De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

SELA MACHLEKOTH.

10 minuten leestijd

Dit gedenkwaardige opschrift verplaatst ons in den geest bij twee groote mannen uit de oudheid, n.l. bij David en Koning Saul.
Opzettelijk noem ik David in de eerste plaats en Koning Saul in de tweede plaats.
Gelijk ieder bekend zal zijn, heeft er tusschen de beide genoemde personen een strijd gewoed, welke gevoerd werd op leven en dood.
Niet van David, den man naar Gods hart, ging deze strijd gelukkig uit, maar van Koning Saul.
Maar al was Saul nu ook Koning geworden, toch kon hij David in dezen kamp niet overwinnen.
De Heere stond aan Davids zijde ! Zoo er al ooit een krijg God es is geweest, zoo was dat deze.
Deze krijg was ontstaan uit enkel jalouzie.
Al was Saul van achter de ezelinnen zijns vaders tot Koning geroepen en gezalfd geworden, zoo kon hij het toch niet verdragen.
Toen toch David, een eenvoudige herderszoon, den ongelijken tweestrijd met den reus Goliath durfde aan te gaan en David door de hulpe zijns Gods mocht triomfeeren en het volk ter eere van David ging zingen langs de straten : „Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden", toen rees er een wrok In Sauls gemoed tegen David, welke ontzettend groot was.
Tot lederen prijs moest David uit den weg worden geruimd.
Niets liet Koning Saul dan ook onbeproefd teneinde dit goddelooze oogmerk te mogen bereiken.
Zoo gaf hij allereerst in plaats van zijne oudste dochter Mérab, zijn jongste, Michal, aan David tot vrouw, meenende, dat Michal David veinsde lief te hebben.
Door nu Michal aan David te geven, tegen zijne Koninklijke belofte in, dacht hij straks in haar een goede handlangster te zullen hebben, teneinde zijne moordplannen ten uitvoer te kunnen brengen.
Telkens zocht hij David nieuwe en gevaarlijke strikken te spannen ; nu eens in de wangunst zijner hovelingen, dan weer in krijgsgevaren, waaraan hij hem zocht bloot te stellen.
Doch welk een sterk vervolger Saul ten opzichte van David mocht zijn, David was nochtans sterker dan hij.
Had David den Heere, zijn Schepper, uit genade van zijne jonkheid af leeren vreezen, de Heere deed het steeds duidelijk uitkomen dat David was en bleef hetgeen zijn naam ons ook zegt, deze toch beteekent „beminde", of gelijk wij elders van hem lezen, „een man naar Gods hart".
Had de Heere, Sauls onoprechtheid moede, David in diens plaats tot Koning laten zalven, zoo moest David ook Koning worden in weerwil van alles.
Tot waarheid werd het bekende Godswoord :
„Wat vijand tegen hem zich kant', Mijn hand. Mijn onweerstaanb're hand Zal hem bekleên met schaamt' en schand'
Het was dus tevergeefs dat Saul David eigenhandig en wel tot tweemalen toe, zelfs met de speer zocht te doorsteken. Hij mocht de speer al in den wand kunnen drijven, maar in het hart van David geenszins.
Ook baatte het Saul niet of hij al een gewapende bende op David afzond, teneinde hem op een zekeren nacht van zijne sponde op te lichten.
Zijn aanslag toch werd toen verijdeld door de list en de trouw van Sauls eigene dochter, Michal, van wie hij gemeend had dat zij David niet oprecht beminde.
En als dan Saul hoorde dat David eene veilige schuilplaats bij Samuel gezocht had en hij besloten had er zelf heen te gaan om David te vervolgen, dan lezen wij er van, dat de Heere een geest der profetie over Saul liet komen, zoodat deze ging profeteeren, inplaats van David vervolgen.
Wonderlijk redde de Heere David alzoo telkens uit, en vooral geschiedde dit ook, toen David zich bevond in de woestijn van Maön, waaraan ons opschrift Sela Machlekoth ons herinnert.
Wat toch was er toen geschied ? David had de stad Kehila bevrijd uit der Filistijnen macht.
En als nu Saul hoorde, dat David zich te Kehila bevond, besloot hij er met een leger naar toe te gaan, teneinde David zoo mogelijk te dooden.
