KERKELIJKE RONDSCHOUW
GOD — NEDERLAND EN ORANJE.
Nederland geniet door Gods goedheid in het huis van Oranje — daar is 't drievoudig snoer, dat niet behoort verbroken te worden ! — groote voorrechten, dat vooral in deze bange tijden (nationaal en internationaal is het zoo vol benauwenis) wel zéér gewaardeerd mag worden. Vooral zij, die den Naam des Heeren liefhebben en mogen acht geven op Gods Woord, zullen hier niet mogen achterblijven om hun dank aan God en hun liefde voor het Oranjehuis te toonen.
Onwillekeurig denken we in deze dagen aan het woord van de Koningin van Scheba, die door de enthousiaste lofprijzing van de dienaren van Salomo, zooveel goeds van den Koning van Israël gehoord had en land en volk, huis en haard verliet om dien Koning in Jeruzalem op te zoeken, en toen diep onder den indruk sprak : „Geloofd zij de HEERE uw God, die behagen in u heeft gehad, om U op den troon Israels te zetten ; omdat de HEERE Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot Koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen".
De Heere, de God des eeds en des verbonds, is Nederland genadig en heeft ons Oranje gegeven. Heel de geschiedenis spreekt van deze barmhartigheden des Heeren, van de groote zegeningen en weldaden, welke Nederland in Oranje heeft ontvangen en tot op dit oogenblik nog mag genieten !
Kwam Alva, om Nederland in bloed en tranen te doen ondergaan en de natie uit te roeien, de Heere is ons genadig geweest en gaf aan ons volk, aan de verdrukte en berooide provinciën. Oranje. En Oranje heeft geregeerd naar recht en heeft gerechtigheid gedaan. Hij is een schuilplaats geweest in den storm, een bescherming tegen den slagregen, een schaduw van een zware rots in een verzengend land. 1572, 1672, 1813, 1914, 1918 de eeuwen door heeft Oranje in de bres gestaan tot beveiliging van ons volksbestaan, ter verdediging van den vaderlandschen grond en hij is tot vertroosting en sterkte geweest van een bedrukt volk.
’t Zijn de droeve bladzijden van onze historie, waarop geschreven staat, dat Nederland en Oranje gescheiden waren, 't Is de donkerste tijd wanneer Nederland Oranje verjaagt, 't Is feest en blijdschap, wanneer Oranje wederkeert. Daarom gedenken we telkenjare op den Koninginnedag de groote voorrechten, ons van God gegeven.
Daarom trilt in de volksziel — als geschenk van Gods algemeene goedheid — op elken Oranjedag, bij het zingen en het hooren van de Vaderlandsche liederen, een toon van diepgevoelde dankbaarheid tegenover zijn Vorstenhuis.
Daar is een hechte band van ons volk met onze Koningin. Ons volk heeft onze Koningin lief ! En op Koninginnedag spreekt de volkshistorie, die ons Nederlandsche volk diep in 't hart zit. Maar 't is ook de liefde voor de edele Landsvrouwe, diens volk zoo hoog vereert en zoo teer bemint, die dan tot uiting komt. Ons volk is Koningsgezind! En 31 Augustus moet het weer openbaar worden, dat Nederland Oranje liefheeft ! Ook 9 September, als zal mogen worden gevierd het 35-jarig jubileum der regeering van onze geliefde Vorstin, die God tot op heden spaarde en schraagde.
Vijf en dertig jaar is het al weer geleden, dat Koningin Wilhelmina meerderjarig werd en de taak van haar Moeder, Koningin Emma, de Regentes, overnam. Koningin Emma getuigde in 1898, toen zij de regeering neerlegde : „God heeft mij in deze jaren gesteund — mijn dierbaarste wensch is vervuld". — En haar Dochter sprak, toen zij op 18-jarigen leeftijd den troon der Oranje's beklom : „Mijn innig geliefde Moeder gaf mij het voorbeeld van edele, verheven plichtsopvatting. Ik stel mij tot levensdoel, dat voorbeeld na te volgen : te regeeren, zooals van een Vorstin uit het Huis van Oranje wordt verwacht". Met de verklaring te vertrouwen op God heeft zij toen de regeering aanvaard, deze merkwaardige woorden uitsprekend : „Oranje kan nooit, neen, nooit genoeg voor Nederland doen".
