MEDITATIE
TEN DAGE MIJNER BENAUWDHEID.
Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere Psalm 77 vers 3a.
Meermalen hebben wij aan eene stervenssponde gestaan en met ontroering gestaard op die laatste worsteling van leven en dood. Hoe vreeselijk moet het zijn, wanneer de lijder of lijderes in hevige pijn en benauwdheid om en om woelt, de handen grijpend uitstrekt en ze dan weer machteloos vallen laat, u met het klamme doodszweet op het gelaat hulpeloos aanziet en ge niets kunt doen om ook maar eenigszins verlichting aan te brengen ! O, dan blijft u niets over dan stil te bidden, te smeeken om hulpe tot Hem, Die machtig is en ontfermend.
Maar de geestelijke benauwdheid is vaak niet minder groot en de worsteling van een gekende ziel om het leven niet minder zwaar. Ja, soms schijnt het lichaam er bij onder te gaan en het verstand gekrenkt te worden. Zoo is het bij den wanhopige, die zich ontrukt ziet aan alles wat hem lief en dierbaar is, die de zijnen in onzegbare smart weet en niet kan helpen ; zoo is het bij den man of de vrouw, die onschuldig, alleen om den naam des Heeren, in den kerker geworpen werd, we tend, welke martelingen te wachten staan ; zoo is het bij den bekommerde, die zich van God en menschen verlaten gevoelt.
Over die benauwdheid der bekommernis schrijft Asaf in den Psalm, waaruit ons tekstwoord genomen is. Het is voorbij, als hij zijn lied overgeeft aan Jeduthuns zangkoor, maar toch trilt het nog na, golft en beweegt het nog in hem en dringt zijn hart om het neer te schrijven, kon het zijn, tot troost en bemoediging voor allen, die gelijke worsteling hebben door te maken. Wij raden u aan, bekommerde lezer, dezen Psalm nadenkend door te lezen. Mocht de Heere u daardoor eens komen te vertroosten in uwen druk; zulke geesteskinderen worden immers in benauwdheid geboren !
Welke zouden toch de oorzaken of redenen geweest zijn van die benauwdheid ? Asaf maakt geen melding van bijzondere zonden of moeilijke levensomstandigheden. Maar toch kunnen we uit de beschrijving in de verzen 5—14 wel een en ander opmaken. Het komt ons voor, dat er in hem is een gevoel van door den Heere verlaten, ja, verstooten te zijn. Het is alles donker en krachteloos in hem. De bestrijdingen des Satans en de aanklachten vanwege ongerechtigheid en kleingeloof zijn vele. De oordeelen Gods vervaren zijne ziel, de helle gaapt hem aan en in hem en rondom hem is het stikdonkere nacht.
Evenwel, het is niet noodig, dat we hier bijzondere oorzaken zoeken. Wanneer het Licht der genade wijkt en de wolken van lijden én beproevingen zich legeren om onze zielewoning, dan is het ieder kind des Heeren bang te moede. Dan weet ook zulk een wel, dat de Heere hem niet plaagt uit lust tot plagen, maar dat er kastijdingen zijn van de trouwe Vaderhand, die niet wil, dat wereld en vleesch Zijn kind overheeren en ten verderve sleepen. Dat vertelt David ook in dien boetepsalm 32 vers 4 : „Want Uwe hand was dag en nacht zwaar op mij ; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten". Tot hij zijne zonde bekend maakte en zijne ongerechtigheid beleed.
Indien wij nu mogen schrijven uit en over uwen staat, dan weten we wel, dat we in het verborgene niet kunnen inkomen en geen hartekenners zijn, maar toch geven Gods Woord en de ervaring genoegzaam aan, dat er o, zooveel is in het leven der ware Kerk, dat voeren kan tot die verlatingen en benauwenissen.
