MEDITATIE
Menschelijke Onmogelijkheid. Goddelijke Mogelijkheid. Zalige Werkelijkheid.
Er is niets wat wij zoo gaarne willen als zalig worden, tenminste als we zien op het resultaat ervan : zielsbehoud in den hemel.
Er is niets waar wij zoo tegen gekant zijn dan tegen het zalig worden; althans wat betreft den weg, waarlangs God Zijn volk zalig maakt : sterven aan onszelf, het leven verliezen, in eigen kracht gekruisigd worden.
Het is dan ook volkomen begrijpelijk voor wie geen vreemdeling is in Jeruzalem, wat men bedoelt als men zegt : „Zalig worden is zoo moeilijk. Ja, 't is een eeuwige onmogelijkheid van onze zijde".
Het volk, dat dit bij bevinding kent, kent echter ook nog wat anders. Het heeft geleerd dat God hulpe besteld heeft bij een Held. Wat onmogelijk is bij de menschen, het is mogelijk bij God. En nu hooren we een nieuw geluid er bij : „'t Gaat nooit óf 't gaat vanzelf". U laten zaligen door God — zie, dat is het zalige, het gemakkelijke. Gegeven goed. Gedreven werk. Eigen inspanning brengt u verder van God af. Ge woelt u vaster in het moeras des vleesches ; „'t lukt nooit". Dood in zonden en misdaden.
In het leven van den rijken jongeling komt dat duidelijk uit. Wat al aangename deugden. Wat een ernst en godsdienstigheid. Maar toch — hoe verfijnde zelfzucht. Geen verloochening van eigen ik. Hij was verkleefd aan het aardsche goed. Als er één het ver heeft gebracht in eigen kracht, dan hij. En toch, hij gaat straks van Jezus weg. Zoo vast zat hij aan 't rijk der zonde. Hoe zullen wij dan ontvlieden het verderf, dat in de wereld is ? Wie kan dan zalig worden ? Ja, die vraag gaat nijpen.
Aan dat zaligworden staan twee dingen grootelijks in den weg.
Allereerst de schuld bij God, de bergen van zonde, 't Is daardoor, dat God een vertoornd Rechter is, die den vloek uitspreekt over ons. Hij kan als de Heilige en Rechtvaardige den schuldige geenszins onschuldig houden. Hij kan geen gemeenschap hebben met den onreinen zondaar. Zijn gunst en liefde-uitlatingen zullen we eeuwig moeten derven, tenzij die schuld betaald worde. Dat is dus de groote moeilijkheid. Die schuld moet weggedaan : betaald of vergeven, opdat er door voldoening verzoening zij en de mensch van kind des toorns worde een kind der genade.
In de tweede plaats is noodig, dat ons hart veranderd worde. De vernieuwing des gemoeds is zeer noodzakelijk om met God in gemeenschap te kunnen en te willen leven. Dat vijandige, steenen, ongeloovige, aardschgezinde hart moet worden weggenomen. Zonder wedergeboorte, vernieuwing en heiliging blijft de mensch 't liefst zonder God voortleven, bang van Hem, afkeerig van Hem. Met andere woorden : het beeld Gods moet worden hersteld, om God te kennen, lief te hebben en te dienen, opdat die mensch van vijand Gods een vriend wordt; van bestrijder een belijder; van vervolger een volger.
Deze beide zaken nu, vergeving der zonde en een nieuw hart, rechtvaardigmaking en heiligmaking, — ze liggen buiten 's menschen bereik. Want wie zal zijn rantsoen betalen ? Ons verleden blijft. Er is geen sprake van goedmaken. Integendeel, wij maken de schuld dagelijks grooter. Uit ons geen vrucht meer om in tijd of eeuwigheid Gode te voldoen. Afgesneden die weg van eigen werken en betalen. Onmogelijk voor eeuwig.
En wie zal zijn eigen hart vernieuwen ? Kan de Moorman zijn huid veranderen ? Kan het luipaard zijn vlekken uitwisschen ? Hopelooze zaak. Van onzen kant onmogelijk.
Misschien zal iemand opmerken: ja, maar er is een nieuwe weg geopend. Het genadeverbond is ingetreden. Wij behoeven niet meer de schuld te betalen. Dat heeft de Plaatsbekleedende Borg voor Zijn arme Bruidskerk gedaan. Nu geldt het: „geloof alleenlijk" en „bekeert u".
