ZEKERHEID
Wij beleven een tijd, waarin wij wel heel sterk worden heriimerd aan 't oude psalmwoord : „Zekerlijk, de fundamenten worden omgestooten".
Wie zijn oogen open heeft, ziet duidelijk dat er allerwegen een ontbindingsproces gaande is.
Op maatschappelijk gebied volgt de eene ineenstorting op de andere en neemt de chaos bij den dag grootere afmetingen aan. Er is niets vast, niets zeker meer en men vraagt zich beangst en bezorgd af wat de dag van morgen brengen zal.
Op het terrein des geestelijken levens is het al niet veel beter gesteld. Ook daar een al grooter wordende verwarring. Begrippen, die vroeger geen tegenspraak schenen te dulden, worden prijsgegeven en denkbeelden, die voorheen met kracht werden tegengestaan, worden nu vurig verdedigd en ijverig gepropageerd..Het lijkt wel alsof letterlijk niets meer vaststaat en alles in gestadige wisseling vloeit.
Wat is waarheid ? zoo vroeg Pilatus eens, het getal van hen, die diep in hun hart met diezelfde vraag rondloopen, is zeker niet klein in onze dagen.
Het tegenwoordig geslacht wordt door hebzucht verteerd. Al minder weet men antwoord te geven op leven en sterven beheerschende vragen. Van alles en nog wat is men op de hoogte, maar van de eeuwige vragen weet men niets. Daar is een wilde zucht enkel naar hetgeen deze aarde biedt , Hoe langer hoe meer wordt het leven vermaterialiseerd. Toch komt het aan den anderen kant op allerlei wijze telkens weer openbaar, dat, naar het bekende woord van Aigustinus, ons hart naar God geschapen en het niet rusten kan voordat het rust gevonden heeft in Hem. Daar is een vragen en zoeken naar zekerheid te midden van al het onzekere. Die zoekenden den weg te wijzen, behoort stellig tot de taak van Christus' gemeente.
„Gij zult Mijne getuigen zijn", zegt de Heiland tot Zijn discipelen. Maar echt getuigen kunnen wij alleen, wanneer wij zelf zekerheid hebben.
Bezitten wij die ? Kunnen wij boven alle vage, onzekere stemmen, die wij om ons hen beluisteren, doen hooren het woord des apostels : „Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overleden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, onzen Heer." Ik meen, die die taal maar weinig wordt gehoord onder de hedendaagsche christenen. Wij krijgen soms den indruk, dat ze onder ons niet zoo heel talrijk zijn, de pelgrims naar Sion, die met vaste schreden den weg der zaligheid betreden. We zien het meer met wankelende gangen. Blijde Heilsgewisheid is een zeldzaam goed. Ze is :zeldzaam zelfs daar, waar wij mochten verjachten haar te zullen vinden.
Daar zijn menschen, die trouw meeleven, geregeld opgaan onder de prediking van het Evangelie, met ijver en lust zich wijden aan den arbeid in Gods Koninkrijk, doch vraag eens op den man af : zijt gij Christus' eigendom ? In leven en sterven zeker van Hem? Dan komt er weldra een pijnlijke stilte, dan weten zij niet recht te antwoorden en zijn dikwijls heel blij, als zij het gesprek weer weten af te leiden naar de objectieve waarheid, zonder dat over de persoonlijke toepassing er van gehandeld wordt.
Dat neemt niet weg, dat het toch wel lichtgeloovige menschen kunnen zijn, maar ze zijn niet klaar gekomen met zichzelf en worden voortdurend geslingerd tusschen hoop en vrees. Ze meenen wel eens iets van Gods genade in Christus te hebben ervaren, maar dan zijn er weer tijden, dat ze niets van dat alles meer kennen en ie in doffe neerslachtigheid, zooals niet in openlijken twijfel, daar neerzitten.
