KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE GEZANGENKWESTIE.
Toen verleden jaar — 't kan ook in 1931 geweest zijn — het boekje „Liturgie" van W. H. van de Pol verscheen (bij J. Ploegsma te Zeist) verklaarde prof. Van der Leeuw, van Groningen, in een bespreking van die uitgave, dat hij met het boekje in de hand rondgedanst had in z'n studeerkamer, toen hij van den inhoud kennis genomen had. Zóó blij was de professor met dat geschrift, dat over een brandende kwestie handelt. Misschien vindt deze of gene 't wat vreemd, dat een professor gaat dansen in z'n studeerkamer, maar een professor is ook maar een gewoon mensch, en dat z'n gewaarwordingen, z'n emoties, z'n blijdschap eens echt menschelijk aan den dag treden, is nog zoo kwaad niet.
Wij hebben ook een boekje ontvangen, dat handelt over een bekend onderwerp, dat met recht een belangrijk onderwerp mag worden genoemd, ja, dat een brandende kwestie mag heeten. En neen, wij hebben met dit boekje in de hand, na het gelezen te hebben, nu niet precies gedaan als prof. Van der Leeuw. We zijn niet gaan dansen of springen in onze studeerkamer. We zijn ook maar een gewone dominee en we hebben niet gedanst, niet gesprongen, maar — en dat wilden we eens heel duidelijk maken en bijna aanschouwelijk voorstellen door dit inleidend verhaal van een dansenden hoogleeraar — we zijn met het boekje, dat we deze week ontvangen en gelezen hebben, buitengewoon blij en met groote dankbaarheid en vreugd willen we er hier iets van vertellen.
Het boekje, dat we bedoelen is : „De Gezangenkwestie" door prof. dr. J. Severijn (32 blz., uitgever J. Bout, Huizen, N.H.).
Waarom we zoo blij en dankbaar zijn met dit boekje ?
Allereerst, omdat nu eens iemand uit den kring van onze Herv. (Geref.) theologen den moed en den durf gehad heeft om eens behoorlijk over dit onderwerp te schrijven.
Toen wij nog tot de jongere generatie onder de predikanten behoorden, zijn we, ook wat deze belangrijke kwestie betreft, niet verwend door voorlichting, hulp of raad. Men „zat" met de kwestie en men liet het maar liefst zitten. Enkele algemeenheden werden er gewoonlijk gezegd en wat er over geschreven werd — met mondjesmaat — was niet van veel waarde, 't Was soms niets dan gewauwel, dat net zoo goed — ja, beter — achterwege had kunnen blijven. Neen — toen wij jong waren, zijn we, wat dit betreft — en waarlijk niet alléén in deze zaak niet verwend ! En de billijke klacht was en is, dat de ouderen leelijk tekort geschoten zijn in vele dingen, wat voorlichting, vorming en leiding der jongeren betreft.
De Gezangenkwestie.....
Nu heeft prof. dr. J. Severijn de koe bij de hoorns gepakt. En daar zijn we heel blij mee. Want toen wij een paar jaar geleden eens over deze aangelegenheid hebben geschreven vanuit N.-Testamentisch standpunt, is ons wel gebleken, uit gesprekken en correspondentie, hoezeer deze zaak bij ouderen en jongeren, in de gezinnen, op onze Vereenigingen, in onze Scholen, in onze Kerk leeft. Omdat het toch tenslotte gaat om die ontzaglijke verborgenheid en die heerlijke werkelijkheid, dat Christus door Zijn Woord en Geest in het midden van Zijne Gemeente verkeert. Hij, die wandelt tusschen de zeven gouden kandelaren, van plaats tot plaats, overal waar Zijn Gemeente vergadert! Die verborgenheid (mysterie), die werkelijkheid is, roept om de prediking, den dienst des Woords, de ontsluiting van de Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments, met de heerlijkheden van het Nieuwe Verbond. Het vraagt om het vrije gebed, waarin de dienaar des Woords de mond is der gemeente van Christus. Het vraagt om de sacramentsbediening, waarin de tegenwoordigheid van Christus wordt ervaren, met dankzegging en gebeden. Het vraagt om het lied der Gemeente, die den levenden Christus kent als haar alles. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Het is verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het Kruis van Jezus Christus !
De Gezangenkwestie......
