VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 4 : 20-22. En Ada baarde Jabal : deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden en vee hadden. En de naam zijns broeders was Jubal : deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen. En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, eenen leermeester van allen werker in koper en ijzer ; en de zuster van Tubal-Kaïn was Naëma.
XLII.
2e Serie.
Er is in de laatste halve eeuw over menige bladzijde der Heilige Schrift een nieuw licht opgegaan, dank zij de ontgraving van vele steden, welker namen wel bekend waren, maar waarvan men overigens weinig wist. De spade heeft de vroegste eeuwen der menschheidsgeschiedenis opnieuw ontsloten en diepgaande perspectieven geopend in de oudste cultuur-geschiedenis. Indien er één ding door deze nieuwe onderzoekingen in de gebieden der oudste beschavingswereld is duidelijk geworden, dan is het zeker wel, dat in het Woord, door God van de oudste prehistorische tijden tot de menschheid gesproken, een waarachtig licht over het menschelijk leven is opgegaan. Het Woord des Heeren heeft hetgeen de menschen, die in de allervroegste oudheid buiten het schijnsel van Gods openbaring leefden, gekend hebben, op bijzondere juiste wijze voorgesteld. Het natuurlijke, door den natuurlijken mensch tot stand gebrachte, diens natuurlijken levensgang en historische ontwikkeling verschijnt in des Heeren Woord in een bijzonder goddelijk licht, wordt op een geheel eenige wijze gewaardeerd en dus ook ontdaan van al de eigenaardige karaktertrekken, die aan den natuurlijken godsdienst herinneren. Gods Heilige Geest gaf van den beginne aan het uitverkoren geslacht een eigen blik op de geschiedenis, geheel verschillend van die der kinderen dezer wereld. En dat blijkt ook hier in de historische teekening van de levensontplooiing van Kaïn's geslacht. Dit verschijnt als de drager van de materialistische beginselen, als het geslacht, dat het eerst de polygame huwlijksverhoudingen invoerde en dus een degeneratieven socialen vorm voortbracht, waardoor de menschheid verre afweek van het oorspronkelijk ideaal, zooals het in de eerste menschen verwerkelijkt was geweest.
In diezelfde materialistische lijn ligt nu ook de vlucht, die de cultuur genomen heeft door de energie, die Lamech's geslacht heeft ontwikkeld. En het is merkwaardig, dat hetgeen ons hier in de Schrift over deze voorschriftuurlijke tijden wordt meegedeeld, ook vermeld wordt op die monumenten, die over den vroegsten aanvang der Babylonische beschaving berichten hebben bewaard. Zij kennen niet alleen het land Nod als het land der zwervenden, maar ook Henoch als den naam voor de stad en Hirad. En zoo spreekt ook de Babylonische legende bij het licht van den Babylonischen natuurgodsdienst over de eerste geschiedenis der cultuur, met name van de kunst, en brengt ons in Ur als in het centrum van de godsdienstige vereering der maan. Lamech zelve wordt daarin Lamga genoemd, terwijl zijne twee vrouwen, Ada, de glansrijke, en Zilla, de schaduw, ook in het kader der maan-vereering worden voorgesteld. En diezelfde monumenten spreken van het nauwe verband tusschen maanvereering en veeteelt. Zij kennen ook de zonen van Lamech en Ada als die van goddelijke heroën, die met de classe der schaapherders in verband staan, waarvan de eerste met het herderlijke leven verband houdt, de andere als de schutspatroon der muziek wordt geteekend. Zelfs vond men beeldhouwwerk, dat eene illustratie geeft van hetgeen in deze tekstwoorden over de uitvinding der muziek-instrumenten wordt gezegd. De herderlijke muziek werd afgebeeld in een herder, die de luit speelt. En zoo ook is een Tubal-Kaïn als de schutspatroon dergenen. die metalen bewerken, geen onbekende voor de oudste Babyloniërs.
