KERKELIJKE RONDSCHOUW
EEN BELANGRIJKE VERGADERING.
Voor de predikanten, die lezers zijn van „De Waarheidsvriend", herinneren we hier gaarne aan de vergadering, die D.V. Donderdag 14 September te Utrecht zal worden gehouden. Alle bijzonderheden kan men in de advertentie lezen. En dan zal ieder moeten toegeven, dat het voor oudere en voor jongere predikanten zeker de moeite loonen zal, om naar Utrecht te gaan. Om naar Coll. Bakker van Amsterdam te luisteren, is een genot. Om dr. Oorthuys van Amsterdam te hooren en wel over dat onderwerp, is de reis naar Utrecht waard. En de derde spreker, onze Secretaris, ds. J. J. Timmer, van Ermelo, zal het edele drietal volmaken.
Ook om de ontmoeting zelve is zoo'n dominees-vergadering zoo goed. Wat vooral in onzen tegenwoordigen tijd van zoo groote beteekenis is.
Laat daarom ieder van de predikanten — ook Candidaten in de theologie zijn hartelijk welkom — die maar eenigszins kan. Donderdag 14 September naar Utrecht gaan. En geve de Heere ook over dit werk Zijn zegen !
DE ZEDELIJKE INVLOED VAN HET SOCIALISME. (3)
Ja, de broederschap der menschen — dat is het ideaal van het Socialisme; de broederschap der menschen ook in het maatschappelijk leven alom zich openbarend. Nu, in deze kapilialistische maatschappij — zoo zegt men —; komt er van die broederschap niets terecht. Nu is de een de concurrent van den ander, en daarom ook de vijand van z'n buurman. Dat is de vloek van de kapitalistische maatschappij. Nu is de patroon de uitzuiger van den werkman. Nu vergadert de een, en wordt de ander bestolen. Nu baadt de een in weelde, en de ander krimpt weg in gebrek. En de menschen zijn toch broeders. We hooren bij elkander. Dat staat de huidige maatschappij in den weg, maar de Socialistische maatschappij, met gemeenschappelijk bezit, met gemeenschappelijke belangen, zal dat anders doen worden. Dan geen concurrenten meer, geen vijandige houding tegenover elkaar, geen bijten en vereten meer. Ieders belang is aller belang en aller winst is ieders vreugd.
De tegenwoordige maatschappij moet weg, 't kost wat 't kost, leert het Socialisme ; en de nieuwe maatschappij moet komen door den strijd van de proletariërs van alle landen. Dan komt er weer levensvreugd, dan komt er weer normale, gezonde ontwikkeling van onze persoonlijkheid, te midden van de gemeenschap. Het innig verband met het geheel kan dan tot z'n recht komen. De gemeenschap zal er dan voor zorgen, dat allen in eendracht hun gezamenlijke belangen zullen behartigen. De scheids muren zullen dan wegvallen en de menschen zullen gemakkelijker den weg leeren vinden tot elkanders hart!
