De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

TUCHTELOOSHEID.
Zooals men weet, bestaat er in ons land een Tucht-Unie, die, de naam wijst er al op, zich vooral ten doel stelt, de tuchteloosheid der jeugd te bestrijden. Al weer enkele jaren geleden heeft ze een rapport uitgegeven, waarin de verschijnselen, de gevolgen, de oorzaken en de wegen ter verbetering inzake de tuchteloosheid worden behandeld. Wie deze dingen leest, komt tot de overtuiging, dat het wel de moeite loont, dat allen, die belang stellen in de opvoeding van het opgroeiend geslacht, zien vereenigen in het streven om onze jonge mensen en betere manieren te leeren. Wij zijn ais ouders dan niet klaar, wanneer wij ons met onze eigene kinderen bemoeien, maar betrekken ook andermans kinderen in den kring. Of overkomt het niet ieder wel eens, dat hij getuige is van de baldadigheid der jeugd en daartegen niet voldoende optreedt ? De jeugdige bandieten worden natuurlijk aangemoedigd, wanneer 't publiek toekijkt en met een lachje zijn goedkeuring geeft. Vaak moest het pubiek ingrijpen. Zeker, daar kun je een grooten mond voor krijgen, misschien wordt men wel met een steen (of erger) gegooid, maar dit is zeker, als de ouderen eensgezind optraden, zouden de straatschandalen heel wat minder brutaal voorkomen. Want, inderdaad, men huivert van de rij van grootere en kleinere baldadigheden, die aan ons straatpubliekje kunnen worden ten laste gelegd.
a„Beschadigen van boomen en plantsoenen, stelen van ooft en veldvruchten, vernielen van veldvruchten, loopen door korenvelden, waarin rooverholen worden gemaakt, loopen door grasvelden, afgooien van kastanjes en eikels, openzetten van hekken van weilanden, opjagen van vee, rijden op schapen, angstig maken van dieren door gillen of fluiten, het binden van een blik aan den staart van hond of kat, nesten uithalen, vuurtje stoken (bij schuttingen, hooischelven in brand steken, vuur werpen in brievenbussen enz.), werpen met steenen en vuil naar fietsers, motorrijders, vreemdelingen, leegstaande huizen en fabrieken, straatlantarens ingooien, werpen met sneeuwballen, schieten met katapult, voortschoppen van blikken en steenen, belletje trekken, deurknoppen vastbinden, zitten in vensterbanken en portieken, vechten, schreeuwen en tieren (ook tijdens muziekuitvoeringen in het openbaar), brandschel aftrekken, waterkranen openzetten, knoeien bij fonteinen, emmers omgooien, omtrekken van onbeheerde rijwielen, toeteren op claxons en hoorns van motorrijtuigen, hooi van hooiwagens af grijpen, rukken aan schuttingen en hekken, besmeren en bekrassen van tramhuisjes enz., stellen van vieze en onzedelijke woorden en afbeeldingen op schuttingen enz., opbreken van den openbaren weg, riooldeksels wegnemen, takkebossen en petten en jassen gooien voor motorrijtuigen, spannen van draad of touw over den weg, lantarens uitdraaien, vastzetten van wisseltongen van rails, losdraaien van ventiels, stukprikken van rijwielbanden, steken van stok tusschen spaken, strooien van glasscherven en spijkers, meerijden achter op tramwagens en auto's, per rijwiel zittend deze vasthouden, onbeheerde wagens wegrijden of over den weg zetten, baldadigheid met of op schuiten, dempen van slooten met straatsteenen of zand, zich wagen op ijs, monumenten beschadigen, plagen van kinderen en oude menschen en gebrekkigen, b.v. kruk wegtrekken bij kreupele, touw doorsnijden van den hond van een blinde, schrik aanjagen aan kinderen en oude menschen, molesteeren en naj ouwen van vreemdelingen in afwijkende kleeding, schilders, geestelijken, automobilisten, donker gekleurde landgenooten, lastig vallen van meisjes, spuwen van bruggen op schepen".
Het is een droeve, lange reeks, en niemand zal durven beweren, dat er iets te veel op staat, dat is het aangrijpende. Waar men ook bij overdrijft, niet bij het constateeren van de baldadigheid en de tuchteloosheid der jeugd. Daar is men eerder geneigd, wat verontschuldigingen bij te brengen.
En de gevolgen kunnen niet uitblijven. Menigeen krijgt een verkeerden indruk van wat de jeugd eigenlijk is en stelt zich daardoor ten opzichte van haar op een verkeerd standpunt. Wie heeft er nog idee in voor zulke meubels wat te doen ? Men weert ze overal en ziet ze met wantrouwen komen. Daar komt bij, dat de voortgaande baldadigheid een ruwe plooi in het karakter legt, die zich ook in het later leven vertoont.