Is daar niet eene verborgene zonde, bij menschen niet bekend, wel bij den Heere ? Eene zonde, die ge maar al te lang en al te gewillig aan uw hart hebt gekoesterd ? Denk eens aan Jacob ! Wanneer hij zijn ouden vader bedrogen heeft, vlucht hij naar Mesopotamië en vertoeft daar twintig jaren. De Heere zegent hem en hij keert rijk terug naar de erve zijner vaderen Abraham en Izaak. Het gaat aanvankelijk boven verwachting : Laban wordt verhinderd hem terug te voeren, de engelen Gods ontmoeten hem te Mahanaïm, er is gewilligheid en blijdschap bij de zijnen. Maar dan komt er een boodschap, dat zijn broeder Ezau hem met vier honderd mannen tegemoet trekt. En dan grijpt de angst hem aan, dan weet hij geen raad. De oude zonden van vóór twintig jaren, de vervloeking van zijn broeder en diens voornemen tot doodslag, komen dreigend voor hem te staan.
Denk ook eens aan de broeders van Jozef, toen ze in Egypte kwamen om koren te koopen en die onderkoning hen zoo hard behandelde ! Toen zeiden ze de een tegen den ander : „Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwd held der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet, daarom komt deze benauwdheid over ons" (Gen. 42 vers 21).
Was er in u wellicht geestelijke hoogmoed, omdat de Heere uwen berg had vastgezet (Psalm 30 vers 8), of was er eene hunkering naar de vleeschpotten van Egypte, gelijk bij Israël in de woestijn ? Trokken de begeerlijkheden der wereld u van den Heere af ? Was er verachtering in de genade, was er een wortel der bitterheid ? (Hebr. 10 vers 15). Waren er gebroken rietstaven, op dewelke gij steundet ? Of was het nog iets anders, dat ge zelve het beste weet ?
Maar Gods kind is er zelfs in de beste oogenblikken van zijn leven nog lang niet. De allerheiligsten hebben, naar luid van den Heid. Catechismus, zoolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid. We mogen gerust verzekerd zijn, dat in dezen Psalm een gefundeerd kind Gods aan het woord is, maar dit kind Gods zal de eerste zijn om te erkennen, dat in hem en in zijn weg en werk geen aangenaamheid voor God was. En dat er op de wegen des Heeren door verdriet en kastijding heen vreedzame vruchten der gerechtigheid te vinden zijn. Heilzaam voor Christus' Zion. Haar weg gaat door de moerbeidalen heen naar genadehoogten en zieleverkwikkingen. Om hoog te kunnen klimmen, moeten wij eerst recht diep zijn afgedaald. De bittere vrucht der verlating en beproeving is in het laatste zoet als de honig uit den rotssteen Christus. De nood der ziele moet op het hoogst rijzen eer de ziel zelve kan en wil losgemaakt worden van alle steunsels en leunsels der werkheiligheid en eer zij het alleen van den Drieeenigen God verwacht.
Zijt gij daar vreemd aan ? Kent ge geen benauwdheden des harten, die zich wijd uitstrekken ? Zijn er in uw leven geen stormen, geen doodsgevaren ? Slaapt ge als een Jona op het schip, dat van de door God bestemde plaats en taak afvoert ? Drijft ge nog als een wrakhout op de zondezee voort? Waarlijk, indien Israël in Egypte niet verdrukt en benauwd ware geweest, zou er geen reden geweest zijn om het bloed van het lam aan den deurpost te strijken. De bekommernis is op zichzelve geene zaak van vrede en vreugde, integendeel! En eene bekommerde ziele, n.l. die de droefheid naar God kent, mag door anderen zalig geprezen worden, doch zij zelve kan in die lofprijzing geenszins deelen en wordt er te treuriger om. Want bekommernis en verzekerdheid zijn vaak vriendinnen, die met den rug naar elkander toestaan.
Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere !
Benauwd was hij dus. Maar zoekend was hij ook. En hij zocht den rechten Helper op den rechten tijd en op de rechte plek.
Ik zocht den Heere!