Wij antwoorden in deze dagen, nu zooveel aan onze aandacht voorbijgaat in betrekking tot ons land en ons volk en ons Vorstenhuis — ziende ook op de landen rondom ons — dat ons Nederlandsche volk haar nooit, neen, nooit genoeg kan liefhebben !
Wij denken aan de bekende gebeurtenis in Parijs — in Parijs ! — in het jaar 1912.
Daar staat 't standbeeld van Caspard de Coligny, den Hugenoot, den martelaar voor de zaak des Heeren. Aan den voet ligt een opengeslagen Bijbel. Daar heeft onze Koningin, ten aanhoore van Frankrijk's grooten en de duizenden des volks, gesproken: „Moge het geloof van ieder, die in Christus als zijn Zaligmaker gelooft, steeds wassen en mogen wij allen steeds meer levende getuigen van den Heiland worden".
Een jaar later. Bij de schenking aan het Vredespaleis (1913) van een afbeeldsel van het groote Christusbeeld, hoog boven den zeespiegel op de Andes in Argentinië staande, geeft Koningin Wilhelmina aan de Argentijnsche dame, die de reproductie naar ons land bracht, haar portret met de eigenhandig geschreven woorden : „Christ avant tout". Christus vóór alles !
Leeft de Kerstgroet, door onze Landsvrouwe haar volk gedaan, in zoo benarde tijden, niet bij ons in de herinnering ?
En hoevele woorden, hoevele daden in blije, maar vooral ook in droeve dagen, in het midden des volks gesproken en gedaan, getuigen niet, dat de Heere aan Nederland in Oranje , zoo'n kostelijk blijk van Zijn liefde heeft geschonken.
Op den 53sten verjaardag van onze geliefde Koningin, en straks als we de 35jarige regeering van onze Oranje-Vorsten gedenken, zal ons gebed oprijzen voor Gods troon om Hem te danken. En onze bede zal wezen : dat de Heere Oranje nog lange spare voor Nederland en Nederland genadig mag zijn, om met Oranje in de vreeze Gods te mogen leven.
O, Hemelkoning, hoog geloofd. Aanschouw, aanschouw dit vorst'lijk hoofd. Bestemd een aardsche kroon te dragen ! Bestraal dit vriend'lijk aangezicht Met held're stralen van het licht Van Uw genadig welbehagen !
DE ZEDELIJKE INVLOED VAN HET SOCIALISME, (2)
Naast het gevoel van fierheid brengt het Socialisme het gevoel van saamhoorigheid onder de arbeiders. Het solidariteitsgevoel.
Het Socialisme getuigt, roemend in zich zelf, dat het de arbeiders heen gebracht heeft over een benepen egoïsme. Een mensch moet niet allereerst en alleen letten op 't geen voor hem zelf van dadelijk belang en voordeel is, maar we moeten ons weten een deel van het geheel, we moeten ons voelen in gemeenschap met anderen. We moeten geen dor, klein, hard, bekrompen egoïst zijn, die zichzelf tracht te bevoordeelen, ook zelfs als 't gaat ten koste van den naaste. We moeten de dingen niet klein zien. 't Moet ons niet gaan om een paar centen meer loon, of een uur minder werken.
En nu is het Socialisme gekomen tot dezulken en het heeft hen er op gewezen, dat zij niet in al hun ellende en jammer behoefden te blijven ; dat er meer onbezorgdheid, meer welvaart is te verkrijgen. Maar, deze dingen komen dan niet vanzelf, ze worden ons zoo maar niet toegeworpen ; ze moeten in langen, harden strijd veroverd worden. En — alléén kan men niets. Doch als men samengaat en staat in een sterke vèèlèènheid, dan kunnen de arbeiders het meer blije leven veroveren. En daarom moeten ze elkander niet beschouwen als concurrenten — die elkaar met afgunst aanzien en elkaar bestrijden — maar als kameraden in den strijd, die één doel, één streven hebben ! Ieders belang is aller belang ; aller winst is ieders winst!
Daarom roept het Socialisme ook op tot eendrachtig willen en samen strijden : „Proletariërs van alle landen, vereenigt u!"