Waren vrede en rust hebben ze niet, omdat het hun aan zekerheid ontbreekt. Als dit verschijnsel zich nu nog maar tot enkelen beperkte, maar dat is heusch niet 't geval. Daar zijn er bij getale, wier geloofsleven meer het karakter draagt van bewegelijke onrust, dan van op God vertrouwende vastheid, waarbij dit het eigenaardige is, dat door heel velen het eerste normaler wordt geacht dan het tweede. Daar zijn zelfs kringen, waarin de onzekerheid boven de zekerheid wordt geprezen en feitelijk in den twijfel meer een bewijs van, dan gebrek aan geloof wordt gezien. Alleen het echte werk Gods — zoo redeneert men daar — wordt bestreden. Alleen de beladen schepen worden door kapers aangevallen. Zoo wordt de twijfel als kenmerk van waar geestelijk leven gezien, terwijl men de schouders ophaalt over iemand die vrijmoedig in zijn Heiland durft roemen. Daar zijn immers maar hoogst enkelen — zoo meent men — die door God tot dat bijzonder voorrecht worden verwaardigd.
Zou dat waar zijn ? Maar dan zou er bij God aanzien des persoons zijn. Neen, het kan Zijn wil niet zijn, dat slechts enkelen Zijner kinderen tot het volle licht en de volle verzekerdheid zouden komen en al de anderen schier heel hun leven lang in donkerheid en angstige bekommernis zouden moeten ronddolen. Veeleer behaagt 't Hem in het kinderlijk vertrouwend : Abba Vader, in het hart en op de lippen te leggen, opdat wij met vreugde en blijdschap onzen reis zouden reizen.
Kwam het daartoe bij ons nog niet, laat ons de oorzaak daarvan toch nooit of te 'immer bij God zoeken, maar uitsluitend lij onszelf, die zoo traag zijn om te gelooven al wat Hij gesproken heeft.
Geloof is ons noodig, persoonlijk en levend geloof.
Buiten het geloof om komt niemand tot zekerheid van de dingen, die God ons tot zaligheid heeft geopenbaard en blijft het onmogelijk om tot klaarheid te komen over de vraag, of met name de beloften van het Evangelie ons persoonlijk gelden.
Doch zoo wordt het Woord Gods niet met een waar geloof aangenomen, zoo wordt de gelofte van het evangelie niet in het geloof omhelsd, of de ziel heeft onwrikbare zekerheid aangaande de dingen, die ze gelooft.
Hoe dat geloof in ons hart wordt gewerkt is moeilijk te zeggen. Niemand kan dat ten volle beschrijven. De werking des Geestes is zoo wonderbaar, zoo onnaspeurlijk, zoo haast onder geen woorden te brengen. We staan hier voor een verborgenheid. Dit weet ik wèl, dat geloof niet verkregen wordt door sluitredenen des verstands, door aanleg of studie, maar het wordt in ons gewerkt door een machtige, onmiddellijke indruk in onze ziel, op hetzelfde oogenblik, dat de realiteit der geestelijke dingen krachtig en onweerstaanbaar zich aan ons wringt en als waarheid zich betuigt.
Nu wordt die indruk niet zonder intermediair in ons gewerkt, maar door het Woord, waarvan door den Heiligen Geest de waarheid aan ons hart wordt bevestigd/ Op zulk een wijze, dat wij er niet aan twijfelen kunnen.
Het is dus niet zoo, dat wij eerst gelooven en dat wij daarna door een extra-genade Gods, door een afzonderlijk werk des Geestes, verzekerd worden van wat wij geloven. Neen, die zekerheid is met het geloof gegeven, daaraan inherent. En dat geldt nu niet alleen de voorwerpelijke genade Gods in Christus, maar ook de persoonlijke toeëigening er van. Wij belijden dan ook met onzen Heidelberger, dat het oprecht geloof niet alleen een zeker weten der dingen is, waardoor ik het al voor waarachtig houd wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar ook een hartelijk vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade alleen, om de verdiensten van Christus.
Merk er op ! Niet alleen aan anderen, maar ook aan mij — zegt ons leerboek. Tot het wezen des waren geloofs wordt dus ook gerekend de persoonlijke verzekering van de vergeving der zonden.