Dan zullen ook de geestelijke krachten der menschheid meer en beter tot uiting komen. Want nu, in de kapitalistische maatschappij, kan dat niet. De fabrikant en de patroon is immers iemand, die altijd zich bezint op voordeel, winst, kapitaal. En zoo kunnen de geestelijke krachten niet uitkomen bij de kapitalistische haaien en uitzuigers. En de arbeiders, mannen, vrouwen en kinderen saam, zijn armoedzaaiers en worden geknecht. Zóó kunnen de geestelijke krachten niet uitkomen bij het proletariaat, 't Gaat alles den verkeerden, den slechten kant uit. En bij alles wat nog goed lijkt, schuilt overal een slechte bedoeling achter, 't Is altijd weer het egoïsme, de zelfzucht, die ieder nu parten speelt. Maar dat alles is in de toekomstige socialistische maatschappij, met één groote broederschap, bij maatschappelijk bezit van grond en productiemiddelen, absoluut wég. Dat is dan absoluut anders geworden. Voor die slechtigheden is dan absoluut geen oorzaak meer. Als de gemeenschap, de broederschap gevoeld en doorleefd wordt; als het bedrijfsleven de vorm aangenomen zal hebben van één reusachtige Coöperatie ; als de arbeid goed, verstandig, rechtvaardig zal zijn georganiseerd, zooals dat onder broeders past; als niet meer winst, voordeel, kapitaal, heit doel van 't bedrijf is, maar bedoeld zal worden een verstandig voorzien in aller behoeften en behartigen van aller belangen ; als de mensch „heer" zal zijn geworden over het bezit, den arbeid, het product — dan zullen de geestelijke krachten der menschen, van ieder mensch persoonlijk en van alle menschen saam, veel meer en veel beter zich ontwikkelen en openbaren. Dan krijgt het kind, ieder kind, — wamt er is geen onderscheid meer tusschen het kind van den patroon en het kind van den knecht, van den rijke en van den arme in de toekomstige maatschappij — wat het kind toekomt. Dan kan ieder kind zich blij en vrij uitleven ; dan dreigt de toekomst niet meer als een donkere nacht vol zorg en het heden brengt wat voor een menschwaardig bestaan noodig is. Dan kan jong en oud zich losmaken van al die angstige zorgen in betrekking tot het stoffelijk leven en daaruit zal opbloeien een heerlijk geestesleven ; dan zal geboren worden een cultuur, in schoonheid, diepte en rijkdom alles overtreffend wat tot nu toe werd gezien! „De dag, waarop de menschheid zichzelf als een eenheid heeft teruggevonden, zal ze haar glorierijke loopbaan door de eeuwen beginnen"
Men wil den mensch vrij maken ; den mensch aan zich zelf teruggeven, opdat hij zichzelf kan zijn. Het kapitalisme stoort zich niet aan de rechten van den mensch, noch wat z'n stoffelijke, noch wat z'n geestelijke belangen betreft. Het Socialisme wil dat doen. Het wil den mensch in de ruimte stellen, hem de mogelijkheid verzekeren dat hij in de wereld vrij zal zijn om z'n eigen leven te maken. Elk mensch met een eigen leven, een eigen woord, een eigen lied, een eigen weg, een eigen werk, maar dan „als broeders één", zoodat alle eigen belang ieders belang is en aller welvaren ieders vreugd. Want het individualisme en het egoïsme moet weg. We zijn elkanders leden. De menschheid is één broederschap. De. menschheid is niet een verzameling, een optelsom van duizenden en miljoenen personen, maar zij vormt één groote broederschap. En zóó is de maatschappij méér dan een verzameling van enkelingen, van los naast elkaar staande individuen die egoïsten zijn — maar zij is een éénheid van broeders en zusters, een wezen op zichzelf, met eigen levenswetten, met eigen bewegingen en bedoelingen. Het is een groot „véél-éénig" leven, waarbij de gemeenschapszin overheerschend is. Want het gaat niet in de eerste plaats om het welzijn van de deelen, doch om het welvaren en den groei van het geheel, niet om den mensch, maar om de menschheid. De gemeenschap i s nummer één en het gaat om den groei van het geheel, waartoe ieder persoonlijk moet meewerken. Het gaat dan om de harmonie, om het innerlijk evenwicht voor de gemeenschap, wat de komende socialistische maatschappij, met broederlijk bezit van grond en productiemiddelen, brengen zal. Dan zal de menschheid, die nu verscheurd en versplinterd is, zichzelf kunnen terugvinden als een éénheid, waarin aller stoffelijke en geestelijke belangen tot hun recht kunnen komen : vrijheid, gelijkheid, broederschap !
Dan zal het lichaam gezond zijn en de deelen zullen kunnen groeien en bloeien. Dan siterft geen lid van armoede en gebrek, want het voedsel komt door het gezonde lichaam tot allen. Dan zal de harmonie der innerlijke éénheid en saamhoorigheid zegenend werken naar alle kanten, in een gezond, evenwichtig leven der menschheid.
