ALLERLEI
GEBED UIT DE DIEPTE TOT GOD.
Ik zal, tegen mij zelven, belijdenis doen van mijne overtredingen. U, o Heere, zal ik mijne zwakheid bekennen.
Menigwerf is het maar een geringe zaak, die mij neerwerpt en droevig stemt. Ik neem mij voor krachtig te handelen, maar als er slechts een kleine aanvechting komt, geraak ik aanstonds in groote benauwdheid.
Somwijlen is het een geringe nietigheid, waaruit een zware verzoeking voor mij ontstaan kan. En als ik mij tamelijk veilig waan, omdat ik geen gevaar zie, dan ondervind ik, dat soms een lichte windstoot mij bijna ter aarde kan werpen.
Zie dan neder, Heere, op mijne geringheid en broosheid, die Gij zoo wel kent. Ontferm U mijner en ruk mij uit het slijk, laat mij niet verzinken, laat mij niet altoos daar neergeworpen liggen.
Dit is het, wat mij zoo menigmaal terneer slaat en voor U beschaamd doet staan, dat ik zoo licht struikel en in de bestrijding van mijn driften nog zoo zwak ben. En al komt het ook niet geheel tot inwilliging, toch is het nog zoo pijnlijk en bezwarend, dat ik telkens door mijn driften besprongen worde. Ook verdriet het mij alle dagen in zulk een strijd te leven. Mijn zwakheid leer ik wel daaruit kennen, dat allerlei verfoeielijke verbeeldingen mij veel lichter overvallen dan verlaten.
O, sterke God van Israël, die over de zielen van Uw geloovigen ijvert met een grooten ijver, zie toch de moeite en de smart van uwen knecht aan, en sta hem bij in alles, wat hij ondernemen moge. Versterk mij met hemelsche kracht, opdat niet de oude mensch, opdat niet dit ellendige vleesch, dat nog niet volkomen aan den geest onderworpen is, de overhand verkrijge in dezen strijd, dien ik in dit droeve leven voeren moet tot mijn laatsten ademtocht".
DE „KONING VAN SION".
Een der merkwaardigste gebouwen van de stad Munster is het Paleis van Jan van Leiden, den beruchten wederdooper uit de 16e eeuw.
Dit gebouw maakt door zijn eigenaardigen stijl en het krulwerk in zijn trapgevel een eigenaardigen indruk.
Men weet, dat Jan Beukelszoon Buitenwech, een kleermaker en rederijker uit Leiden, nadat hij zich met Jan Mathijsen, een Haarlemschen bakker, aan het hoofd der Wederdoopers-benden had gesteld, in vereeniging met zekeren Bernard Knipperdolling deerlijk te Munster huishield. Toen Mathijsen bij een uitval tegen de belegeringstroepen van den Bisschop van Munster, den Graaf van Waldeck en den Hertog van Gelder, in September 1532 was gesneuveld, maakte „Jantje van Leiden" zich alleen van het gezag over de Wederdoopers meester. Hij veroorloofde zich nadien de verschrikkelijkste buitensporigheden, onder voorwendsel dat hij door den Geest Gods werd aangespoord en dat hij een goddelijke zending vervulde !
Hij stelde 12 rechters en een scherprechter aan, die opdracht had iedereen terstond te onthoofden, die hem ongehoorzaam was of zijn goddelijk gezag in twijfel trok.
Op den 24sten Juni 1624 liet hij zich op de markt te Munster tot „Koning van Sion" uitroepen. Bij die gelegenheid hield hij te paard, in een schitterend gewaad gehuld, een ommegang door de stad.
Volgens de leer van zijn sekte, die de veelwijverij voorstond, had hij vijftien vrouwen, met wie hij een sierlijk paleis bewoonde. De meest begunstigde dier vrouwen was de weduwe van Jan Mathijsen, die met een gouden kroon op het hoofd zich in de Munstersche straten vertoonde.
Zijn andere veertien echtgenooten daarentegen hadden een minder aangenaam leven. Zoodra zij zich afkeurend over het een of ander durfden uitspreken sloeg „Jan van Leiden" ze eigenhandig het hoofd af !
Hij had twaalf apostelen benoemd om zijn leer te verspreiden en zekeren Jacob van Kampen tot bisschop van Amsterdam aangesteld.
Terwijl de nieuwbakken „Koning van Sion" met al zijn vrouwen in zijn paleis als een Oostersch vorst in weelde leefde, was het belegerde Munster aan hongersnood ten prooi. Van overgave wilde hij niet hooren en 47 personen werden op zijn last onthoofd, omdat zij aan den oorlog een einde gemaakt wilden zien.
Nadat de Wederdoopers vergeefs op ontzet hadden gewacht, werd Munster overrompeld en veroverd. De tegenstand had 15 maanden geduurd. Jan van Leiden werd aan den staart van een paard gebonden en zoo weggesleept naar een naburig kasteel. Een half jaar bracht hij daar in gevangenschap door. Op 25 Januari 1536 had zijn terechtstelling plaats. Hij werd op 't schavot aan een paal gebonden en met gloeiende tangen rukte men het vleesch uit zijn lichaam. Daarna werd zijn lijk in een ijzeren kooi opgehangen, aan den toren der St. Lambertuskerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's