STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE OUDE LEGENDE.
De Bond van Christelijke Schoolvereenigingen te Amsterdam verricht een kostelijk werk, door zoo af en toe de onderwijslitteratuur te verrijken met het verstrekken van de officieele cijfers betreffende de kosten van het Openbaar-en het Bijzonder Onderwijs in de hoofdstad des lands.
Uit deze cijferlijst blijkt telkens, hoe de voorstanders der Openbare School er geheel naast zijn, wanneer zij beweren dat de uitgaven, welke Rijk en Gemeenten doen, voor de Bijzondere School zooveel hooger zijn dan die waarvoor de Overheidskassen voor de Openbare School staan.
Het laatste overzicht, dat bovengenoemde Bond van Christelijke Schoolvereenigingen geeft, loopt over de kosten in de jaren 1922 —1931 voor vakonderwijs aan lagere scholen en voor zoogenaamde boventallige onderwijzers bij deze scholen, zoomede over de credieten, die voor bouw en uitbreiding der lagere scholen door den Amsterdamschen Raad beschikbaar werden gesteld en de exploitatiekosten, die uit de gemeentekas moesten worden vergoed, de laatste rubrieken respectievelijk over de jaren 1925 tot en met 1931 en over die van 1922—1929.
Wat de kosten voor vakonderwijs aan lagere scholen betreffen, zoo wordt medegedeeld, dat deze kosten per leerling bij het Openbaar Onderwijs opliepen van ƒ 9.85 in 1923 tot ƒ 11.44 in 1929, terwijl deze cijfers bij het Bijzonder Onderwijs waren ƒ 2.18 en ƒ 5.—.
Voor het z.g.n. boventallig klasse-personeel werd eveneens per leerling uitgegeven bij het Openbaar Onderwijs in 1922 ƒ 10.85 en in 1930 ƒ10.57. De kosten voor het Bijzonder Onderwijs waren in diezelfde jaren ƒ 2.24 en ƒ 9.73.
Ten behoeve van credieten voor bouw en uitbreiding van lagere scholen werd in de jaren 1925 tot en met 1931 uit de gemeentelijke overheidskas beschikbaar gesteld voor 't Openb. Onderwijs totaal ƒ10.498.644 en ten behoeve van het Bijzonder Onderwijs ƒ 6.468.300 ; een verschil ten gunste van de Openbare School alzoo van ruim 4 millioen gulden, en dit, terwijl de schoolbevolking in Amsterdam bij het Bijzonder Onderwijs vrij wat grooter is dan die bij het Openbaar Onderwijs.
EN eindelijk bedroegen de exploitatiekosten van het Openbaar-en Bijzonder Lager Onderwijs in de hoofdstad per leerling voor het eerste onderwijs in het jaar 1922 ƒ34.10 en in het jaar 1927, het laatste jaar, waarover de officieele cijfers bekend zijn, ƒ 25.53. Daarentegen stonden in deze jaren de kosten voor het laatste onderwijs respectievelijk op ƒ 19.18 en ƒ 20.29.
Al deze bedragen blijven voor het Bijzonder Onderwijs onder, sommige zelfs ver beneden die, welke voor het Openbaar Onderwijs werden gevoteerd.
Zij leveren voorts het bewijs, dat het een legende is, wanneer beweerd wordt dat het Bijzonder Onderwijs zooveel kostbaarder is dan het Openbaar Onderwijs.
En zooals het in Amsterdam is, zoo staat het ook in alle andere gemeenten van Nederland.
De Openbare School heeft nog altijd een bevoorrechte positie, zelfs niettegenstaande uit de statistiek de meerderheid blijkt van de Bijzondere-boven de Openbare School.
De jaarcijfers voor 1932 toch geven voor het jaar 1931 aan, dat de Openbare Scholen bezocht werden door 441234 leerlingen, en de Bijzondere Scholen door 760230 leerlingen, alzoo een surplus voor laatstgenoemde scholen van ruim twee honderd duizend leerlingen.