Gij hebt volkomen gelijk, waarde Lezer. Gelukkig ook, dat er een genade-verbond gekomen is. Maar — is het nu ineens zoo gemakkelijk voor u geworden ? 't Blijft nog een eeuwige onmogelijkheid voor ons, in dien Christus te gelooven. Gelooven is kennen, toestemmen en betrouwen, nietwaar ? 't Ware geloof is in de liefde werkende. Doch nu de vraag : waar is uw geloof ?
Is er eenige kennis van God en Zijn Gezalfde ? Wat vleeschelijke voorstellingen van God en Zijn dienst. Zie naar de heidenlanden en merk op, op hoe vreemde manier zij meenen Gode een dienst te doen. Verduisterd in het verstand. De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Dat geldt ook van ons, die onder het licht des Evangelies leven. Want ach, wees eens eerlijk, wat kent gij van God en den weg der zaligheid ? Hebt gij Gods heilige gerechtigheid of barmhartigheid leeren kennen ? Het eene zou u gedood hebben; het andere opgewekt. Van nature zonder kennis van God. Het ontbreekt ons evenzeer aan Christuskennis als aan zelfkennis. Onmogelijk te kennen en toe te stemmen Gods heilige rechtvaardigheid, eigen doemwaardigheid en Christus' dierbaarheid. Wij meenen in onszelven rijk te zijn. En, gezonden hebben den medicijnmeester niet noodig. Geen begeerte tot Christus. Vaak twijfel en ongeloof aangaande het Woord Gods. Maar als dat er uitwendig al is, wat blijft het dan toch nog waar, dat we geen gedaante of heerlijkheid in Christus ontdekken. Begeeren we Hem als Profeet, om ons, als onwetenden, te leeren ? Als Priester, die voor ons al het offer brengen moet, wijl wij geen kwadraatpenning hebben om te betalen, en die voor ons bidden moet, voor ons, die niet weten te bidden gelijk het betaamt ? En — is het vooral niet, dat we zelf koning willen blijven — eigen heer en meester, niemands knecht — inplaats van in den dienst van Koning Jezus te treden ? O, dat eigen ik blijft zoo graag op den troon. Het moet gedood worden — anders wil het geen plaats inruimen voor Christus. En wie heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat ?
Toestemmen, dat God goed is en geen onrecht doet als Hij ons voor eeuwig wegwerpt — wie doet dat, zoo maar ?
Betrouwen op het naakte Woord, op de beloften Gods — het is evenmin een zaak, die den natuurlijken mensch gemakkelijk afgaat. Niemand kan iets aannemen, tenzij het hem van Boven gegeven wordt. Vriend, als het geloof voor u zoo'n gemakkelijke zaak is, dan vrees ik, dat ge niet bezit dat zaligmakende geloof, dat door God gewerkt wordt. Dat is gegeven goed. En van onzen kant een onmogelijkheid.
En — hoe zullen wij God liefhebben. Hoe hebben we niet een diepen tegenzin tegen Zijn heilige eischen. Hoe brieschen we soms tegen Zijn straf wrekende gerechtigheid in. Zijn dienst lijkt mij zoo zwaar en saai, van nature. Hem boven alles liefhebben — hoe zou ik man of vrouw en kinderen, die ik zie, achterstellen bij den Onzienlijke ? Zijn gaven desnoods, geluk hier en den hemel hiernamaals, ja, maar Hem zelf liefhebben — wij hebben het niet geleerd. Vijandschap tegen God en den naaste. Ja, hoe moeilijk kunnen we vergeven, zelfs vrienden en bloedverwanten. Hoe koud zijn we jegens elkander ! Hoe zoeken we ons zelve.
Ja, het is nu door het geloof in Christus, — maar toch, het blijft gelden : onmogelijk bij de menschen, die vastzitten aan geld en goed, genot, en eer en aanzien bij de menschen, en, zonder God, vervreemd van Zijn leven, eigenzinnig, godsdienstig of goddeloos, eigen leventje leven. Denk aan den rijken jongeling ! Gedenkt aan de vrouw van Lot! Zonder wedergeboorte zal niemand het Koninkrijk Gods zelfs zien of begeeren, laat staan ingaan. Zij zoeken allen het hunne. Veel kan er bij ons gevonden worden, dat op het ware gelijkt. Maar we zullen met onze bewegingen des gemoeds omkomen.