Doch als David dit vernomen had, raadpleegde hij den Heere en vroeg hij den Heere of de inwoners van Kehila hem aan Saul zouden overleveren, als deze de stad om zijnentwil belegeren zou.
En als de Heere David beliefde te zeggen dat zij dit zekerlijk zouden doen, besloot David met zijn zeshonderd man uit Kehila te gaan en te vertoeven waar hij blijven mocht, ja, eindelijk zelfs hield David zich toen op in de woestijn van Maön.
Aan Saul werd dit toen geboodschapt. Dadelijk ging deze toen heen met die woestijn te omsingelen, zoodat er tusschen David en Saul slechts een kleine berg meer als grensscheiding overig was.
In geen geval kon David nu meer ontsnappen. Ingesloten was hij als nimmer te voren.
Hoe grooter de benauwdheid hier evenwel voor David werd, hoe inniger de bede om voor David maakte tot een Sela Machlekoth of een rots der ontkoming.
Niet door een wonder, maar eenvoudig door een noodlottige tijding deed de Heere dit. Deze tijding luidde namelijk : „Haast u en kom af, want de Filistijnen zijn in het land gevallen !"
Onbewust zijnerzijds riep de Bode den Koning toe de woorden : „Haast u !"
Van Gods zijde evenwel geschiedde dit opzettelijk, opdat deze woorden Saul als een donderslag zouden treffen.
Saul ijlde haastelijk terug en David zal zijne eigene oogen haast niet hebben kunnen gelooven, toen hij onderzocht waar zijne vijanden waren gebleven, dat hij er geen enkele meer zag.
En aan Wien schreef David nu deze ontkoming toe ?
Aan niemand dan aan den Heere alleen. Duidelijk laat hij dit ook uitkomen in den 54sten Psalm, dien wij nog van hem hebben overgeleverd, waarin hij, in rijm gebracht, ons hooren doet :
„Ik zal U met een blij gemoed Vrijwillig off'ren. Heer der Heeren ; Ik zal Uw naam met lofzang eeren, Dit eischt Uw naam, want hij is goed ! Want God wil mij Zijn bijstand biên. Hij heeft mij 't onheil doen ontkomen En mijn benauwdheid weggenomen ; Ik heb mijns vijands val gezien".
Wonderlijk had de Heere David in Maöns woestijn believen uit te redden, doch ook niet alleen daar, zijn gansche leven door heeft de Heere getoond met hem te zijn.
Het is dan ook wel opmerkelijk, dat het beeld van de rots veel voorkomt in de psalmen Davids.
Geen wonder is dit eigenlijk ook. Een rots toch spreekt ons van stevigheid, en duurzaamheid en veiligheid.
Aantrekkelijk zijn dan ook voor de zielen van al Gods kinderen Davids beden, als:
„Wees mij een rots om in te wonen. Een schuilplaats, daar mijn hart Steeds toevlucht vindt in smart!"
en Davids jubellied, dat vertolkt wordt in de woorden :
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, O God, mijn sterkt', U hartelijk beminnen. Mijn steen rots, burcht en helper is de Heer', Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer !"
En waarom was het dan nu dat de Heere David zoo ten allen tijde tot een rots der ontkoming of tot een rots der scheiding beliefde te zijn ?
Was er soms iets goeds in dien David te vinden ? Ganschelijk niet.
Enkel ter wille van die toekomstige Spruite Davids, ter wille van Gods eigen Zoon, Die de menschelijke natuur zou gaan aannemen uit Davids geslacht, was dit.
Het komt er nu dan ook voor ons allen slechts op aan, dat wij ons in den Heere Jezus Christus recht geborgen mogen weten of wel, dat wij ons Zijn eigendom weten te zijn, zoodat wij er met den geloovigen Catechismusonderwijzer van mogen zeggen te gelooven, dat de Heere Jezus ook ons uit alle geweld des duivels heeft verlost en dat Hij ook ons nu alzoo bewaart, dat zonder den wil des hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook dat ons alle ding tot onze zaligheid dienen moet, waarom Hij ons ook door Zijnen Heiligen Geest des eeuwigen levens verzekert en Hem voortaan te leven van harte gewillig en bereid maakt.
Ook ervoer David weleer dit alles. Zoo fel en heftig kon Saul David niet vervolgen of het dreef hem tenslotte weer naar den Heere uit.