Daartoe geeft het Socialisme zich met alle krachten aan den harden, onverzoenlijken klassenstrijd — aan verzoening valt niet te denken ! — opdat de tegenstelling van bezitters en niet-bezitters, van heerschers en verdrukten zal verdwijnen en er een nieuwe maatschappij (maatschap) zal zijn gegroeid. Het strijdt met 't bewuste proletariaat den strijd voor „recht voor allen", voor „vrijheid, gelijkheid en broederschap". En de een moet zich daarbij geven voor den ander. „Wie zijn leven zal verliezen, zal het behouden", zegt het Socialisme ; en het roept alle proletariërs van alle landen op, om zich solidair te verklaren ; en wie geeft, zal ontvangen ; de deelen zullen het geheel maken; en eigen kracht zal anderer kracht sterken, anderer kracht zal onze kracht dragen en doen toenemen. Zoo moet ieder zich stellen in den heiligen dienst van het gemeenschappelijke heilige doel : het socialistische maatschappijleven, met maatschappelijk bezit van grond en productiemiddelen !
Zóó spreekt het Socialisme. En het Christendom, dat Gods Woord tot een licht op 't pad mag kennen heeft de lamp van Gods Woord te doen uitstralen naar alle kanten, opdat het leven, het persoonlijke leven, maar ook het maatschappij-leven meer en meer mag gaan beantwoorden aan de wetten, rechten en inzettingen des Heeren, Die wil dat er bij ons de bede zal leven : „Uw wil geschiede". Dat is : „Geef, dat wij en alle menschen onzen eigen wil verzaken en Uw wil, die alléén goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn ; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zoo gewilliglijk en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen". (Heid. Cat. Zondag 49). Wij en alle menschen Om van te huiveren !
DE GEZANGENKWESTIE (3)
Dat in de eerste Christengemeente psalmen, lofzangen en geestelijke liederen gezongen werden, schijnt wel vast te staan. Prof. Severijn zegt daarvan niet veel (hierover is méér te zeggen). Maar hij schrijft toch (bladz. 9) : „Het ontbreekt niet aan berichten omtrent den eeredienst bij de Christenen uit de eerste en tweede eeuw. Daaruit weten wij wel, dat in de gemeente psalmen en lofzangen in gebruik waren, doch welke dat waren, is niet bekend" (bladz. 9). „Het blijft echter onzeker, of de Christenen van de eerste eeuwen in hun eeredienst het vrije lied hebben toegelaten, al heeft men ook hymnen, b.v. over den Christus, gekend. Toch is het zeer waarschijnlijk".
Heel duidelijk is prof. Severijn hier niet. Hij had veel meer hier kunnen zeggen. Maar al is het niet heel duidelijk, toch is het tenslotte voor ons onderwerp duidelijk genoeg. Want er blijkt uit — zooals prof. Severijn opmerkt — dat bij den Dienst des Woords, bij de prediking en bij de Sacramentsbediening, in en door de Gemeente „producten van Christelijke dichtkunst zijn gebruikt". „Zooals wij zien, zijn er aanwijzingen in die richting" (bladz. 9). „Tegen het einde van de derde eeuw moeten b.v. in Antiochië liederen ter eere van den Christus bij den eeredienst zijn gebruikt". (Spatieering is van ons).
Wat hier heel sober en heel kort gezegd wordt door prof. Severijn, stemt overeen met allerlei berichten, waarvan vooral ook in de laatste jaren melding is gemaakt.
Dat dus van den beginne afaan bij den eeredienst het Christelijk lied is gebruikt in de Gemeente, waarin van Jezus Christus in Zijn heerlijke beteekenis van Zaligmaker gezongen werd, staat wel vast. „Op den door ons aangegeven grond is het dan ook zeer verklaarbaar", zegt prof. Severijn. „Het gaat niet aan te veronderstellen, dat de dichterlijke geest op Christelijken bodem zou zijn uitgebluscht, veeleer dat het vroom gemoed van den dichter zich in den heiligen zang ontboezemde. En omdat daarbij de gave der poëzie zich wel zal onderscheiden hebben van wat wij rijmelarij zouden noemen, ligt het toch voor de hand, dat er liederen ontstonden, die ook in het hart van anderen snaren deden trillen van harmonie en gemeenschappelijken lof en zoo 't eigendom werden van een zekeren kring of van een gemeente".