Doch hoe geheel anders is de voorstelling der Schrift, dan die der andere volken. Die voor de Babyloniërs goden, goddelijke figuren, goddelijke machten zijn, namen voor godheden, worden in het openbaringslicht van Gods Heiligen Geest voor het uitverkoren geslacht tot menschen van gelijke beweging als anderen. Zij worden ons wel voorgesteld als mannen van historische beteekenis, die groote verdienste hadden voor de cultureele ontwikkeling, zoodat de nageslachten hunner bleven gedenken met de dankbaarheid en de eere, die als aan weldoeners toekwam, maar van eene vergoddelijking dezer persoonlijkheden is geen sprake. Het waren menschen geweest, gelijk de nakomelingen zichzelven als menschen kenden. En hierin juist blijkt, welk een diepgaand onderscheid er is tusschen de openbaring Gods en den natuurlijken godsdienst der Kaïnieten, waarin het Paulinisch woord wordt bevestigd, dat zij de heerlijkheid des onver derf lij ken Gods hebben veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderflijk mensch !
Wij hebben hier dus de voorstelling aangaande de oudste perioden der menschheids-geschiedenis, zooals deze in onderscheiding van de volkeren, die buiten Gods bijzondere openbaring leefden, in het volk des Heeren leefde. En deze voorstelling onderscheidt zich daardoor, dat zij geheel vrij blijft van alle mythologische verdichting, van allen valschen godsdienst en daarmede een volstrekt eenvoudig en nuchter karakter verkreeg. In haar hebben wij van doen met gewone menschen, die als hoofden van geslachten en als leidende cultureele figuren een zeer groote historische beteekenis hadden, zooals ook voor ons de groote helden der voorgeslachten mannen zijn, welker nagedachtenis in eere wordt gehouden. Doch meer dan menschen zijn zij niet. Zoo stelt zich dus des Heeren Woord van den beginne tegenover alle menschvergoding, welke ook. En ook daardoor leeren wij, dat van de oudste tijden af er in deze afgodische wereld een volk was, dat een hooger leven en dus ook een ander licht over de menschheidshistorie deelachtig was dan de wereld had verworven. Jabal en Jubal en Tubal-Kaïn waren mannen van groote begaafdheid, wat wij zouden noemen „genieën", die als lichten op het gebied der beschaving hebben uitgeblonken. Voor het bewustzijn der volkeren echter werden zij goden, goddelijke machten, maar onder Gods volk bleven zij menschen, wel rijk begaafd met natuurlijke krachten des geestes, maar toch menschen, die al wat zij vermochten en deden en doen konden, dankten aan Hem, die de Vader der lichten is, van Wien alle goede gave en volmaakte gift nederdaalt.
Wat ook bijzonderlijk hier in het oog valt, dat is ook hetzelfde verschijnsel, dat in onze tegenwoordige maatschappij de aandacht trekken kan. De geestelijke gaven zijn maar al te dikwijls zoo verdeeld, dat daarvan, met het natuurlijk oog gezien, aan Gods volk het kleinste deel toekomt. De mannen van kunst en wetenschap behooren in onzen tijd maar hoogst zelden tot den kring van hen, die macht hebben ontvangen Gods kinderen genaamd te worden. Eigenlijk is dit meestal zoo geweest. Slechts enkele tijdsgewrichten zijn er aan te wijzen, waarin dit anders scheen. In de dagen der Reformatie stonden de grootste en de bekwaamste mannen aan de zijde van hen, die voor Gods Woord op kwamen. Lang echter duurde zulks niet, of de rollen werden weder omgekeerd. De nieuwere wijsbegeerte trok er velen, en naarmate de moderne wetenschap veld won, zag men de groote massa der zoogenaamde intellectueelen onder de bestrijders van Gods Kerk. In de eeuw, die achter ons ligt, was de waardeering voor de dingen van Gods Koninkrijk onder de mannen der wetenschap tot het laagste peil gedaald. Met schamperheid zagen zij neder op de kleinen in den lande, die nog niet gekomen waren tot de hooge verlichting, die vrij kon maken van den druk van het oude Evangelie. En alzoo werd er eene nieuwe cultuur geboren, die bij alle wonderen der techniek, waarover zij beschikte, bij