En nu heeft prof. dr. J. Severijn in een overzichtelijk, zeer gemakkelijk leesbaar boekje over deze belangrijke kwestie geschreven, voor de Kerk des Nieuwen Verbonds, welke haar houding tegenover het Oude-en het Nieuwe Testament, telkens meer bewust moet worden, om met bewustheid te leven het leven van „het lichaam van Christus", naar Zijn Woord en door Zijn Geest.
Het is een netelige kwestie. Het is een heet hangijzer Men kan zich gemakkelijk zeer doen, men kan er klappen door oploopen, dan eens van rechts en dan eens van links. „Het al of niet zingen of doen zingen van het gezang in de samenkomst der gemeente wordt zelfs tot een kenmerk van dwaling of rechtzinnigheid gemaakt en de practijk heeft het gebruik, beperkt gebruik of onthouding van gezangen bij de godsdienstoefening tot een zegel der kerkelijke richtingen gestempeld. Beginsel en historie spreken hierbij hun woord mede, doch daarvan geeft men zich weinig rekenschap. Men bepaalt zijn houding veelal uit navolging of gewoonte, zonder zijn eigen standpunt en dat van een ander eenigszins grondiger te kunnen rechtvaardigen of beoordeelen" — zegt prof. Severijn in zijn „Woord vooraf" („voorwoord" is een leelijk Germanisme, afkomstig van „Vorwort"). En omdat het dikwijls zoowel rechts als links in deze zoo „treurig" staat, zegt prof S.: „Daarom kan het zijn nut hebben de kwestie op eenvoudige wijze in het licht van beginsel en historie te laten zien." De schrijver hoopt, dat zijn geschriftje „moge bijdragen tot beter inzicht in de kwestie en tot meer bezadigd oordeel omtrent zijn standpunt dan men gewoonlijk in de gemeente kan aantreffen."
Wat hebben de niet-gezangen-zingers dikwijls harde en domme dingen moeten hooren van gezangen-zingende menschen, die toch eigenlijk bewezen, dat ze van de kwestie zelve weinig of geen benul hadden, noch principieel, noch historisch, noch wat 't beginsel, noch wat de practijk des levens betreft !
Wat hebben menschen, die wel van een Nieuw-Testamentisch lied houden en het ook gaarne zingen, dikwijls domme en harde dingen moeten hooren van degenen, die zich onder de niet-gezangen-zingers schaarden. Als ant woord mede, doch daarvan geeft men zich weinig rekenschap. Men bepaalt zijn houding veelal uit navolging of gewoonte, zonder zijn eigen standpunt en dat van een ander eenigszins grondiger te kunnen rechtvaardigen of beoordeelen" — zegt prof. Severijn naar waarheid.
Het is de moeite wel waard, dat we met elkander over deze kwestie eens rustig spreken als geestelijke menschen, die den zin van Christus hebben. (1 Cor. 2 : 16). Daarbij past dan heelemaal niet, dat we elkander de oogen uitkrabben, noch dat we elkander verbijten of vereten. Dat deed men zelfs in de eerste christengemeenten al. En dat deed men ook later wel; vooral niet in mindere mate, helaas ! Maar in die wegen moeten wij niet ingaan en aan die practijken moeten wij ons niet overgeven. Als geestelijke menschen, moeten we de dingen des Woords en des Geestes, geestelijk leeren onderscheiden en ordelijk met elkander verhandelen.
Daarin wil prof. Severijn ons voorgaan en daarover verheugen we ons hartelijk !
Wij gaan over z'n boekje nog een en ander schrijven. Maar intusschen moet ieder het boekje nu bestellen en lezen — ook onder elkander bespreken — dan zal 't geen we hier van het boekje gaan vertellen des te beter begrepen kunnen worden.
Zélf lezen dus! Het boekje is voor 30 cent overal verkrijgbaar.
DE ZEDELIJKE BETEEKENIS VAN HET SOCIALISME
Er moet onderscheid gemaakt tusschen het Socialisme als doel worden en als beweging.
Het doel, dat het Socialisme beoogt en aan de menschen voorstelt, is : „de socialistische maatschappij, rustende op het maatschappelijk bezit van grond en productiemiddelen".
