MEDITATIE
„Ik zal zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden: houd niet terug". Jesaja 43 vers 6a.
Israël is in ballingschap weggevoerd vanwege zijne zonde en afval. Toch zal de Heere alle belemmering uit den weg ruimen, eene doortocht banen. Niets zal Hem weerhouden om hen weer te brengen in 't land der belofte. Zijne goddelijke erbarming en genade weet de Zijnen wel te vinden. Op hun ootmoedig smeekgebed zal Hij zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug. Zoo heeft de gemeente des Heeren de roeping te leven in het land der belofte, in de belijdenis van den Heere Jezus Christus, Die de wereld overwonnen heeft. Buigt de wereld zich neer voor een anderen koning, leeft zij in zonde en opstand jegens haren Schepper, zoo heeft de gemeente van Christus de roeping haar op te eischen voor den Koning der Koningen. Wel is de tegenstand groot, grijpt moedeloosheid haar menigwerf aan, ziet zij alom tegenkanting en verscheuring, nochtans is zij zich bewust dat de Heere regeert, dat aan Jezus Christus alle macht is gegeven in hemel en op aarde.
„Ik zal zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug".
Gesproken wordt hier van geven en terughouden. Zulks wijst op den tegenstand, die het Koninkrijk Gods ondervindt. Alles toch maakte zich op om Israël te vernietigen en onder de volken te doen ondergaan. Zoo ervoer het de gemeente Gods alle eeuwen door. Welk een tegenstand is er niet tegen de Kerk. De ware godsdienst is bij velen in verachting en wordt gelasterd. Onverschilligheid is aan de orde van den dag. In aardsche beslommeringen gaat men op. Wij willen niet, dat Deze Koning over ons zij, is de leuze. Zulks geldt van alle menschen. Zoowel van de heidenen, die Jezus niet hebben gekend, als van de beschaafde volken, waar de ware Christus niet wordt beleden. Zelfs in de gemeente is zooveel uitwendigs, gaat men in opstand jegens Hem voort. Ieder van nature leeft toch in opstand tegen zijnen Maker. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God. Zij openbaart zich in allerlei vormen. Daar om zal de Heere zeggen in Zijne almacht tot het Noorden : geef, omdat de mensch alles in zich zelven poogt vast te houden, en tot het Zuiden : houd niet terug. Immers wat houdt de mensch er al niet van terug, om weer te keeren naar het land der belofte. De onkunde aangaande den weg der zaligheid is zoo groot. Anderen weer zijn zoo wijs in eigen oogen, dat zij meenen alles te weten. Velen ook in onze dagen zinken moedeloos neer op den levensweg of gaan op enkel in aardsch wereldgenot, in het vergaderen van schatten, die vergaan. Dit alles staat den mensch in den weg om het oor te luisteren te leggen naar Hem, Die de weg, de waarheid en het leven is. Onmogelijk kan dan ook deze tegenstand overwonnen worden, tenzij de Heere in Zijne genade en almacht tot 't Noorden zegt : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug. Wat al vormen neemt de vijandschap tegen den Heere al niet aan. Hoevele godsdienstige menschen bieden den felsten tegenstand bij eene prediking van den vollen, algenoegzamen Zaligmaker, Jezus Christus. Weer anderen, meer verstandelijk aangelegde naturen, kunnen over al hunne bezwaren niet heen komen. Is dan de prediking van het evangelie niet eene onmogelijke taak ? Van den mensch uit gezien, is zulks zeker het geval. Toch behoeft geen moedeloosheid ons aan te grijpen. Jezus Christus is toch de Almachtige, de Onoverwinlijke. In het Koninkrijk Gods geldt het, dat het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Niet Gods dienstknechten, doch de Heere zal dit onmogelijke mogelijk maken. De mensch kan den tegenstand niet breken. De opstand van het hart zal slechts wijken voor het Woord des Konings : „Ik zal zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug". Waar het Woord des Konings is, is macht. Gesmeekt dan, dat in onzer tijden nood de Heere Zelve kome tot het hart. Zal er hoop wezen voor ons en de Kerk onzer Vaderen, zoo zal eigen werk moeten opgegeven worden. Alsdan zal Hij Zich onzer ontfermen en Zijne wonderen te ervaren geven.
Israël in de ballingschap, de eerste christelijke gemeente, in de dagen der reformatie, op 't gebied der Zending, in eigen kring zijn voorbeelden er van, dat wij niets van den mensch hebben te verwachten ; maar alleen van Hem, Die Zijn Woord laat uitgaan en het bedauwt met Zijnen Heiligen Geest. De bezwaren mogen velen zijn, de kerkelijke toestand droef en verward. Zoude echter voor hen, die gelooven mogen, iets te wonderlijk zijn ? Soms zit menigeen bij de pakken neer. Gesmeekt dan, dat Hij Zijn Woord vervulle. Bij de schepping sprak de Heere : „Er zij licht". Zoo kan nog de Heere in alle donkerheid het licht doen dagen.
Wat is daartoe noodig ? Enkel en alleen het Woord des Konings. Waar twee of drie in Zijnen Naam vergaderd zijn, is Hij in het midden en bouwt Hij de muren van Jeruzalem op. Daarom dan gebeden, zoo zal de Heere Zijn Woord waar maken : „Ik zal zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug". Alsdan zal Hij Zijn wonderen zegen uitgieten en genade bewijzen, wanneer Zijn volk in de ballingschap er van harte om mag bidden. De macht van 's Heeren Woord gaat niet buiten den menschelijken wil om. Zeker zal* Zijn Woord het alleen doen en de roerselen van het hart aanraken. Uit vrije beweging zal niemand vanuit Babel naar Jeruzalem terugkeeren, toch zal 's Heeren volk een gewillig volk zijn op den dag Zijner heirkracht. De Heere handhaaft 's menschen verantwoordelijkheid. Als hij Gods Woord verwerpt, gaat hij door eigen schuld verloren. Ervaart hij echter de kracht van 's Heeren Woord, zoo brengt hij Hem alleen daarvan de eere toe. Tot het Noorden zal Hij zeggen : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug.