Als oorzaken worden aangemerkt: de geringe invloed, die er van het gezin uitgaat; in de school door gedwongen stilzitten, veel wisseling van onderwijzers, ongeschikte leer krachten, te groote strengheid, gebrek aan toezicht; in de werkplaats door gebrek aan zedelijke leiding; in het openbaar door slecht voorbeeld van ouderen, kermisvermakelijkheden, jongenslectuur en bioscoop. In verband daarmee moet de verbetering dan ook gezocht worden : door verheffing van het gezinsleven, door medewerking van de school, van het publiek, van de pers, van de kerk, van de vakvereenigingen, van de justitie en de politie en door daadwerkelijk optreden van de overheid door bioscoopcensuur, meer speelplaatsen, verbetering van woningtoestanden, leeszalen en bibliotheken, bevordering van spaarzaamheid, sport, zang, goede volksfeesten, jeugd-en kinderraden.
Men ziet, daar zit nog al wat aan vast. Een groote kracht gaat er uit van de omgeving, waarin de kinderen opgroeien. Dat trof me eens bijzonder op een fietstocht door een deel van ons land. In 't eene dorp was de jeugd bepaald vijandig gezind : spuwen, gooien met steenen, stokken, vuil. In 't volgende dorp, waar de volksaard dus nog niet zooveel anders kon zijn, namen de kinderen de pet af voor de vreemdelingen. Me dunkt, daar heeft men het beschaafde milieu, niet zelden bewerkt door een enkelen predikant of een enkelen onderwijzer, die zijn stempel op zijn omgeving weet te zetten. Kerk en School zijn hier van grooten invloed.
Men wil wel zeggen, dat de meerdere beoefening van de sport de baldadigheid van de jeugd heeft verminderd. Ik wil dat aannemen. Toch geloof ik, dat nog wel aller samenwerking noodig is om het euvel bij de jeugd te bestrijden. G. Meima.
(Overgenomen uit: „De Bazuin")

JEZUS EN DE VROUW.
„Hoe het leven van de vrouw Jezus belang inboezemt, hooren wij meermalen uit Zijn onderwijs, en wel in het bijzonder uit Zijn gelijkenissen. Onder de spelende kin­ deren op de markt zijn ook de meisjes, die de klaagliederen zingen. De maagden, die den bruidegom tegemoet gaan, worden Hem een treffend beeld van Zijn toekomst. De vrouw, die haar barensweeën vergeet, omdat er een mensch ter wereld geboren is, van de vreugde van Zijn discipelen, als zij Hem wederzien (Joh. 16 vers 21). En de hen met haar kuikentjes is het beeld der moederliefde, de sterkste en teederste liefde hier op aarde, waarmede Hij zijn liefde voor Jeruzalem vergelijkt.
De huiselijke bezigheden van de vrouw uit Jezus' dagen vinden wij aangestipt in de geschiedenis van het terugvinden van den verloren penning. De verlaten en verdrukte weduwe, die alleen nog bij een ongevoeligen rechter door haar aanhoudend smeeken recht vindt, is Hem het tegenbeeld van de verdrukte gemeente, die tot God roept. Zelfs de slavinnen zijn Jezus' aandacht waard. Zooals zij in den molen het koren malen, of door den huismeester worden mishandeld, zijn zij Hem tot een beeld van het laatste oordeel. (Matth. 24 vers 41; Lukas 12 vers 45).
Uit al deze beelden zien wij tevens, dat de nijvere middenstand, waarin Jezus is opgevoed, Hem het meest voor den geest staat. Zijn onderwijs is natuur en leven. De Schriftgeleerden wisten van niets anders te spreken dan van recht en wet. Jezus predikte den godsdienst der liefde, waarvoor 't hart der vrouw zoo ontvankelijk is.
Ook bij het doen van wonderen vergat Jezus de vrouwen allerminst. De eerste genezing was die van Petrus' schoonmoeder, die aan de koorts te bed lag. Zoodra Jezus dit hoorde, ging Hij tot haar, vatte haar hand, en terstond verliet haar de koorts en zij diende Hem.
Men vergete daarbij vooral niet, dat Jezus' wonderen niet enkel gedaan werden om van Zijn grootheid te getuigen, maar ook door Zijn deelneming in het stoffelijk en zedelijk lijden der menschen. De Evangelist Lukas, die zoo dikwijls het diep en teeder menschelijk gevoel van Jezus doet uitkomen, geeft er ons een voorbeeld van in de opwekking van den jongeling van Nain, „en Jezus" — zoo zegt hij dan — „gaf hem aan zijn moeder". Hoeveel ligt er opgesloten in deze eenvoudige woorden !