Men is gewoonlijk — vooral den laatsten tijd — wel zóó voorzichtig, dat men in het Roode-kamp zegt, dat niemand precies en nauwkeurig kan omschrijven, hoe die begeerde socialistische maatschappij er in de toekomst zal uitzien. „De meest mogelijke bescheidenheid past ons hier", zeggen tegenwoordig vele Roode-Vaan-dragers, die anders waarlijk van „de meest mogelijke bescheidenheid" niet veel last hebben. Ze denken gewoonlijk : de brutalen hebben de halve wereld en krijgen de andere helft er nog wel bij
Maar al moet hier „de meest mogelijke bescheidenheid" dan betracht worden, één ding staat vast en dat is: het fundament, waarop de komende samenleving rusten zal. Dat is : „het maatschappelijk bezit van grond en productie-middelen". Immers, zoo zegt men, het geheele bedrijfsleven, met vorming van trusts, kartels, syndicaten, óók met de steeds meer noodzakelijke arbeidswetgeving, vorming van vakvereenigingen enz. wijst er op, dat we den kant uitgaan van „maatschappelijk bezit van grond en productie-middelen".
Niet 't minst — zoo zegt men — is als symptoom te beschouwen „het verhelderd inzicht van de arbeiders en hun economische positie, met den daaruit groeienden wil om te streven naar een anderen staat van zaken." De grondslagen van het maatschappelijk leven zijn bezig te veranderen — zoo concludeert men dan, en er is een nieuwe maatschappij groeiende, waarin het bedrijfsleven socialistisch zal georganiseerd zijn en waarin de eigendomsvormen meer zullen correspondeeren met de productieverhoudingen.
Dat is dus zoo ongeveer het doel het Socialisme. van
Maar dat moet worden nagestreefd en bevorderd. En dat moeten de arbeiders doen, door hun gezamenlijk optreden.
Dat is het Socialisme als beweging, die uit den aard der zaak van grooten invloed zal zijn voor allen, die er in mee leven.
Onder het Socialisme als beweging is dus te verstaan : „de beweging der arbeiders en allen, die zich met hen éénswillend hebben verklaard, om de omzetting van de tegenwoordige kapitalistische maatschappij in de toekomstige socialistische maatschappij te bevorderen".
De arbeiders doen dat, door in hun Vakvereenigingen hun dadelijke belangen te behartigen en te verdedigen tegenover de patroonsklasse : dat is de strijd om betere arbeidsvoorwaarden, medezeggingschap in het bedrijf enz. Zij doen dat verder door middel van hun politieke partij, om zoo in te dringen in de bestaande lichamen van Gemeente en Staat, en daar maatregelen door te voeren, die bedoelen het leven in socialistische richting te drijven. Zij doen dat óók, door zich in hun coöperaties eigen be dr ij ven te scheppen, waar zij èn geschoold kunnen worden als bedrijfsleiders èn de ammunitie kunnen verkrijgen voor hun dagelijkschen strijd.
Het Socialisme als beweging is dus te omschrijven als „de strijd der arbeiders in vakvereenigingen, coöperatie en politieke partij èn voor hunne directe belangen èn voor de komst der Socialistische maatschappij, rustende op het maatschappelijk bezit va grond- en productie-middelen". Met zulke idealen voor oogen, een diepgaanden invloed heeft op het denken en voelen, willen en handelen van hen, die zoo nauw bij die beweging betrokken zijn en die er zooveel belang bij hebben, te meer, waar de zorg voor het stoffelijk levensonderhoud bij hen zoo groote plaats inneemt en deze zorg gewoonlijk eer grooter dan kleiner, eer moeilijker dan lichter wordt in arbeiderskringen. En zóó heeft het Socialisme, dat uit bijzondere economische verhoudingen geboren is en dat zulke groote economische doeleinden najaagt én als beweging én als doel een groote beteekenis voor velen, vooral uit de arbeiderswereld, gekregen en heeft het grooten invloed uitgeoefend op het zedelijk leven van hen, die zich onder de roodevaan scharen.
Want wat zien we nu in vele arbeiderskringen en bij hen, die zich daarmee solidair verklaren ?
Dat bij velen, die met de Socialistische beweging in aanraking gekomen zijn, een gevoel van fierheid is gewekt; een gevoel van eigenwaarde is gekomen ; en dan natuurlijk „Socialistisch" getint.