Zagen wij zoo op de macht van het Woord, zoo zullen wij tevens u wijzen op de kracht van Zijn Woord.
Nog heden klinkt tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug, als een woord van ontfermende genade Gods. De eisch des Heeren is volkomen overgave aan Hem. Anders zal de mensch voor eeuwig bedrogen uitkomen. Onze werken zullen nimmer ons kunnen rechtvaardigen. Al onze gerechtigheid is immers voor den Heere als een wegwerpelijk kleed. De ballingen meenden den Heere wel in Babel te kunnen dienen, in het vreemde land. De tegenstand mag ook nu nog groot zijn tegen de prediking van het evangelie ; vele de vooroordeelen en groot de vormelijke godsdienst. Alles komt op tegen den Heere Jezus Christus. Het hart wil Hem niet belijden als profeet, priester en koning. De Heere zal echter zeggen : geef, en houd niet terug.
Geene verwachting is er in het land der vreemdelingschap, dan in het Woord des Heeren: geef, houd niet terug. Anders staat een eeuwig omkomen te wachten. Niemand echter komt uit Babel naar Jeruzalem, ten zij hij met de zonde heeft leeren breken. De Heere spreekt tot dezulken Zijn Koninklijk Woord : geef, houd niet terug. Hij is rechtvaardig. Daarom zal niemand met zijne zonde den hemel kunnen ingaan en laat de Heere Zijn eisch hooren : „de goddelooze verlate zijnen weg en de ongerechtige man zijne gedachten". Wat ook uwe boezemzonde zijn mag, de Heere zal zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug. Geene uitwendige bekeering, maar waarachtige bekeering des harten is noodig. Sommigen leven wel voor het oog onberispelijk, zonder hunne innerlijke zonden op te geven. Tevergeefs echter, wanneer daarop rustig wordt voortgeleefd. Immers tot wien de Heere zegt: geef en houd niet terug, zoo zal deze erkennen moeten door Gods ontdekkende genade, dat al onze gerechtigheid voor God is als een onrein, wegwerpelijk kleed. Onszelven kunnen wij niet redden. Zulks is eene onmogelijke zaak, evenals voor de Joden in Babel. Christus alleen kan zulks doen. Alles hebben we om Zijnentwil los te laten, opdat 's Heeren wil in ons heersche.
Niets mag den zondaar weerhouden om weer te keeren tot den Heere, gelijk de verloren zoon. Beladen en belast mogen wij u oproepen uwe zonde en schuld den Heere oprecht te belijden. Hij toch is voor dezulken een vergevende, allesvervullende Zaligmaker. Door Zijnen Heiligen Geest zal het woord zijne kracht vervullen : „Ik zal zeggen tot het Noorden: geef, en tot het Zuiden : houd niet terug".
Israël was ver verwijderd van Jeruzalem en den tempel. Velen hadden geen vrede, alvorens teruggekeerd te zijn in het land der vaderen. Zoo ook zij, die hunne zonden den Heere mochten belijden, hebben geen vrede alvorens in Christus' gerechtigheid de hunne te hebben gevonden. Hij geeft dezulken op de opgerichte slang te zien, om behouden te worden. Volhard dan in gebed en smeekingen, houd niet op te vragen, gelijk de vrouw, die begeerde slechts den zoom van Jezus' gewaad aan te raken. Door het geloof in Jezus Christus alleen zal er voor het verslagen hart een weerkeeren zijn naar het land, overvloeiende van melk en honig. Als de kracht van 's Heeren Woord in onzen tekst ervaren mag worden in de ziel, komt men voor den naam en de zaak des Heeren uit, ook in het kerkelijk leven. Helaas zijn velen daarin zoo nalatig. Allerlei bezwaren worden dan naar voren gebracht. De een zegt : de Kerk is zoo onvolmaakt. Hoe is het dan met uzelve gesteld ? Blijft gij niet ten einde toe onvolmaakt in uzelve ? Een ander scheidt zich af en gevoelt zich beter dan anderen. Volmaakt is de Kerk alleen in Christus. Op aarde zal dit slechts ten deele wezen.
Zijt gij in waarheid een kind des Heeren, zoo wees nimmer met uzelven tevreden. Zelfingenomenheid werkt een vloek over alles in het Koninkrijk Gods. De Heere geve den Zijnen bekwaammakende genade om op te wassen in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Hij zal tot het Noorden zeggen : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug. Daarin ligt de eisch besloten, dat ieder werkzaam zij met de gaven, hem van God geschonken. In onze dagen zijn er zoovele werkloozen. Helaas, ook in de Kerk, in de gemeente des Heeren. Er is zooveel gemakzucht, vrees voor moeilijkheden, luiheid en laksheid. Ieder geroepene in Gods Koninkrijk heeft te geven, wat de Heere in Zijne genade hem schonk, en alzoo anderen mede tot Christus te mogen leiden, opdat vervuld moge worden : „Ik zal zeggen tot het Noorden : geef, en tot het Zuiden : houd niet terug" en alzoo velen uit Babel naar Jeruzalem mogen wederkeeren.
Heerlijk, hoopvol en moedgevend verschiet dan in onze tekstwoorden. Ondanks allen tegenstand zal de Heere de Zijnen bijeenvergaderen en eenmaal volkomen vervullen, dat 't wezen zal één Herder en ééne kudde.
Vlaardingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's