De Farizeër in ons kan zich breed maken in deugd-ontplooiïng. De Schriftgeleerde in ons hoofd kan spreken als in de taal der engelen. — Met de dwaze maagden kunnen we hopen zalig te worden, maar — als Gods hand er niet aan te pas komt, zal het voor eeuwig te kort en te smal zijn. Alles eigen werk. Ten vure gedoemd.
O, veel letterkennis, veel draven, veel ijveren is bij ons mogelijk. Gereformeerd belijden zelfs. Maar zonder leven aan de ziel Over alle leerstukken praten, maar er niet één van kennen in de practijk. Anderen veroordeelen, maar niet onszelf. Wandelen naar de inzettingen des Heeren, onberispelijk naar de Wet, en toch de grondslagen, geloof en liefde, met voeten treden. IJveren voor alle christelijke zaken en Christus metterdaad verloochenen. Hem al het werk uit handen nemen. Vermomde dienst van het eigen ik, in het gewaad van den godsdienst.
Hebt ge zoo al een walging aan uzelven gekregen, mijn Lezer ? O, bij ontdekkend genade-licht wordt het onmogelijke van het zalig worden zoo diep verstaan. Van nature achten we het niet zoo spoedig onmogelijk bij onszelf. In den weg van het gebroken werkverbond trachten we heil te vinden. Hoe achten we het met den hefboom van ons bidden niet ruimschoots mogelijk. En zullen onze tranen niet den toegang verwerven tot 's Konings paleis ? Dan weer verwachten wij 't van menschen. Dan weer van de bergen. Nog niet onmogelijk, denkt hij.
O, als God eens met zegeningen kwam om zijn hart week te maken, dan, ja dan..... Velen zijn er, die het bij zichzelf niet onmogelijk achten, na genezing en andere zegeningen den Heere te zullen willen dienen. De belofte, in nood, op het ziekbed, bij het zieke kind, afgelegd, getuigt van deze onze ijdele verwachting. Want waar heeft de redding Gods ons gebracht ? Wie moet niet met beschaamdheid hier het aangezicht bedekken ? Met de weldaden gaan we steeds verder van God af ! 'n Godvergetend geslacht! Ondankbaar, snood ondankbaar. Ja, we leeren het af, bij Geesteslicht, het ooit van den voorspoed te verwachten, als God er niet in meekomt. Geen belofte durven we meer doen.
Ja, de voorspoed maakt opgeblazen, maar als God eens kwam met tegenspoed. Dan zou hij wel breken en aan de voeten des Heeren komen, zich bekeerend onder de roede. Doch de Heere leert hem steeds meer inzien de hardigheid zijns harten. Dat stugge, onbekeerlijke hart weigert schaamrood te worden, wil zich niet verootmoedigen, in schuldbesef verslagen. Wel is er schreien en klagen in den nood. Ook wel bidden, — ja, maar om uitkomst, om beterschap, om oplossing der moeilijkheden, om behoud van ons kind, om den hemel zelfs — in één woord, „op ons aan". Maar verootmoediging, die tot den wortel der zaak afdaalt, het recht Gods toevalt en billijkt; die God geen ongerijmde dingen toedicht, goede gedachten van God blijft houden — dat is verre van zijn hart. Hoogstens geveinsdelijk onderwerpen en uiterlijke erkenning van het recht Gods.
De prediking des Woords zal het uitwerken in ons : als de waarheid zus of zoo verkondigd werd, — dan zou hij zich wel bekeeren. De prediker moet als Boanerges donderen, of als Barnabas vertroostend spreken. Afsnijdend, ontdekkend moet er gepredikt. Al het eigen werk afgekapt en gewezen op den Heiligen Geest. Op het geloof de nadruk gelegd, enz. Dien leeraar willen we eens beluisteren en bij dien prediker gaan we eens kerken. Half verwachten we het van den mensch. Dan en dan zullen we ons bekeeren. Maar het voortschrijdend licht der ontdekking leert het steeds meer : 'n wanhopige zaak van onzen kant. 't Leven verkwikt niet en de dood verschrikt niet. Duizenden predikaties hebben ons nog niets veranderd. Hopeloos wordt het. En het wordt met weemoed nagezongen.
Al kwam Gods eigen Zoon Op aarde van Zijn troon En voor mijn ziele preeken : Zoo Hij niet meerder kracht Van Boven medebracht, Nog zou mijn hart niet breken.