't Openbaar Onderwijs mag, wat het zuinig beheer betreft, een voorbeeld nemen aan het Bijzonder Onderwijs.
Het is de verdienste van den Bond van Christelijke Schoolvereenigingen te Amsterdam, die het verschil in de kosten van het Openbaar-en het Bijzonder Onderwijs weer eens duidelijk met de cijfers in het licht heeft gesteld.
DE GEBRACHTE OFFERS.
„De Nederlander", dagblad tot verspreiding van de Chr. Historische beginselen, vestigt in het nummer van 7 September de aandacht op de groote offers, welke de voorstanders van het Bijzonder Onderwijs zich tot aan de financieele
gelijkstelling voor hun scholen hebben getroost.
Het blad put voor deze herinnering uit de Statistiek van de kosten van het Onderwijs en schrijft dan over de gebrachte offers der voortrekkers in den Schoolstrijd :
Kosten van het Onderwijs. In de inleiding tot deze belangwekkende publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek worden de uitgaven van Rijk en gemeenten voor Openbare-en Bijzondere Scholen voor een reeks van jaren tegenover elkaar gesteld. Letten wij eens uitsluitend op den toestand, van het jaar 1900 af. In 1900 kostte een leerling van een Openbare School ƒ27.30, de subsidie aan de Bijzondere Scholen bedroeg per leerling echter slechts ƒ4.90. In 1905 waren deze cijfers resp. ƒ 31.60 en ƒ 7.60 ; in 1910 resp. ƒ 38.70 en ƒ 17.80 ; in 1915 resp. ƒ 45.— en ƒ 21.50. Zouden wij mogen aannemen, dat de Bijzondere Scholen per leerling hetzelfde kostten als de Openbare, dan zou hieruit blijken, dat in de eerste 15 jaren dezer eeuw ƒ 21.— a ƒ 24.— per leerling door de voorstanders van het Bijzonder Onderwijs zou zijn bijgepast. Dit bedrag is stellig te hoog. Zelfs thans nog, nu de salariëering der onderwijzers der Bijzondere Scholen gelijk is aan die der Openbare en de materieele verzorging dezer instellingen bij die der Overheidsscholen in geen enkel opzicht achterblijft, bedragen de kosten van het Bijzonder Onderwijs, als gevolg van allerlei omstandigheden, per leerling niet meer dan % van die der Openbare. Wij dienen het tekort per leerling dus wat lager te schatten dan boven werd aangegeven. Maar ook dan nog wijzen de cijfers op groote offers van de voorstanders der Bijzondere Scholen. Om welke leerlingenaantallen het daar bij ging, moge blijken uit het feit, dat er in 1900 235.857 leerlingen op de Bijzondere Scholen plaats vonden ; in 1905 289.371 ; in 1910 353.547 en in 1915 420.751. Boven de bedragen, aan de stichting van scholen ten koste gelegd, zijn er in de aangegeven periode jaarlijks verscheidene millioenen uit particuliere geldmiddelen voor het Bijzonder Onderwijs besteed.
Zooals bekend, zijn deze offers onzer voortrekkers niet vergeefsch geweest. Aan hun trouw is het te danken, dat ons land zich thans mag beroemen op een schoolorganisatie, welke meer dan eenige andere in de wereld recht doet aan de gewetensvrijheid der burgers. In bijna alle landen is er een „schoolquaestie". In Nederland is zij opgelost.
Het is goed aan deze dingen, in den tijd, waarin wij zoo snel leven, te herinneren.
Het jongere geslacht, dat de dagen van den schoolstrijd niet gekend heeft, moge eerbied worden bijgebracht voor de ontzaglijke offers, die de voortrekkers in den schoolstrijd zich hebben getroost, om de kinderen in de vreeze des Heeren te doen opvoeden.
Voor hetgeen deze voortrekkers onder Gods zegen hebben gedaan en tot stand gebracht, kan ons Christenvolk niet dankbaar genoeg zijn.
Wij houden hunne nagedachtenis in eere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's