Deze woorden staan in elke Socialistische vergadering ; van elke redevoering vormen zij de peroratie, van elk artikel is dat de grondtoon. En zóó wordt gekweekt — naast het gevoel van fierheid — het gevoel van solidariteit, van saamhoorigheid.
Zóó wordt de blik ruimer, breeder. Dan valt het dorre, enge egoïsme weg. 't Gevoel van kameraadschap wordt versterkt. Niet meer wordt gestreden alleen voor 't eigen voordeel, maar gestreden wordt voor de gemeenschap, voor de gansche klasse, voor al de mede-lijdende kameraden, óók voor het komende geslacht, voor de komende tijden ! En in dien strijd, die dan eiken dag gestreden wordt, ontwikkelen zich gevoelens van broederschap, toewijding, zelfbeheersching; daarin wordt het eigen inzicht ondergeschikt gemaakt aan dat der meerderheid, daarin wordt de eigen wil gericht naar aller wil En zóó — zeggen de Roodevaan-dragers — zóó is het Socialisme een stap in een goede richting en zoo is die strijd een school, waarin voortreffelijke deugden geleerd worden en een betere menschheid wordt opgevoed, ter voorbereiding van een beter maatschappij-leven !
De wereld heeft al hèèl wat aan het Socialisme te danken — zegt men triomfantelijk. Het zedelijk oordeel dat verstompt en uitgesleten was bij de menschen, is verlevendigd en vernieuwd. Het verlangen naar een betere wereld, waarin al de verschrikkingen van de kapitalistische maatschappij tot het verleden zullen behooren, is levendig geworden. De slapers zijn wakker geworden. De versuften zijn ontwaakt en zijn uit hun oogen gaan kijken. De deemoedigen hebben het hoofd opgeheven. De proletariërs, die knechten, die slaven waren, hebben den reuk van 't land der vrijheid ingesnoven en hebben gezegd : gij hebt ons geroepen tot den strijd — hier zijn wij !
En het Socialisme, dat fierheid en solidariteit bracht in de arbeiderswereld, heeft idealen gesteld, die het proletariaat van alle landen wenken.
De kapitalistische maatschappij danst rondom 't gouden kalf. Alles gaat om 't geld, om winst. Om 't leven van den arbeider bekommert men zich niet. Winst, steeds méér winst, steeds grooter kapitalen, dat is — zoo zegt men — de hongerige begeerte van de tegenwoordige maatschappij. Dat streven is ingeweven in heel het leven van onzen tijd en het is zóó erg, dat het zedelijk gevoel er door afgestompt is. Alles is in totaal verkeerde banen geleid. Die zich niet om 't leven van z'n arbeiders bekommert, gaat vrij uit; maar die een brood steelt, gaat in de gevangenis. Wie voortdurend de gezondheid schaadt van mannen, vrouwen en kinderen, kan rustig voortgaan ; maar die een ander een klap geeft, wordt gearresteerd en gestraft. Het leven van de arbeiders en arbeidsters is een van de kostelijkste eigendommen die de mensch bezit en niemand in de kapitalistische maatschappij bekommert er zich om — zegt men.
En nu komt het Socialisme en veroordeelt heel ons maatschappelijk samenstel, heel die winstmakerij, al dat jagen naar méér winst, naar méér kapitaal. Het spreekt luide zijn verontwaardiging uit, het wekt het verlangen naar een betere wereld en het komt nieuwe idealen stellen als tegengif tegen de moreele verwording van onzen tijd. Want onze tijd is laag gezonken. Dwaze, idiote weeldezucht en pronkerij, waarbij men nooit tevree is. Schandelijke uitspattingen. Dolzinnige verteringen maken. Protsig de rijke mijnheer uithangen. Gruwelijke dingen op sexueel gebied, onder mannen en onder vrouwen. Schandaal-en prikkellectuur. Het hazardspel en het gokken, overal en in allerlei vorm. Corrupties, knoeierijen in de politiek, in zaken, overal. Deze óverbeschaafde wereld is verrot, door en door verrot. En nu houdt het Socialisme het ideaal voor oogen, dat de nieuwe, komende maatschappij, waarvoor het proletariaat van alle landen strijdt, dat alles zal wég bezemen, om geheel nieuwe dingen te brengen voor allen.