Ja, merkwaardig is het, zoo getuigt een zeker schrijver er terecht van, dat de schoonste psalmen van David juist ontstaan zijn in het vervolgingstijdperk van zijn veelbewogen leven.
En wat nu weleer 'n David mocht ondervinden bij zijne vervolging door Saul, die aangevuurd werd door den nog wreederen zielemoorder, den Satan, dat ondervindt nog heden ten dage eene iedere ziel, die door den Heere Jezus Christus gerukt wordt uit Satans macht.
Zoolang immers een sterkgewapende zijn hof bewaart, is al wat hij heeft In rusting, Dan, dan is er onvrede, dan is de oorlog verklaard en volgt daar een strijd op leven en dood.
En, mijne lezers, kennen ook wij nu reeds iets van dezen geestelijken strijd ?
Zoovelen denken misschien nog wel zonder dezen strijd ten hemel te kunnen in gaan. ­
Dwazen en blinden zijn dezulken inderdaad ! Bevinden wij ons dan niet in Satans macht, zoolang wij onbekeerd zijn ? Liggen wij alsdan niet, naar luid van des Heeren Woord, midden in den dood ?
Welnu, indien dit dan zoo is, moeten wij dan ook niet leeren kennen dien toestand, waarin David verkeerd heeft toen hij het moest uitroepen :
„Ik lag gekneld in banden van den dood Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen ; Ik was benauwd, omringd door droefenissen. Maar riep den Heer' dus aan in al mijn nood : Och Heer, och wierd mijn ziel door U gered !"
Zoo heeft David eveneens benauwde oogenblikken gekend, toen hij was in de spelonk van Adullam, waarvan wij melding gemaakt vinden in de woorden :
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen. Zoodat mijn dood voorhanden scheen En alle hoop mij gansch ontviel. Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Ik riep tot U, ik zeide : o Heer, Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer. Gij zijt, zoolang ik leef, mijn deel, Mij n God, Wien ik mij aanbeveel.
Spreekt ook een Petrus niet op grond van eigene ervaring van een nauwelijks zalig worden van den rechtvaardige ?
Denken wij 't dan niet beter te weten dan zij. Gelukkig bij wie 't gaat worden buiten hoop, bij wie 't met alle eigen werk in den dood gaat! Het moet worden een gansch verloren, af gesnedene zaak onzerzijds, zoodat de Heere Jezus alleen ons heil kan worden bevonden te zijn. Hij alleen toch is de Sela Machlekoth, de rots der ontkoming voor een iegelijke ontdekte ziel.
Dit toch hebben reeds al diegenen ondervonden, die het wezen des geloofs veranderd hebben mogen zien in het zalig welwezen daarvan, of die van bekommerde zielen veranderd werden in bevestigden in het geloof.
Een omkomen, een omkomen voor eeuwig scheen het hun toen in de ure der verlossing, doch ziet, gelijk bij David, zoo was het toen ook bij hen.
Op het oogenblik dat de zielevijand hen dacht te verslinden, trad de Heere Jezus
tusschenbeide. Hij werd bevonden de Sela Machlekoth.
Blijdschap, onuitsprekelijk groot, vervulde toen de ziel van die tevoren ter dood toe benauwde zielen en ook hun taal was het toen, gelijk David hooren doet in den zoo schoonen 116den Psalm :
„Gij, Heere, hebt mijne ziel gered van den dood, mijne oogen van tranen, mijn voet van aanstoot, dies zal ik wandelen voor het aangezicht des Heeren in het land der levenden !"
Zijn er ook van zulke gelukkigen reeds onder mijne Lezers, die hieraan kennis hebben, dat ze dan ook schijnen mogen als lichten te midden van een krom en ver­draaid geslacht!
Vooral in een tijd als de onze thans is, is dit zoo noodig ! Hoe weinige zijn thans helaas de getrouwen in den lande ? Ja, waar worden er nog gevonden ?
Een ieder onderzoeke in dezen zichzelven !
En de Heere, van Wien alle goede gaven en volmaakte giften zijn. Hij leide het in Zijne genade zoo met ons, dat Hij ook door ons èn op maatschappelijk èn op geestelijk gebied geroemd worde te zijn de Sela Machlekoth of de rots der ontkoming!

Schalkwijk (Utr.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's