Maar dan komt er een gevaar opzetten ! En dat is het gevaar, dat dreigde van den kant van de secten, van de dwaalleeraars en anderen, die juist in en door het vrije lied hun dwalingen trachtten ingang, te doen vinden in de Gemeente. Dat is een verschrikkelijk ding. Dat dreigt altijd in de prediking en verklaring van de Heilige Schrift, in het vrije gebed, in het lied, in de bediening van Doop en Avondmaal.
Had men in deze dingen nu maar te doen met eenvoudig voor te lezen en over te nemen, wat er letterlijk in den Bijbel staat, dan dreigde dat gevaar natuurlijk zoo niet. Maar noch bij de preek, noch bij het gebed, noch bij de sacramentsbediening, noch bij het lied is men in de Nieuw-Testamentisclie Kerk gebonden aan letterlijk voorlezen van de Heilige Schrift, aan letterlijk overnemen van formulier of voorschrift uit den Bijbel. In de Nieuw-Testamentische Kerk is de prediking de ontsluiting, de uitlegging, de verklaring en toepassing van de Schrift, en het gebed is een vrij gebed, dat naar de Schrift moet zijn, en de Sacramentsbediening moet geschieden op een wijze en met een formulier, dat niet letterlijk in de Schrift gevonden wordt (zooals b.v. óók niet de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Heid. Catechismus, de wijze van bevestiging van nieuwe lidmaten enz. enz.) Dat bestaat in de Nieuw-Testamentische Kerk niet. Dat zou in strijd zijn met het karakter van de Nieuw-Testamentische Kerk, waarvoor geen volstrekte gebeden, geen vastgestelde liederenbundel, geen afgesloten formulieren voor Sacramentsbediening enz. enz. gegeven is in Gods Woord. Aan de Nieuw-Testamentische Kerk is het Woord gegeven en de Heilige Geest die haar leidt in alle" waarheid en Jezus Christus, de levende Heiland, heeft beloofd : „Ik ben in uw midden".
Dat is alles wat de Nieuw-Testamentische Kerk heeft. Heel anders dan de Oud-Testamentische Kerk. Maar het tweede is beter dan het eerste !
Daarom kan het niemand verwonderen, dat in de Christelijke Gemeente het vrije, Schriftuurlijke lied spontaan is opgekomen, cm in den dienst des Woords en der Sacramenten gebruikt te worden door de Gemeente van Jezus Christus, die leefde bij de Schrift en de belofte des Heiligen Geestes had. Maar — het mag ook niemand verbazen, dat met het lied de secten en de dwaalleeraars geprobeerd hebben allerlei verkeerde dingen binnen te brengen. En dan heeft de Kerk van Christus te waken en ; te bidden, om te mogen bezitten en te mogen behouden „de Psalmen en Schriftuurlijke liederen". Zooals zij heeft te waken en te bidden, dat de zuivere bediening des Woords en de rechte dienst der gebeden en de goede. Schriftuurlijke dienst der Sacramenten niet verloren gaat!
Dat is de worsteling om het pand, dat aan Christus' Kerk is toebetrouwd.
ECHTSCHEIDING.