’t Huidige concurrentiestelsel van de kapitalistische maatschappij bederft alles. Want de productiekosten worden zoo laag mogelijk gehouden, de loonen worden zooveel mogelijk gedrukt, de winsten moeten zoo groot mogelijk worden, 't kapitaal zooveel mogelijk opgevoerd. Dat brengt overmatig lange werktijden, belachelijk kleine loonen, krotten van woningen, hooge kindersterfte, lichamelijke en moreele verwording bij groot en klein.
Daarbij werkt bet concurrentiestelsel van de kapitalistische maatschappij leugen en bedrog, vervalsching van koopwaren, en zoo veel andere dingen in de hand, terwijl bank en geldmarkt voor alles dienstbaar wordt gemaakt.
Dat alles zal de Socialistische maatschappij, gegrond op 't maatschappelijk bezit van grond en productiemiddelen, doen verdwijnen. De Socialisatie zal alles veranderen ten goede. Dan zal de onzin, dat er vele bakkers, kruideniers, slagers, enz. in een stad zijn, die elkaar „dood" concurreeren, niet meer bestaan. Dan komt de socialisatie, de coöperatie. Dan zal ieders belang aller belang zijn. Heel 't bedrijfsleven zal in „broederschap" en in „samenwerking" zijn en overal zal het „eigen hulp" en „vooruitgang" zijn. Geen haat meer tusschen concurrenten. Geen geknoei meer met waren en prijzen. Geen jacht naar winst of kapitaal. Dan is een nieuwe maatschappij, een nieuwe samenleving geboren. En de broederschap der menschen zal overal zichtbaar worden. Vrijheid, gelijkheid, broederschap !
Zoo spreekt, zoo fantaseert, zoo suggereert het Socialisme.
En het Christendom, dat waarlijk den Heere wenscht te dienen naar Zijn Woord, opdat het leven, ook het maatschappijleven, zooveel mogelijk zal beantwoorden aan het gebod': „heb God lief boven alles en den naaste gelijk uzelf " — heeft acht te geven, opdat het iets beters kan brengen. Iets, dat waarlijk tot zegen kan strekken voor de me& chen én tot eere Gods kan zijn. En - dat niet mag achterblijven, waar de Heere dagelijks ons roept en onderwijst door Zijn Woord en Geest.
DE GEZANGEN-KWESTIE. (2)
„Het al of niet zingen of doen zingen van het gezang in de samenkomst der gemeente wordt zelfs tot een kenmerk van dwaling of rechtzinnigheid gemaakt " zegt prof. Severijn in het Woord-vooraf van zijn brochure.
Dat woordje „zelfs" (dat wij hebben onderstreept) teekent.
Zóó wil prof. Severijn gelukkig de kwestie niet benaderen. Het al of niet zingen of doen zingen van een gezang mag zóó maar niet wildweg een oordeel uitlokken van zóó digpgaande beteekenis. Daarvoor is deze kwestie te ernstig. En het verheugt ons, dat prof. Severijn nu een poging gewaagd heeft, om deze belangrijke kwestie heel anders te behandelen. Alleen als we de kwestie principieel en historisch belichten, kunnen we verder komen !
Het gaat over de kwestie of naast de Psalmen het vrije, christelijke. Schriftuurlijke, Nieuw-Testamentische lied in de samenkomsten der Gemeente, bij den dienst des Woords en der Sacramenten, mag gebruikt worden ja of neen.
Er zijn er, die. zeggen, dat het vrije lied in de Kerk niet thuis hoort, èn er zijn er, die zeggen, dat de Nieuw-Testamentische Gemeente wél behoefte heeft aan het lied der vervulling, , in Jezus Christus ons geschonken.
En nu zegt prof. S.: „Niet zelden is de predikant die gezangen gebruikt, reeds daarom veroordeeld en wordt geacht onzuiver in de leer te zijn". „Voor den een is het gezangengebruik een fundament van vertrouwen om zich aan de leiding van een predikant over te geven, voor den ander juist het tegendeel en omgekeerd". Prof. Severijn spreekt in dit verband ook van dominees, die het al of niet gebruik van gezangen laten afhangen van motieven, die allerminst diep geestelijken grond hebben. „De kwestie zelf wordt daardoor vertroebeld en een goede oplossing zeker niet bevorderd". „Dit gevoegd bij het feit, dat de verdedigers van hun standpunt vaak heel slechte advocaten blijken te zijn voor hun zaak, is het verklaarbaar, dat ook de booze tong niet nalaat slecht gerucht te verspreiden", (blz. 6)
Het blijkt dus nogal een hobbelig pad te zijn, waarop we verzeild geraakt zijn, als we ons begeven tot „de Gezangenkwestie"
„Met dat al ligt daarin aanleiding om zich van den ernst der zaak te overtuigen, althans zich daaromtrent te bezinnen" — zegt prof. Severijn.