Daar was een opzien tot dat heilig Wezen. Uit de duisternis, uit de smart was er als een boren van het oog naar omhoog.
Zijne hand was des nachts uitgestrekt! Uitgegoten, staat er eigenlijk. Alsof hij in slapeloozen nacht zijne ziel in zijne hand nemen wilde, om hare volheid voor den Heere uit te storten.
Zijne ziel weigerde getroost te worden. Hij wil niets van doen hebben met die schijnbaar zoo gulle helpers, als wereld, vleesch en magen, die van alle kanten toeloopen met allerlei beloften en ook wel vriendelijke verwijten, dat hij het veel te zwaar opneemt en dat het best in orde zal komen. „Gaat heen, gij allen, gij zijt mij moeilijke vertroosters !"
Hij maakt misbaar. In luide roepingen en tranen breekt hij uit, telkens als hij dacht aan dien God, Die eertijds zoo teeder en vaderlijk nabij was, telkens als hij dacht aan die verledene tijden, waarin hij al zijne vermakingen vond in Gods getuigenissen.
Zoo wordt zijn geest overstelpt. Het wordt hem te veel. Alle sprake houdt op, en arm, ellendig, zit hij neer.
En toch.... hij kan het niet laten, toch is hij als de geslagen hond, die naar zijn meester kruipt. Hij zoekt den Heere ! Hij zoekt geen verstrooiing, zoekt geen ontkoming door eigen kracht en verstand ; hij zoekt den Heere zijnen God. En hij zal Hem ook vinden (vers 2). Ja, die lieve kinderen des Heeren, hoe zij ook in smart en verdrukking zijn, kunnen het nergens vinden dan bij den Heere alleen. Jobs huisvrouw mag zeggen tot haren man : „Zegen God en sterf !" doch ze krijgt ten antwoord: „Gij spreekt als eene der zottinnen spreekt ; ja, zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen ? "
Hoe benauwd Gods kinderen ook zijn en hoe zij soms in hunne benauwdheid het overal zoeken, tenslotte komen zij toch weer bij den Heere terecht en kussen ze de roede, die hen geslagen heeft. Dat is juist het tegenovergestelde van wat de wereldling doet, die eigen schuld op God werpt en de vuist balt tegen dat rechtvaardig, heilig Wezen. Neen, dat vermag de gekende niet. Zonder God, zonder Christus, zonder dien Heiligen Geest, dat is een eeuwige nacht en ondergang. Liever met den Heere Jezus in de smart, dan zonder Hem in al het genot der zonde.
Ook is het de heerlijke eigenschap des geloofs om met bidden en smeeken niet op te houden en moed te putten uit de overdenking van de goedheid Gods in vroeger dagen.
Hij zoekt den Heere ! En zoo hebben het de helden des geloofs, de heilige mannen Gods gedaan. Zoo heeft het de lieve Zoon des Vaders gedaan, in Gethsémané, op Golgotha. En zijn ze niet verhoord uit de vreeze ? Want de Heere hoort het zuchten Zijner gevangenen en Hij verbreekt de koperen deuren en leidt uit in de ruimte. Op Zijn tijd, ja, maar Hij doet het. Gij hebt mijn weeklacht en geschrei. Veranderd in een blijden rei! (Psalm 30).
Mijn lezer, lezeres ! hebt u den Heere in uwe benauwdheid gezocht ? Gezocht en gevonden ? Zaagt u ook reeds uwen zielebruidegom komen, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen, haastend tot uwe hulpe ? Zijne doorboorde handen vertellen u de droeve geschiedenis van Zijne benauwdheid. Maar ook de groote genade der verlossing door Zijn bloed.
Wanneer gij dan ook, bekommerde, eens gered zult zijn, dan zult ge met stralende oogen zien op Jezus en het den Profeet nazeggen: „In al hunne benauwdheden was Hij benauwd ; door Zijne liefde en door Zijne genade heeft Hij hen verlost".
Huizen. G. Lans
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's