In verband met hst huwelijksprobleem tornt ook het echtscheidingsvraagstuk telkens naar voren. De Geref. Kerken, die aan de vraagstukken van den dag niet voor bjjgaan, hebben in een Rapport een verklaring in deze moeilijke kwestie gegeven, welk rapport is opgesteld door een Commissie, waarin o.a. prof. Aalders, dr. Dijk, dr. Van Es en dr. Kaajan zitting hadden. Omdat je moeilijkheden zoovele zijn en de gevoelens veelal nog al uit elkaar loopen bij menschen, die overigens één zijn in Schrifbeschouwing („Zend, Heer! Uw licht en waarheid neder !") bevat het Rapport het gevoelen van een „grootst mogelijke meerderheid" én de meening van een „minderheid" (prof. Greydanus). De kwestie gaat vooral hierom, of alléén overspel een grond voor echtscheiding mag zijn of óók „Kwaadwilliige verlating". Het Rapport zegt daarvan:
Zeer tot hun leedwezen zien Deputaten zich thans genoodzaakt aan de Synode tweeërlei gevoelen voor te leggen, waarvan het eene pro en het andere contra bepleit. Het gevoelen van de meerderheid (prof. H, G. Ch. Aalders, dr. K. Dijk, dr. W. A. van Es en dr. H. Kaajan) is kort samengevat aldus :
'volgens het gevoelen der grootst mogelijke meerderheid der Deputaten zou een uitspraak der Synode omtrent de vraag of naar de H. Schrift ook de „kwaadwillige verlating" al dan niet een geldige grond tot echtscheiding vormt, noodwendig het karakter dragen van een confessioneele uitspraak. Nu zouden de Kerken tot zulk eene uitspraak slechts mogen overgaan, indien de H. Schrift ten aanzien van dit punt genoegzaam duidelijk zou wezen, zoodat voor wie haar gezag ten volle erkent, geen andere uitlegging mogelijk zou zijn. Dit is naar hun oordeel echter niet het geval. Om niet in bizonderheden te treden, willen zij er alleen op wijzen, dat in de voornaamste plaats die hierbij in geding is, 1 Cor. 7 vers 15, een algemeen woord wordt gebruikt, dat bovendien 'n beeldsprakig karakter draagt: „niet tot slavernij gebracht". (Statenvertaling : „niet dienstbaar gemaakt"). Om het eigenaardig karakter van dit woord zal het nimmer met volstrekte zekerheid uit te maken zijn, of het al dan niet op de ontbinding van den huwelijksband doelt.
Verder wordt er op gewezen, dat er thans geen genoegzaam belang is om tot een bepaalde uitspraak te komen. Omtrent de in de practijk te volgen gedragslijn hebben onze Kerken zich reeds uitgesproken in Art. 91 der Acta van de Synode van Utrecht 1923. De Christelijke Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika, door wier verzoek 't vraagstuk van de echtscheiding onder ons aan de orde gesteld werd, heeft reeds sedert lang zelfstandig hare beslissing genomen. Het is naar het oordeel dezer Deputaten niet in te zien, dat er thans nog eenige dringende noodzaak zou wezen om tot een Synodale uitspraak te komen. Reden te meer waarom zij van oordeel zijn dat de Synode wèl doen zal door zich van eene beslissing te onthouden.
Uitsprekende 't gevoelen der minderheid (prof. dr. S. Greydanus) acht genoemde hoogleeraar het Rapport inzake Echtscheiding, op de Generale Synode te Leeuwarden, 1920, uitgebracht, zoowel wat de uitlegging der Schrift-gegevens aangaat, als wat de voorstelling van Calvijn betreft, genoegzaam weerlegd door de bekende Memorie van prof. dr. J. Ridderbos. En hij is met dezen van oordeel, „dat overspel de eenige voor God geldige grond van echtscheiding is". Hij neemt daarom de vrijheid naar die Memorie te verwijzen en acht het niet noodig, hare argumenten te herhalen.
Prof. Greydanus geeft dan nog een korte beschouwing, waarin hij de argumenten van prof. Ridderbos een weinig aanvult.
Bij de bespreking van de woorden van Paulus, komt prof. Greydanus tot de conclusie, dat de apostel de kwaadwillige verlating niet als grond van geoorloofde huwelijksontbinding noemt. En naar het duidelijke woord des Heeren in Matth. 5 vers 32 en 19 vers 9, is er maar één zulk een grond, n.l. hoererij of overspel".
Omdat er hier geen eenstemmigheid is verkregen, missen de opstellers van het Rapport als Deputaten der Synode de vrijmoedigheid de Synode voor te stellen een uitspraak in deze materie te doen. Volgens de meerderheid, omdat we hier voor een dubium staan en Confessioneele vastlegging van ethische uitspraken niet is aan te bevelen, volgens de minderheid, wijl eenparigheid van gevoelen reeds bij de Deputaten ontbrak".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's