De zaak is er gewichtig genoeg voor. Want èn uit het taaie verzet tegen het vrije lied èn uit het aanhoudend opkomen vóór het vrije lied in het midden van Christus' Kerk, ligt aanwijzing genoeg, dat de zaak waarom het gaat van diepgaande beteekenis is. „De kwestie is er en was er door de eeuwen heen, en zij wortelt in het kerkelijk leven, dat de historie ons biedt. Dat feit op zichzelf vraagt om bezinning, omtrent de motieven en beginselen, die achter de verschijnselen werkzaam zijn" (blz. 7).
We moeten nagaan, wat de motieven en beginselen zijn, om het vrije lied tot Kerklied tè verheffen en dus in den Dienst des Woords en der Sacramenten te gebruiken. En omgekeerd hebben wij na te gaan, uit welken grond men zich daartegen telkens heeft verzet en ook nu zich nog verzet.
Het gaat dus niet om het gebruik van het vrije, christelijke, Schriftuurlijke lied in de gezinnen of waar ook buiten den Kerkdienst, maar om het gebruik er van in de samenkomsten der Gemeente, als deze vergaderd is in den dienst des Woords en der Sacramenten, 't Gaat om de kwestie van het vrije, christelijke lied, naast de Psalmen, in de Kerk.
De dichterlijke gave valt niet uitsluitend den heidenschen poëet ten deel, maar ook die in de Gemeente van Christus zijn ingelijfd, zijn niet zelden er mee begiftigd en die ontkomen niet aan den invloed van den wederbarenden Geest en zij zullen in heilige zangen willen vertolken, wat in 't harte leeft" (blz. 8). „De Heilige Schrift toont zelfs duidelijk aan, dat het werk des Heiligen Geestes in een menschenziel niet zelden tot zulk een heilige verrukking voert, dat zij in de schoonste poëzie vertolking geeft, van wat zij schouwde van het heilgeheim" (blz. 8).
In een noot op blz. 8 teekent prof. Severijn daarbij aan : „Josua van Iperen zegt: „Daar is evenwel geenszins aan te twijfelen, of men heeft ook Dicht-en Zangstukken gehad, van eene Christelijke uitvindinge, en in welke de Zaligmaker, met Zijnen Naam genoemd en in Zijn Middelaarsverrichtingen, verheerlijkt wierd". Van Iperen („Kerkelijke Historie van het Psalmgezang, Amsterdam 1777), grondt dit oordeel op de uitspraken in Ef. 5 vers 19 : „sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw hart" ; en in Coloss. 3 vers 16 : „Het Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid ; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart".
Die werking van den Heiligen Geest in het dichterlijk harte van den Christen is een merkwaardig ding. „Daarom juist, en ook omdat in 't rijke leven der eerste Christenen deze verschijnselen niet zeldzaam waren, bood zij voorbeelden van een poëtisch en wellicht profetisch getuigen". Hierbij wordt verwezen naar 1 Cor. 14 vers 26 : „Wat is het dan, broeders ? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij eene uitlegging — laat alle dingen geschieden tot stichting".
„Er kwamen", meent Van Iperen, „nu en dan Christenen in de vergaderingen, die een nieuwen Psalm gedicht hadden en wilden deze, tot algemeene stichting, dan hebben ingevoerd, waartoe Paulus dan ook verlof geeft, mits alles vreedzaam en ordelijk toeging" (blz. 8).
Men zal goed doen in dit verband óók kennis te nemen van hetgeen o.a. prof. Greydanus, prof. Van Leeuwen, prof. Grosheide e.a. in hun commentaren zeggen over het zingen van psalmen, hymnen, geestelijke liederen enz. in de samenkomst der Gemeente].
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's