De tegenwoordige levenspositie van de arbeiders is dikwijls onzeker; de nood is vaak groot; aan de plaats, die hij in het bedrijf inneemt, aan zijn ontwikkeling, aan zijn toekomst — zoo leert het Socialisme dikwijls met vlijmscherpe bewoordingen — ontbreekt zooveel. En dan komt het Socialisme, om te leeren wat de mensch, wat de arbeider „waard" is._Dan komt het tot die menschen met de blijde boodschap van verlossing uit stoffelijken nood. Men leeraart, dat men te groot is, om onwetend te blijven. Er is een blijde schat van kennis en beschaving, daar zijn schatten van vreugd en genot, en dat is alles óók voor de proletariërs. Daarmee kunnen en moeten ze zichzelf verrijken en daarvoor moeten ze zich vereenigen, om zoo hun leven op hóóger plan te brengen. Men moet komen tot méér, tot klaarder kennis en tot hooger, zuiverder beschaving ! Men is nu vaak onmondig ; in de fabriek is men hoe langer hoe meer geworden tot een verlengstuk der machine ; tot een heel klein raadje in het groote uurwerk van 't bedrijf wordt men gedreven ; zelf doet men niets uit eigen kracht; en ziet, dat is geen menschwaardig bestaan. Het Socialisme zal er fiere, vrije mannen van maken ; vrij en gelukkig. Van vrijheid, gelijkheid en broederschap zal de toekomstige Socialistische maatschappij vol zijn !
Met felle kleuren wordt de diepe ellende van de menschen geteekend : op het land zijt gij als een paard, men leidt u hierheen en gij moet gaan. Men draagt u dit op, en gij moet het doen. Een eigen wil hebt gij niet; gij leidt niet, maar wordt geleid. Gij hebt geen recht van spreken, uw stem telt in het bedrijf niet mee ; er wordt over u beschikt, over uw hand, uw kracht, uw tijd, uw geest, ja, over uw vrouw, vaak óók over uw kind. Dat is schande ! Dat is geen menschwaardig bestaan. Dat komt uw eer te na. Gij kunt méér worden ; gij kunt het beter krijgen. Gij moet een eigen plaats innemen, mee de leiding op u nemen, mee zorgen, mee besturen, mee genieten, mee bezitten. Gij hebt uw stem niet gekregen om te zwijgen, uw verstand niet om niet te denken, uw wil niet om niet te willen. Gij zijt geworden in deze kapitalistische maatschappij tot willooze werktuigen in de handen der bedrijfsleiders. Dat moogt gij niet langer dulden. Gij moet u een andere en betere plaats veroveren. Gij moet zélf In handen nemen de leiding van het bedrijf. Grond en productiemiddelen moeten aan de gemeenschap komen; recht voor allen ! Dat is in overeenstemming met uw waardigheid als denkende, willende wezens. En het kan anders en beter worden. Het behoeft niet zoo te blijven. De menschen zijn suffers. Er is op deze aarde mogelijk een stoffelijk onbezorgd leven voor allen. En die mogelijkheid moet gij, arbeiders, ten koste van alles, tot werkelijkheid maken ! Die grootsche taak ligt voor u. Volbrengt haar. Het is uw plicht en uw roeping. Als gij het niet doet, zal 't niet komen. En daarom moet gij het doen.
Zóó ongeveer redeneert het Socialisme en breekt zich baan in steeds grooter kring.
En waar zóó gesproken werd, waar zóó een beroep gedaan werd op de krachten, die er sluimeren bij de menschen, op hun zelfgevoel, dat zij verantwoordelijk zijn voor dit alles en zich niet als kinderen, als slaven moeten laten behandelen, daar is gekomen over velen het gevoel van fierheid. De deemoedigen hieven het hoofd op. Ze riepen : hier zijn we ! De versuften gingen uit hun oogen kijken. En met het lichtend land der schoone toekomst voor oogen, lachten ze van vreugd en riepen : wij willen daarheen ! Wij zullen, wij moeten er komen !
De knechten ontwaken en zij zijn zich bewust, dat ze heerschers zullen zijn weldra. Uit den tredmolen treedt men uit en men marcheert in dichte drommen met zwaren stap naar het land der vrijheid, dat nabij is.
’t Zijn geen suffers, geen knechten, geen slaven meer. Fierheid is over hen gekomen. Door 't Socialisme
Wat het Christendom veel, heel veel te zeggen heeft. Om andere dingen, betere dingen te leeren en te doen ! Waartoe God ons geroepen heeft, óók voor het tegenwoordig leven ; heerlijker beloften en grootere zegeningen dan het Socialisme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's