Geen wonder, dat niet alleen Jezus' onderwijs, maar ook geheel Zijn persoonlijkheid de vrouwen aan Hem hechtte. Er waren er, die Hem op de feestreizen naar Jeruzalem volgden, en die het heerlijk vonden Hem te kunnen dienen van haar bezittingen. Als Hij ergens in het openbaar leerde, waren er ook steeds vrouwen onder Zijn toehoorders. En geen grooter voorrecht kende zij, dan wanneer Hij Zijn hand legde op de hoofdjes van haar kinderen en ze zegende. Want wanneer alle drie de Evangelisten ons vertellen, dat men daartoe jonge kinderen bij Hem bracht, dan kunnen wij — zelfs om de harde afwijzing der discipelen, die eer vrouwen dan mannen zouden bestraffen — ons niet anders voorstellen, dan dat het moeders geweest zijn.
Behoeven wij nog te zeggen, dat Hij Die het huiselijk leven zoo hoog waardeerde en er Zelf gaarne in deelde, niet de levenshouding der monniken predikte, en niet in het onderdrukken van de ons ingeschapen neigingen de hoogste heiligheid zocht ? Wie alleen de gelofte van ongehuwd te blijven kuischheid noemt, die lastert zijn moeder.
Maar juist, omdat Jezus het kuische huwelijk, zooals Hij dat in de ouderlijke woning had leeren kennen, zoo hoog stelde, trad Hij streng op tegenover de lichtvaardigheid en zinnelijkheid, die destijds heerschten. Al nam Hij de zondaressen ook in genade aan, het kwaad zelf veroordeelde Hij ten sterkste. Jezus heeft de heiligheid van het huwelijk hoog gehouden.
Om Zijn onderwijs in dit opzicht goed te verstaan, moet men in het oog houden, dat het recht tot echtscheiding in het Oosten alleen aan den man, niet aan de vrouw, toekwam. Ook al was zij, onder Israël, niet de slavin van den man, zij was toch wel zijn eigendom en mocht hem dus in geen geval eigenwillig verlaten. Ook kon de man, in den oudsten tijd tenminste, tegenover zijn vrouw geen overspel bedrijven, daar 't hem vrij stond nog één of meer vrouwen te nemen. Zooals men nu een slaaf kon vrij verklaren, zoo kon men zich ook van zijn vrouw ontdoen. Alleen vorderde de wet, dat men haar in zulk een geval een scheldbrief gaf, waardoor zij haar recht kon bewijzen op het aangaan van een ander huwelijk.
In de eeuw vóór Jezus waren er twee beroemde Schriftgeleerden, die beide scholen hadden nagelaten, n.l. Hillel en Schammai. Laatstgenoemde was ten opzichte van echtscheiding iets nauwer dan Hillel en was de meening toegedaan, dat er voor scheiding een behoorlijke reden moest bestaan. Hillel keurde het genoeg, wanneer een vrouw niet langer aan haar echtgenoot behaagde. Deze twistvraag legde men nu aan Jezus voor, met de woorden: „Meester! is het een mensch geoorloofd, zijn vrouw te verlaten om allerlei oorzaak ? " Het antwoord dat Jezus gaf, verbaasde de toehoorders : „Hebt gij niet gelezen. Die van den beginne de menschen gemaakt heeft, dat Hij ze heeft gemaakt man en vrouw, en gezegd : daarom zal een mensch vader en moeder verlaten en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn ? Hetgeen dan God samengevoegd heeft, schelde de mensch niet".
Waar Jezus over het huwelijk spreekt daar worden Zijn woorden gekenmerkt door een bijzondere kieschheid, een kieschheid die Hem ook kenmerkte in Zijn omgang met vrouwen. Wij kunnen er in Zijn gesprek met de Samaritaansche een voor, beeld van zien.
Een ander voorbeeld is dat van de vrouw uit de schare, die in haar verrukking uitriep : „Zalig de schoot, die U gedragen, en de borsten, die U gezoogd hebben". Haar enthousiasme gaat hier in het sterk zinnelijke over. Jezus' fijn gevoel wist dit dadelijk te stuiten, want Hij antwoordde : „Ja zalig zijn degenen, die het woord Gods hoeren en het bewaren". Die kieschheid werd klaarblijkelijk zelfs door Jezus' vijanden erkend. Immers, zij durfden Hem een vraat noemen en een wijndrinker, omdat Hij de feestmaaltijden niet schuwde, doch nimmer lasterden zij Zijn omgang met vrouwen.
En toen Jezus eindelijk uit liefde voor het verloren menschdom zichzelf opofferde aan het kruis, toen was eens en voor al het Christendom de godsdienst geworden van de vrouw, die dieper dan de man de smarten van het leven ondergaat, maar ook de liefde, die ze lenigt en weet te genezen.
Door het geloof in Jezus Christus heeft de vrouw de plaats ontvangen, die haar toekwam".
(Zondagsbl. „De Rotterdammer")

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's