De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

11 minuten leestijd

Uit mijn eerste jaren als Dominee herinner ik me nog altijd een gesprek, dat ik eens had met een vrouwtje uit het volk. Zij had het over het onderwijs, dat haar kinderen kregen op school. Voor mij stond het nog heelemaal niet vast, of zij in haar jeugd wel zoo heel vaak de school had bezocht. Volgens haar inzicht leerden haar kinderen veel te veel, of, juister uitgedrukt, werd het program, deze kinderen voorgelegd, veel te hoog opgevoerd. Wanneer zij maar in een courant konden lezen en een leesbare hand konden schrijven, van rekenen zooveel verstonden, dat zij konden optellen, aftrekken en deelen. Groote getallen waren heelemaal niet noodig. Want — zoo zeide ze — meer dan een Rijksdaalder krijgen ze toch niet. Aardrijkskunde was heelemaal malligheid. Zoo was haar betoog. Al die namen van die landen en die vreemde plaatsen, waar je toch nooit komt — was maar een plaag voor die kinderen.
Wanneer ge denkt, dat ik hier een tegenbetoog heb gehouden, of daarin een wijziging heb zoeken aan te brengen, zoo vergist ge u. 'kHeb het zonder eenige critiek aangehoord. Immers — en dit zijt ge dadelijk met me eens — zou het ganschelijk niet hebben gebaat. De wereldbeschouwing van die vrouw was zoó van alle kanten begrensd, dat hier aan verwijdering niet kon worden gedacht, 't Verstandigste is dan ook in zulke gevallen maar te zwijgen.
Het onderwijs is niet in nauwer bedding geleid sedert dien tijd, veeleer is daaraan nog een uitbreiding gegeven. Van de kinderen, die nu op de schoolbanken zitten, wordt heel wat gevergd. Die kleine hersentjes worden met tal van zaken overladen, waarvan men vóór een kwart eeuw nog niet of nauwelijks had gehoord. Of onder het vele niet het geheel heeft geleden, is voor mij nog geen uitgemaakte zaak. 't Spreekt, dat de hoofdlijnen nog wel op dezelfde wijze worden getrokken. Lezen en schrijven, rekenen en aardrijkskunde, staan nog op het program van elke school. Zij prijken op elken rooster, 'k Geloof, dat het momentelijk bij geen enkel schooltje ingang zou vinden, dat men gevoegelijk de namen van landen en steden zou kunnen voorbijgaan, omreden dat men er toch nooit kwam. Neen de jeugd van thans en van vóór 25 jaar geleden, loopt heel wat uiteen, wat het reizen betreft. Zoo ontmoette ik dezer dagen op de Veluwe, waar ik 'n Zondag preekte, iemand uit de hoofdstad des lands, die in hetzelfde dorp nu meer dan 15 jaar achtereen zijn vacanties doorbracht. Heerlijker genoegen begeer ik niet, zei het hoofd van het gezin, daarbij gesteund door de hulpe tegenover hem. Een der kinderen, natuurlijk de jongste, maakte de opmerking, dat zij net zoo lief eens de grenzen over zou wippen, liefst naar Zwitserland. Weet ge wat de vader toen zei : daar vandaan krijgt ge eerstdaags wel een ansicht van onze dienstbode".
Teekent dat niet het leven onzer dagen ten voeten uit ? Die het moeilijkst uitgaan zich kunnen veroorloven, geven vaak het gemakkelijkste uit. 't Is goed, dat onze kinderen aardrijkskunde wordt bijgebracht, maar ik zou toch wel als noodzakelijk het vak rekenkunde er naast zien onderwezen.
Rekenen moeten we allemaal.
Wie meer uitgeeft dan hij inbeurt, wordt vanzelf armer. Is er nu een zekere ruggesteun, in den vorm van kapitaal, zoo kan een enkel stootje worden opgevangen. Dan is 't nog de vraag of en hoe lang dit mag doorgaan, maar dan bestaat in elk geval de mogelijkheid dat niet dadelijk armoede de poort rammelt. In den regel ziet ge dit, dat de minste rimpels in het voorhoofd trekken, waar de beurs het holste is. Als het op is, zal er wel voor ons gezorgd worden, is hier vaak het devies.
Dit is een kwaad, dat kwaad blijft. Wie van Godswege de taak heeft ontvangen te zorgen voor een gezin, voor een groep, voor een zaak, mag nooit zoo handelen.
In het 5de hoofdstuk van den brief aan Efeze, waar gehandeld wordt over het gezin, staan zulke kostelijke woorden, welke in onze dagen telkens en telkens dienen te worden herlezen :
„Ziet dan hoe gij voorzichtiglijk handelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
Den tijd uitkoopende, dewijl de dagen boos zijn.
Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren zij".
Zoo meenen wij ook onze taak niet lichtvaardig als Penningmeester van den Gereformeerden Bond te mogen opvatten.
Inkomsten en uitgaven moeten in evenwicht blijven. Zorgeloos handelen met eigen goed maakt schuldig voor God. Wat door anderen ons werd toebetrouwd, vereischt nog meerdere waakzaamheid. Ook wat wij de stoffelijke dingen noemen, moeten worden beschouwd als gaven Gods, waarvan Hij ons verantwoording zal afvragen. Wij hebben elk ding en iedere zaak vanuit dit oogpunt te beschouwen : „Wat voor eischen stelt God de Heere ? " Zeker zou het zijn gevaren meebrengen, door elke opinie van menschen te tarten, maar als het er op aan komt, zoo blijft er maar Eén over, aan Wiens oordeel wij ons hebben te onderwerpen. Wanneer wij deze dingen opmerken, zoo hebben we daarmee in het bizonder op het oog de niet weinige aanvragen, om steun te willen geven bij de studie. Bij ons Studiefonds wordt in deze dagen niet weinig vaak aangeklopt. Wanneer wij zien op de vele gemeenten, waar de vraag leeft en de begeerte is groeiende naar de levende prediking van Gods Woord — wat zouden wij liever zien, dan dit, dat aan deze tallooze aanvragen zou kunnen worden voldaan. Waarlijk, de nood is niet klein, doch om nu maar zonder eenige omzichtigheid te handelen inzake de toekenning van steun, is toch nimmer te verdedigen. Ook al wordt deze jaarlijks toegekend, toch zou het geen kleine dwaasheid zijn straks niet meer te kunnen voortgaan met steun. Eenig vooruitzien van de dingen is gebiedend. En nu willen we ons niet ontveinzen, dat de overtuiging bij ons leeft, dat bij een goede organisatie onze inkomsten wel zoodanig in omvang zouden kunnen toenemen — ook nog in deze moeilijke tijden — dat aan inkrimping onzerzijds niet behoefde te worden gedacht. Heit hooge belang dat hiermee op het spel staat — wij wenschen toch niets anders dan de luchter van Gods Woord weer geplaatst te zien op de daartoe van God Zelf gewezen stee, op eiken kansel — moet ons allen aansporen te doen wat wij kunnen doen, onder biddend opzien tot den Heere, dat Hij onze zwakke pogingen zegene.
Wij laten hierbij het overzicht over de inkomsten van de laatste drie weken van de maand Augustus volgen. Uit den aard der zaak ziet dit overzicht er niet al te rooskleurig uit. 't Was vacantie. Alzoo stond het gewone leven, het alledaagsch gebeuren stil. 't Kwam voor, dat wij in een heele week geen post ontvingen, d.w.z. geen enkelen penning voor onze fondsen. Naar ik hoop, zal deze achterstand in de pas begonnen maand zoo niet geheel worden ingehaald, toch voor een goed deel verdwijnen. Een ieder helpe mee !
Laat me, voor ik getallen en namen noem, even een klein schrijffoutje herstellen.
De heer H. J. Knijff te Groningen zond me zijn contributie. Ik had in mijn verantwoording gezegd, dat deze een gulden bedroeg. Dit moest zijn een gulden en vijftig cent. Hij wil mijn excuus als zoodanig wel aanvaarden.
Thans leg ik u mijn lijstje voor.
1. Het eerste wat inkwam werd me toegezonden vanuit de Veluwe. Deze naam biedt me waarborg, dat hier voor onze zaken wordt gevoeld.
Uit den collectezak te Hattem zond me haar leeraar ds. Koldewijn ƒ 2.—
Mijn vriendelijken dank.
2. Aan den heer J. Overeem te De Bilt was door N.N. hem ter hand gesteld voor het Studiefonds „ 2.50
In De Bilt is langen tijd voor ons werk nooit iets gedaan ; gelukkig is hierin in den laatsten tijd eenige wijziging gekomen. God Zelf zegene ons gezamenlijk pogen om het Woord zijn loop te laten.
3. Uit het huisbusje van ds. Zijlstra te Kootwijkerbroek werd me toegezonden „ 10.—
'k Verblijdde mij met deze gift. Erkentelijkheid en meeleven met onzen arbeid maakt ons werk licht.
4. Thans mag ik melding maken van een post, die wel even het hoofd uitsteekt boven de anderen. Bij gelegenheid van de intrede van ds. Woelderink te Ouderkerk a. d. IJsel is natuurlijk een collecte gehouden. De opbrengst was met een nagift van 10 gulden niet minder dan „ 127.25
Wij stellen zulke inkomsten op hoogen prijs en brengen onzen welgemeenden dank aan allen die hieraan hebben helpen meedragen. De Heere stelle den nieuwen Herder en Leeraar in staat om zijn arbeid met zegen voor eigen hart en leven en dat van vele zielen, aan zijn zorg toebetrouwd, te vervullen.