Dit maakt echter juist voor velen, die ernstig de zaligheid in Christus zoeken, de strijd uit. Dat is het fijne puntje, waar het om gaat. Hoevelen missen de vrijmoedigheid om te belijden, dat zij in leven en sterven het eigendom des Heeren zijn ! Konden zij het maar gelooven, dat zij waarlijk deel aan Christus hadden, doch dit benauwt hen zoo vaak, dat zij Christus nog missen en zonder Hem straks in het oordeel zullen staan. Zoo gaan menigmaal vele oprechten langen tijd met vreeze des doods bevangen in het donker hun pad, al is het ook, dat zij niet kunnen loslaten wat de Heere heeft toegezegd.
Maar — en daar gaat het nu om — als het geloof een zekere kennis en vast vertrouwen is, dat ook mij de zaligheid in Christus is geschonken, hebben zulke menschen dan wel geloof ? Geloof is toch zekerheid en sluit als zoodanig immers allen twijfel uit? Als wij een antwoord op die vraag zoeken, hebben wij wel te bedenken, dat geloof gepaard kan gaan met groot gebrek in de geloofsoefening, of anders gezegd, in het daadwerkelijk gelooven.
Men spreekt dan ook niet zonder oorzaak van zwak geloof, beginnend geloof, toevluchtnemend geloof. Er is dus graadverschil. En dat geschil wordt bepaald door de geestelijke gesteldheid van 's menschen ziel. 't Geloof op zichzelf is altoos een onwankelbaar vertrouwen, gelijk ook een zeker weten. Maar dat wil daarom nog niet zeggen, dat, wat in wezen op eiken trap van genade aanwezig is, altoos klaar voor ons bewustzijn zou staan. Het kan zelfs heel diep verscholen zijn, maar het is er niettemin. Wat dunkt u, zou een zondaar, die van zijn schuld overtuigd is, tot God durven naderen en om genade bidden, als op den bodem van zijn hart, zonder dat zichzelf duidelijk bewust te zijn, niet gevonden werd de zekerheid des geloofs en der hoop, dat God een genadig en barmhartig Ontfermer is, gaarne vergevende en groot van goedertierenheid allen die Hem aanroepen ? Immers neen. Het toevlucht zoeken bij God is van zulk een niet een soort probeeren, ook niet het wagen van een kans, maar in den diepsten grond een zich verlaten op des Heeren belofte, dat Hij niet uitwerpen zal een iegelijk die tot Hem komt.
In het toevluchtnemend vertrouwen ligt dus reeds het verzekerd vertrouwen gegeven en naarmate het eerste intenser is, zal in de ziel vaster gebonden worden de overtuiging, dat wij daarboven een genadig God en Vader hebben, Die om Christus' wil al onze zonden vergeven heeft, ons leven van het verderf verlost en met Zijn heil kroont.Gelooven is en blijft de eenige weg om te geraken tot de rijke en blijde genieting van Gods heil. Zooals men alleen zijn dorst kan lesschen door te drinken, en alleen zijn honger kan stillen door te eten, zoo kunnen wij alleen door het geloovig aangrijpen van de belofte Gods verlost worden van het pijnigende gevoel van onzekerheid ten opzichte van eigen zaligheid. Helaas, wordt die orde vaak omgekeerd.
Zoo zijn er, die eerst van eigen behoud willen zeker zijn, om dan vervolgens op God en Zijn waarheid te vertrouwen. En om te weten of men wel behouden is, gaat men dan speuren naar allerlei kenteekenen van genade bij zichzelf. Dan zoekt men het in zijn bekeering, in zijn gevoel, in zijn ervaringen en bevindingen.
Het geestelijk signalement van bekeerden kan men meest uit traditie zoo ongeveer opgeven. Waaraan kent men ze ?
Wel dat zijn menschen, die kunnen gewagen van een groote verandering in hun leven. Vroeger waren ze in de wereld, maar ze zijn plotseling door een of andere gebeurtenis staande gehouden. Ze hebben dan een tijd gehad, waarin zij vreeselijk benauwd waren en meenden voor eeuwig te vergaan. Maar toen is de Heere Jezus hun verschenen, zij hebben een gezicht of droom gehad, een mooi licht gezien of duidelijk een stem uit den hemel gehoord, die hun aankondigde, dat hun zonden hun vergeven en dat zij Gods kinderen waren. Wie zoo iets heeft doorgemaakt, die is bekeerd. En nu gaat men zich daaraan toetsen. Beantwoord ik aan de gegeven kwalificaties ? Heb ik er tenminste iets van of niets ? Met die vragen blijft men zijn ziel kwellen en tot klaarheid komt het niet, wil het maar niet komen.
