer diep zijn Uwe gedachten". De vrede van den ongerechtige is tijdelijke schijn, hij zal tot in eeuwigheid verdelgd worden. Uiteindelijk zal gezien worden, dat de rechtvaardige een wasdom kent als de palm en de ceder. „Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods". Voorheen leefden zij uit een anderen bodem. Zij trachtten hun sap te trekken uit den wilden woestijngrond der zonde.
Dit te overwegen is een gepaste Sabbatsgedachte. Hoe groot is de nood, waaruit Gods genade verlost! Hoe rijk is Zijn barmhartigheid, die Zijn kinderen inplant in het voorhof van Zijn woning !
In het huis des HEEREN geplant.
De oorzaak van den weelderigen groei ligt in de plaats, waar zij zijn geplant. Alleen op den Libanon was voor palm en ceder alles in den bodem aanwezig, wat noodig was om te groeien tot de geweldige pracht, die hen beroemd deed zijn. Zoo vindt hij, die in het huis des HEEREN geplant is, daarin alles wat zijn leven behoeft.
Waarom echter juist in het huis des HEEREN en in Zijn voorhoven ? Is God niet overal tegenwoordig ? Natuurlijk. Maar in Oud-Testamentische taal wordt hier gesproken van de plaats, waar de Heere Zich aan Zijn volk openbaarde. Het huis des HEEREN was de plaats der verzoening. Op en voor het verzoendeksel van de ark werd jaarlijks door den Hoogepriester het bloed gesprengd van den var van het zondoffer, om verzoening te doen voor de ongerechtigheden van het volk.
De plaats der verzoening is de plaats der gemeenschap. Geen gemeenschap met God zonder wegneming der schuld. God is liefde, mateloos en onbegrijpelijk. Geen tong zal haar naar waarde kunnen toezingen. Maar Zijn liefde is alleen in Christus geopenbaard (1 Joh. 4 vers 8 en 9). Buiten Christus ontmoet ons alleen Gods eeuwige toorn. Dus is het ons van eeuwig belang, dat wij in Christus gevonden worden, dat wij met Hem vereenigd zijn door het waarachtig geloof en in het huis des HEEREN ingeplant.
In ons is niet anders dan zonde en schuld. Ons natuurlijk leven komt op uit den wortel der verdorvenheid, waardoor wij bloeien tot den ondergang. Alles echter wat ons noodig is, vindt ons hart in den Christus, van Wien het Woord ons spreekt. Het is in Hem gereed. Kennen wij waarlijk onze zonde, dan kan het niet anders dan dat naar Hem al onze lust en liefde zich strekken.
Waarachtig leven is er alleen in de gemeenschap met den Allerhoogste. Deze gemeenschap is in Christus, want in Hem is de verzoening. Ieder, die met Hem vereenigd is, is geplant in 't huis des HEEREN. Daar is de belofte van groei. Wat door Hem geplant wordt in het voorhof van Zijn huis, kan niet worden uitgerukt, maar het zal groeien.
Deze groei, die geheel anders is dan de groei der ongerechtigen, hangt samen met de kennis der drie stukken, die de Catech. noemt als noodig om in den eenigen troost zalig te leven en te sterven. Het zijn de kennis der ellende, der verlossing en der dankbaarheid.
Die in het huis des HEEREN geplant is, groeit in de diepte. Wasdom van geestelijk leven gaat gepaard met dieper verstaan van onze natuurlijke verdorvenheid en schuld. Wij behoeven dit niet uit te meten voor wie daarmede niet te maken heeft. De wortels van een boom zijn verborgen. Veeleer past ons schaamte en berouw. En nieuwe schuldbelijdenis voor Gods aangezicht.
Naarmate de wortels van een boom zich verder verspreiden, wordt zijn stam vaster. Het voornaamste van den groei in 't huis des HEEREN blijft ongetwijfeld de toename van de kennis der verzoening. De verlossing, die in Christus Jezus is, is als een vruchtbare grond en daarin wordt men geplant, niet om te kwijnen, maar om te groeien, om in Hem vaster te wortelen. De prediking van Zijn Woord, als een vrucht van Zijn opstanding, is niet gegeven tot bekeering alleen, maar ook tot de volmaking der heiligen.
Wanneer een boom groeit, dan wordt zijn bladerkroon voller en zijn vruchten talrijker. Er is samenhang tusschen den omtrek der wortels en den omvang der takken. Dit is tot een duidelijk beeld van het verband der drie stukken. Bij den wasdom der andere, bloeit ook de dankbaarheid heerlijker op. De vruchtdragende rank van den waren wijnstok wordt gereinigd, opdat zij meer vrucht drage, tot verheerlijking van den Vader.
„Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods".
Daar is belofte van groei. Dit troost en sterkt, wanneer wij het niet bespeuren. 't Kan ons een gezegende Sabbatsgedachte zijn, die ons doet steunen op God den Heere alleen en op Zijn Woord doet hopen. En wij vangen door de werking van den Heiligen Geest in dit leven den eeuwigen Sabbat aan.
Deze Sabbatsgedachte is ons ten toets.
Ten toets, of wij in het huis des HEEREN zijn ingeplant. Of wij tweeërlei levensbodem kennen, waarvan slechts één de belofte heeft van groei. Een plaats in ons kerkgebouw is niet voldoende, wij moeten zijn ingezet in het eeuwige voorhof.
Maar ten toets ook, of in ons leven van wasdom te spreken is. Wat God plant, dat plant Hij niet, opdat het welken zal, maar opdat het groeien zal en bloeien. Waarom toch wordt dit zoo weinig gezien ? Is de olie van den Heiligen Geest niet meer toereikend ? En is de groote Hoogepriester van het huis Gods het niet waardig ?
Bij dezen toets moeten wij belijden, dat er vaak lauwheid bij ons is, vaak af wij lang van de goede wegen Gods en weinig een brandend zielsbegeeren naar groei. Het zij ons tot schuld en leide ons tot ootmoed.
De Sabbat wijst ons heen en wenkt ons heen naar den Dag der eeuwige rust.
Het woord van deze meditatie, van deze overdenking is een toets en een sterkende belofte. Laat ons dan — wat te lang en te vaak is verzuimd — tot elkander en tot anderen spreken van deze verwachting. Dat is Sabbatswerk, op den rustdag, maar ook al de dagen van ons leven. Rust en werk worden daarin één. Zoo kan er ook de aansporing zijn tot naarstigheid : „Maar wij begeeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze tot de volle verzekerdheid der hope, tot het einde toe, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven". Hebr. 6 vs. 11 en 12),
Hierden, C. van Dorp
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's