5. Van mej. T. Teekens te Reeuwijk kreeg ik voor onze fondsen „ 10.—
'k Waardeer deze gift ten zeerste. Waarlijk, zoo er één ding noodig is, is het hulp in dezen. Ook in Reeuwijk is weer een vacature die roept. Wij hopen, dat deze vacature straks weer door een onzer candidaten vervuld mag worden.
6. Ds. Van den Berg te Amersfoort verraste mij niet weinig door 't toezenden van een bijdrage voor onze fondsen uit het fonds der preekenserie „Genade voor Genade", van niet minder dan „ 50.—
Deze gift wordt door ons ten hoogste gewaardeerd, 't Verblijdt ons dat de uitgifte van deze preeken zulk een gunstig resultaat leveren en blijkbaar in zoo'n ruimen kring waardeering vinden, dat ons zulk een heerlijke bijdrage mocht geworden.
7. Vóór enkele dagen kreeg ik een zeer vriendelijk schrijven van iemand die onbekend wenscht te blijven. Hij schreef onder letters A. C. en B. Zijn krachtig meeleven bleek me ten volle uit wat hij me toezond, n.l. „ 30.26
Deze gift was als nagift bedoeld van een gehouden collecte. Liefde tot de zaak sprak hieruit ten volle. De Heere geve naar den rijkdom Zijner genade ook in dezen. Reeds nu mag worden geconstateerd, dat zulke blijken van mee te willen dragen onzen arbeid buitengewoon verlichten.
8. Door den heer Jb. Bot te Feijenoord ontving ik de inzameling, die jaarlijks nog door hem geschiedt, van enkele vrienden aldaar. Het bedrag was „ 15.25
Wij danken voor al de moeite, welke hij zich altijd weer getroost.
9. De heer J. van Klaveren te Leiden zond me den inhoud van zijn busje. In dezen kan dit busje als voorbeeld gelden voor velen, 't Is nog maar betrekkelijk kort geleden, - dat hij den inhoud me deed geworden, en nu was het reeds weer „ 15.—
Wij danken de Leidsche vrienden zeer.
10. Ds. Van Grieken, onze voorzitter, zond mij als door hem ontvangen van N.N. te R. 1 gld.; van N.N. te R. 1 gld.; 2 gld. en 10 gld. ontving hij te Zeist bij gelegenheid van een preek beurt, voor het Studiefonds. Samen „ 14, —
11. Van den heer W. Brems te Rinsumageest voor het Studiefonds „ 1, —
Ook deze gift wordt door ons zeer gewaardeerd. Uit Friesland komen ons niet vele giften toe, daarom wegen deze enkele des te zwaarder.
Dat dit voorbeeld dan ook door meerderen worde gevolgd !
12. Iemand, die onbekend wenscht te blijven, doch een giro heeft, zond me het laatste blaadje, met dit opschrift : 'k stel voor, dat ieder zakenman — onze beginselen liefhebbend — zijn laatste giro-biljet uit elk boekje zendt. Hij zond nu alvast „ 2.50
'k Ga met dit voorstel geheel accoord. Ik blijf uitzien.
13. Door ds. Van Dorp te Den Haag werd me toegezonden de inhoud van het busje van de fam. P. de B. te Bodegraven, „ 12.85 met twee giften van ieder 2 gld. voor de beide fondsen. „ 4.—
Onze hartelijke dank.
14. Door ds. Van Wijngaarden te Veenendaal kreeg ik een deel van een gift, bestemd voor het Studiefonds „ 10.—
15. Uit den collectezak te Rijssen _ werd me toegezonden door ds. Van Voorthuizen „ 1.—
16. 'k Had aangeklopt bij den heer J. Boesberg te Groot-Ammers, om op zich te willen nemen de inzameling van enkele contributies. Zooals met alles, was hij dadelijk bereid zulks te doen. Wij danken hem voor deze hartelijkheid.
De inzameling bedroeg „ 19.—
17. Een zelfden vriendendienst was door mij gevraagd aan den heer H. Gijsbertsen te Wageningen.
Deze zond me toe „ 28.—
'k Ben zeer dankbaar voor al deze blijken van meeleven. De gezamenlijke som voor de laatste drie weken van Augustus bedraagt
f 354.61.
Waar wij in September voor geweldige uitgaven worden geplaatst, rekenen wij op krachtige hulp en steun van allen. Enkele voorteekenen in gunstigen zin mochten we reeds opmerken.
Zegene de Heere onzen arbeid.
Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's