Nu wordt het een doodelijk tijdsgewricht, als niets of niemand kan helpen voor de ziel. „'k Schatte mij geheel verloren, 'k wou van geen vertroosting hooren". Noch voorwaarts, noch achterwaarts hulp te zien. Rechts en links bergen. Als het „moeten" wordt en „niet kunnen", o, dan komen we in de klem. Rondom toegemuurd.
Maar dan ook blijft nog één lichtpunt over. Naar boven, mijn Lezer ! Naar boven dan de blik uit den ruischenden kuil. Naar boven gezucht uit diepten der ellende : „Och Heer, och werd mijn ziel door U gered". Ja, heerlijk, dan krijgen we God noodig !
En, nietwaar Lezer, bij God is niets onmogelijk, zegt onze tekst. Zijn almacht spreekt, en het is er. Hij kan werken „willen en werken" beide in onze onmacht. Hij beschikt over den levendmakenden Geest. Hij kan onzen ouden mensch ten onder brengen. Hij kan ons verstand verlichten, tot Godskennis en zelfkennis. Hij doet ons de zonde haten en vlieden. Hij kan mijn onwil breken. Hij werkt geestelijke droefheid en honger naar Hem. Hij wekt ootmoed en schuldbelijden. Hij doet ons Gods eer bedoelen. Hij werkt en versterkt het geloof, naar de mate, die Hem aangenaam is. Hij geeft een blik op Christus' algenoegzaamheid, noodzakelijkheid en dierbaarheid. Hij geeft de vrijmoedigheid des geloofs. Hij geeft inkeer tot ons zelven, afkeer van de zonde en wederkeer tot Hem. Hij doet proeven en smaken dat de genade Gods zoet is voor het door onweder voortgedreven menschenkind, dat zich als doemeling kennende den eeuwigen dood had verwacht. Hij kan in nood volkomen uitkomst brengen.
Uit oorzake van Christus' volkomen offerande aan het kruis is het bij den Heere mogelijk geworden, doemschuldigen te vergeven. Door Christus' Geest is het mogelijk geworden voor Hem, harde harten te bekeeren en te vernieuwen naar Zijn beeld.
O, Lezer, hebt gij de heerlijke mogelijkheid bij God al gezien ? Het is een goddelijke mogelijkheid, en daarom een almachtige — een heerlijke — een ruime — een genadige mogelijkheid.
Nu kan een kemel wel door het oog van een naald. Nu kan een vloeker wèl een bidder worden. Nu kan een zondelievend mensch wèl alle geboden Gods gaan beminnen. Nu kan een ongeloovige Thomas wèl gelooven. Nu is onze zonde —• rood als scharlaken — niet te rood, om de witte wol en de blanke sneeuw straks in smettelooze reinheid te overtreffen door dat alles reinigende bloed van Christus. Voor God staat dus per slot van rekening niets in den weg. 't Hangt niet af van mijn wil, maar alleen van Zijn wil. Die is onwederstandelijk van kracht. Niets onmogelijk ! Nu komt er hope : Christus onze Hoop.
De bruidskerk heeft dit immer verstaan. Reeds in den ouden dag zong ze : „door U, door U alleen". Bij haar onmogelijk. Bij Hem wonderlijk mogelijk.
En het is niet alleen mogelijk, het zal straks ook werkelijkheid zijn waar het bij ons echt een verloren zaak is geworden. Als wij het opgeven, dan begint de Heere te werken. In het slop van eigen werk vastgeloopen, afgemat en doodgewerkt, komt er bij ons plaats voor de werkzaamheid Gods. En God wil gaarne helpen. Steeds staat Hij gereed om te helpen. Al te lang was Zijn hulp versmaad. Wij zouden ons zelf redden. Wij waren in eigen kracht bezig. Dit doen en dat laten. Doen, doen, doen. Alles zonder God. Wij willen alles doen, nietwaar, behalve het opgeven voor den Heere. Maar als de ziel ook aan het eind van eigen willen en kunnen gekomen is, en gansch machteloos neerligt, zucht, en schreit om geholpen en gered te worden dan is de redding nabij. God wendt zich tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Hij is een Helper van hulpeloozen en nooddruftigen. O, als het vat maar ledig is, dan gebeurt er het wonder met de olie. God hoort het geroep Zijner ellendigen, die zich zelf hebben leeren verliezen.