allen rijkdom der productie en alle levensweelde, toch in haar innerlijke wezen ontkerstend was. Het volk des Heeren werd als een „nachthut in den komkommerhof". Het leefde nog, maar als in de heggen en stegen verscholen. Het voelde zich eenzaam en verlaten te midden dezer wereld, die door hare wijsheid verblind van God en Zijn Woord geheel was vervreemd. Het was geen wonder, dat het zich klein gevoelde en eenzaam te midden van den lichtglans dezer eeuw. Het moest erkennen, dat het intellect en de wetenschap niet was aan de zijde van hen, die Gods kinderen zich beleden. Ja, het is eigenlijk een wonder, dat er nog zulk een volk kon overblijven. Doch ook in dit opzicht is er eene kentering te merken, daar de wereld ten slotte met hare groote wijsheid beschaamd is geworden. Zij werd als het ware topzwaar onder den last van hare eigene cultuur, waarop zij zoo trotsch was als op het groote Babel, dat zij zelve had gebouwd. Zij schrikt terug voor de gevolgen van hare levensrichting, voor de vruchten van hare God-looze wijsheid, zooals zij er zichzelve door ziet ondergaan. Zij beschikt over de grootste natuurlijke gaven en krachten, in vergelijking waarvan zij, die den Heere vreezen, nauwlijks zijn te ontdekken. Het is als "in de dagen des apostels : „gij ziet uwe roeping, broeders ! dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren".
En zoo is het nu van den beginne. Lamech's geslacht was met natuurlijke geesteskrachten rijk begaafd. Daarom kon het in de geschiedenis der cultuur eene heerschende positie innemen. Jabal, een vader, een patroon, een leidende figuur voor degenen, die tenten bewoonden en de veeteelt beoefenden en zich daardoor groote rijkdommen verwierven. En Jubal is de dichter en de man der muziek, zooals zich deze in verband met het herdersleven ontwikkelde. Zoo verschijnt dus dit geslacht als de eeuwen door beroemd om de groote, heerlijke geestesgaven, waardoor zij de leiders zijn geworden van de rijkste cultureele ontwikkeling op het gebied dier edele kunsten, die sinds de menschheid in haren levensgang hebben vergezeld. Want dit is merkwaardig, in welke levensomstandigheden de menschen ook verkeeren, in hunne vreugde en droefenis, in hunne hope en hunne verwachtingen, teleurstellingen en leed, de dichtkunst en de muziek zijn de instrumenten, waardoor zij aan hunne diepste gevoelens uiting geven kunnen. En zooals het de eeuwen door de ervaring leerde, zoo was 't ook in die vroegste oudheid, de kinderen dezer wereld waren in dit alles meer begaafd dan de kinderen Gods.
Ook hierin blijkt de wondere vrijmacht der genade, dat Hij de natuurlijke gaven, die Zijne Heilige Geest wekt, het meeste schenkt aan hen, die van Zijne bijzondere genadegaven vreemdelingen zijn. Ook deze natuurlijke gaven zijn vruchten, schoon geene zaligmakende vruchten. Zijns Geestes. Ook de wetenschap en de kunst en dus de cultuur, gaat niet om buiten de voorzienige leiding Gods. De volkeren dezer wereld ontvangen ze, opdat zij des te minder te verontschuldigen zullen zijn. Bovenal opdat ook daardoor de wereld zal worden toebereid op de volmaking van Zijn Koninkrijk, dat Gods kinderen ontvangen moeten. En zoo leert de geschiedenis van Kaïn's geslacht, wat ook de gansche wereldgeschiedenis leert, dat Babylonië en Assyrië, Griekenland en Rome, de volken, die boven alle anderen dragers waren der beschaving, der wetenschap en der kunst, toch niet de spil zijn geworden, waarom zich tot op dezen dag de historie beweegt. Die spil ligt in Israël, want het baarde den Christus, door Wien de wereld wordt geoordeeld, en op Hem alleen hoopt Gods volk. En van dat volk en van de stad, die het bewoont, staat geschreven : „de koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eer in dezelve". Ook die wereld met haar gaven, krachten en schatten der cultuur, zal ten laatste Hem dienen, die gegeven werd tot een verbond des volks en een licht der heidenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's