Men weet: geloof moet er zijn, maar geloof dat is toch een zeker gevoel van verruiming, van gerustheid, van vrede. Dat gevoel wil men bij zichzelf zien. En als dat gevoel van verruiming en vrede niet komt, durft men niet gelooven. Als ik 't niet voel, dan heb ik het toch niet, zoo denkt menigeen. En velen leggen dat gevoel als voorwaarde aan iemand op. Dat moet gij gekend hebben, zóó moet gij het gekend hebben, anders staat het niet zuiver, niet goed met u. Men leeft op zijn gevoel, men gaat onder in zijn gevoel en als ik het gevoel niet heb, dan durf ik niet te hopen.
Of ook, men stelt het zich zoó voor, dat wij op de belofte van het evangelie eerst dan mogen hopen en ze onszelf mogen toeeigenen, als wij op grond van innerlijke ervaring of bevinding weten, dat wij er recht op hebben.
Het oog moet dus naar binnen gericht op wat ondervonden werd van Gods daden aan de ziel. Meent men daarvan iets te ontdekken bij zichzelf, dan krijgt men moed, maar het duurt gewoonlijk niet lang of de vraag komt op : Zou het wel Gods werk zijn geweest ? Was het misschien altemaal geen inbeelding ? En tevergeefs zoekt men naar zijn verzekeringspolis, die men toch zoo graag in den zak zou willen hebben. Wie geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem, weet dat in mystiek-piëtistische kringen deze en soortgelijke beschouwingen en opvattingen een ruime plaats innemen.
Er mee te lachen, er mee den spot te drijven, zooals helaas wel gebeurt, is zoo moeilijk niet.
Doch dat getuigt enkel maar van groote oppervlakkigheid. De geestelijke tobberij van bekommerde vromen in hun zoeken naar kenmerken van genade, is in elk geval verre te verkiezen boven de valsche gerustheid van velen, die niet eens aan de zelfbeproeving toekomen. Daar is ook een doode orthodoxie, die bij de letter zweert, maar het leven mist en het geloof vereenzelvigt met het bloot-verstandelijk aannemen van een stel waarheden.
Dat daartegen reactie opkwam en steeds weer opkomt, is niet alleen te verstaan, maar ook te waardeeren.
Intusschen blijft het feit, dat de vastheid van het geloof teloor moet gaan, zoo wij haar zoeken in onszelf, in onze zielsgestalten en zielservaringen, die telkens wisselen en veranderen.
Wij hebben een anderen grond noodig.
Waar hebben wij dien dan te zoeken ? Buiten onszelf, in des Heeren Woord en belofte. Neem iemand, die waarlijk naar gerechtigheid vraagt en bij zich zelf niets dan goddeloosheid vindt, waar kan hij dan op rusten dan enkel en alleen op 't Woord der genade, hetwelk ons zegt, dat de Heere, Dien, die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons heeft gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem en dat Hij het geloof tot gerechtigheid rekent dengene, die gelooft in Hem, Die den goddelooze rechtvaardig spreekt.
Zoo kan het houvast des geloofs alleen liggen in de beloften van het evangelie, die in Christus Jezus ja en amen zijn. En naarmate wij onszelf met al het onze aan Hem verliezen, naar die mate zal ons geestelijk leven gezonder en vast worden.
Wie het daarom te doen is, die bidde om den Heiligen Geest, die de beloften van het evangelie aan het hart thuis brengt en alleen ons toeëigenen kan hetgeen wij in Christus hebben.
Daarbij achte niemand klein de middelen der genade, door God ons gegeven in de prediking van Zijn Woord en de bediening der Sacramenten, welke het in zichtbare teekenen bekrachtigen dat God onze God in Christus is en eeuwig blijven zal. Laat ons allen toch naar de zekerheid des geloofs staan. Ze is noodig met het oog op den vrede onzer eigen ziel en wij kunnen haar niet missen bij de taak, die God ons in deze wereld heeft opgedragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's