O, Lezer, wat hebben we hier een troostvol woord voor diegenen, die zichzelf in hun onbekwaamheid ten goede hebben leeren kennen. Zij belijden : als het van mijn kant moet komen, van mijn willen of mijn kunnen, is het een verloren zaak. Dan het vonnis, de gapende afgrond, de hel. Geen zucht zelfs, „'t Is niet uit ons, maar al uit Kern". Hij, de Eerste en de Laatste in opzoekende liefde, in onwederstandelijke kracht, in grondelooze ontferming, in allesgoedmakende trouw. Gij, die klaagt dat al uv/ goede voornemens op niets zijn uitgeloopen, dat ge oud zijt geworden onder de ernstigste predikaties en onbekeerd gebleven, die zoo bearbeid zijt door de striemen van den tegenspoed, — doch alles tevergeefs —, gij, die met uw verwachting op het einde zijt, o, zie op Jezus. Stamel het na : „Indien Gij wilt. Gij kunt mij helpen". Houd op met het eigen werk. Op alles de dood. Geef het werk nu eens over aan Christus. „Heere, ik geef het op. Wilt Gij nu eens aan 't werk gaan. Laat nu eens zien wat Gij vermoogt. Hier hebt Ge een onwillige, onmachtige, een, waarmee het voor eeuwig hopeloos is. Maar Gij kunt nog wel wat van mij maken. Gij kunt mij klein krijgen. Voeg mijn hart saam, tot de vreeze van Uw Naam. Als Ge Uw Naam een gedachtenis, een monument, een eere-teeken wilt stichten, o God, dan kunt Ge bij mij terecht. Dan, verheerlijk Uw Naam aan en in en door mij, de ellendigste van alle schepselen".
Maar o, dan komt de Heere. En spoedig ook! „Graag kom Ik helpen. 'kHeb altijd al willen helpen. Ik heb u willen vergaderen als een klokhen hare kiekens, maar gij hebt nooit gewild. Maar, nu ge gansch hulpeloos Mij begeert, nu gaarne.
God, die helpt in nood. Is in Sion groot.
Zijn Woord is waarachtig. „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid ; Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren".
Dit woord is ook vol troost voor Zijn volk, dat steeds weer leert, dat zij zich wel uit den weg kunnen brengen, maar er niet weer in. Soms voelen ze zich zoo dor en doodig, dat ze het onmogelijk achten ooit nog weer te zullen zingen van Gods nabijheid. Het wordt steeds grooter wonder, hoe langer ze op den weg des heils wandelen, dat zij nog ooit zullen binnengaan in de Stad met gouden straten. Wegbedervers. Maar de Heere zoekt 't afgedwaalde schaap weer op. Hij kneedt het hart. Hij regeert. Bij Hem zijn alle dingen mogelijk; ook Zijn doolziek volk te behoeden voor afval ! Onze ontrouw doet Zijn trouw niet teniet.
Maar voor u moet dit woord wel aanstootelijk zijn, die in eigen kracht staat. De Remonstrant, die zelf kan gelooven en volharden tot den einde toe, heeft weinig troost in de leer, dat God onwederstandelijk werkt. Voor u gaat er niet een deur der hope open. Gij hebt het leven nog in eigen hand. Gij hebt nog niet gebeden : „Heere, bekeer Gij mij", wetende, dat ge van God bekeerd moet worden. Maar tot u richt de eere dan ook het verwijt : „Dit heb Ik tegen u, dat ge nooit van u zelve zegt: 't is met mij buiten hope". Zoo krijgt ge nimmer God noodig. En ge verwerpt 't Woord : „Zonder Mij kunt gij niets doen". En toch, daarom zoudt gij omkomen, o Israël ? Er is een Heelmeester, er is balsem in Gilead. Straks zal het klinken: „Gijlieden hebt niet gewild".
O, de Heere ontdekke u aan uw inbeelding. Hij verlichte de oogen. Hij breke uw kracht. Dan wordt het ook voor u een afgesneden zaak. Maar dan krijgt ge den Heere noodig en wordt het gebed geboren. In Godes kracht is redding. En die bewonderde mogelijkheid wordt voor een arm en ellendig volk op Zijn tijd genoten werkelijkheid.
En dan wordt God alles. En wij niets. Een nul. Doch zoo ook alleen worden we geoefend, om straks het lied van Mozes en het Lam te zingen, voor honderd procent God dankend : „Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam en genade-kracht zij alle eere tot in der eeuwigheid". Amen.
0ldebroek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's