KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE ZEDELIJKE BETEEKENIS VAN HET SOCIALISME. (4)
„De kapitalistische maatschappij gaat zich vervormen door de in haar wonende en werkende krachten tot een Socialistische, met maatschappelijk bezit van grond en productie-middelen", leert het Socialisme. En dat moet maar niet een gedachte of meening zijn, die ons verder koud laat; ook niet een overtuiging, die ons verder onbewogen en stil doet neerzitten. Maar 't moet ons aangrijpen en ons aanzetten, om met inspanning van alle krachten te bevorderen, dat het oude verdwijnt en het nieuwe komt; zoo spoedig mogelijk komt — zegt de propagandist-Socialist.
Soms is er medelijden met den arme en met den verdrukte — maar dieper gaat 't niet. Dan zullen we wellicht trachten te helpen, zooals de barmhartige Samaritaan medelijden had met den gewonde en hem verpleegde en in de herberg bracht; maar zelf toen verder zijns weegs ging en de roovers de roovers liet. Zoo leert het Socialisme niet zonder sarcasme.
Te midden van de kapitalistische maatschappij moet er méér zijn dan medelijden met den verdrukten en benadeelden, zegt men. Er moet zijn een meevoelen en meeleven met den mensch, die gekrenkt wordt in z'n leven, die gekort wordt in z'n rechten, die benadeeld wordt in z'n belangen. En de strijd voor „het recht van allen" moet worden aangebonden en men mag niet rusten vóór deze vervloekte kapitalistische maatschappij te gronde is gegaan. Om, door den strijd van het proletariaat, plaats te maken voor de Socialistische maatschappij, opdat de mensch in de gelegenheid worde gesteld z'n leven naar alle zijden zoo breed en zoo volledig mogelijk te ontplooien. Voor elk mensch moet het recht worden opgeëischt, dat hij mede in de gelegenheid worde gesteld van het leven te genieten ; 't welk onmogelijk is in deze kapitalistische maatschappij, maar mogelijk zal zijn in de Socialistische samenleving van de groote menschheid-broederschap. En juist omdat 't kan, doch in het tegenwoordige maatschappijleven niet geschiedt, moet het als een krenkend, vervloekt „onrecht" worden gevoeld, dat met kracht moet worden bestreden. Dat is de brand van binnen bij het proletariaat, die geen rust laat vóórdat de maatschappij is veranderd en tot op haar fundamenten is omgekeerd. Om een radicale, diep ingrijpende omwenteling gaat het, waartoe de roep nationaal en internationaal uitgaat tot het proletariaat, de jongen en de ouden, de vrouwen en de mannen saam. Het rechtsbewustzijn wordt gekrenkt en daarbij kan en mag niemand rustig blijven. De brandende fakkel moet van hand tot hand, van land tot land, van werelddeel tot werelddeel gaan en gedragen worden over de bergen en de zeeën, totdat de groote wereldbrand alle onrecht uitzuivert en het oude heeft omgezet in iets nieuws! „Ze moeten" — geldt voor alle proletariërs ! „Ze moeten" — ook al gaat 't ten koste van bloed en tranen. En zooals het Christendom is opgestegen uit het vuur van het woord, dat de Rabbi van Nazareth sprak en het Protestantisme is geschapen door het machtige woord van den Augustijner monnik Maarten Luther, zoo moet het Socialisme als een fakkel branden in deze tegenwoordige wereld, dewijl Marx, Bebel, Liebknecht, Troelstra en zoovele anderen hun woorden als vuur op de aarde hebben geworpen en als vlammen deden lichten in Duitschland, ja, overal, over gansch de wereld ! De brand is uitgeslagen te midden van de economische-, van de maatschappelijke omstandigheden, die mee door het ijzeren geweld van het Kapitalisme en de allerongelukkigste productiewijze, zoo ellendig zijn geworden. En duizenden gaan als fakkeldragers uit om, waar de vlammen nog niet hoog zich verheffen, het vuur te brengen en aan te wakkeren, 't Gaat om de stoffelijke en geestelijke bevrijding der menschheid en daarvoor mag geen offer te zwaar worden geacht. Het gaat om den dood van het Kapitalisme. Om de vrijheid van den mensch, die uit slavernij moet worden verlost. Het gaat om de wanorde en het onrecht wèg te doen en een nieuwe orde te scheppen met nieuwe rechten voor jong en oud. Dat geeft zoo diepe beteekenis en zoo buitengewone cultuurwaarde aan de Sociaal Democratische Arbeidersbeweging. Het is een „goddelijke" taak, welke zij te verrichten heeft : de maatschappelijke en zedelijke bevrijding van de menschheid ! Het gloeiend rood van den nieuwen dag, die gaat aanlichten over onze wereld, is in de verte te zien. En dat kan bezielen met nieuwen moed, met méér geestdrift. Het is er nog wel niet — maar 't komt; 't komt gewis !
De klassenstrijd moet gestreden worden tot bloedens toe. En „in hoc signo vinces", „in dit teeken zult gij overwinnen", mag en moet het proletariaat, de roode garde van alle nationaliteit, worden toegeroepen. Dit is de weg, wandel in denzelve !
Het Socialisme wil beschouwd worden als de juiste oplossing van het maatschappelijk vraagstuk. En volgens de leer van Marx openbaart zich het Christendom daarbij als een reactionaire macht. Sterker nog : de godsdienst is als opium voor het volk te beschouwen, daar de godsdienst de menschen wil bedwelmen en wil doen versuffen en wil doen berusten, opdat het Kapitalisme heersche en de Roode-vaan verijdeld worde. Het Christendom, de godsdienst is een van de grootste machten, waartegen het Socialisme te strijden heeft en het zal niet rusten vóór dat het Kruis geweken is en de Roode-vaan alom is uitgeplant in het Westen overal, maar ook in het Oosten, in het Zuiden zoo goed als in het Noorden ! De aarde zal van de kennisse vol worden, van de kennisse, welke het Socialisme brengt en brengen zal aan allen die leven en die nog geboren moeten worden !
Waarbij de Heiland tot Zijn Kerk gezegd heeft en nog zegt: Predikt het Evangelie aan alle creaturen, opdat ze Mijne discipelen worden. De rijken en de armen saam!
DE GEZANGEN-KWESTIE (4)
De Synoden der Kerk hadden toe te zien in deze, ook inzake het vrije lied, dat het christelijk. Schriftuurlijk zou zijn en zoo zou blijven, zooals de bediening des Woords en der Sacramenten Schriftuurlijk zou wezen.
„Het Concilie van Braga in 563 verbood het eigengemaakte lied en liet slechts de psalmen en Schriftuurlijke liederen toe". „De vrees voor Ariaansche ketterij heeft hierbij een rol gespeeld en den eisch van het Schriftuurlijke lied op den voorgrond geschoven", (blz. 12). Van „eigengemaakte" liederen, die willekeurig werden voorgedragen om te zingen, moest men niets hebben. Men proefde de Ariaansche dwaalleer en daarvoor wenschte men te waken en de Kerk te bewaren. Waar door de Arianen aan de Godheid van Christus werd tekort gedaan, gaf men bizonder acht op de Christelijke liederen. En men was niet tegen Christelijke liederen, om die naast de Psalmen te gebruiken, maar dan moesten het Schrifituurlijke liederen zijn !
„De geschiedenis wijst dus duidelijk op een strijd in den boezem der Kerk over het vrije lied. De beperkende bepaling (n.l. dat het Schriftuurlijke liederen moesten zijn) geeft ook duidelijk te kennen, dat de moeilijkheid opkwam uit het conflict omtrent de zuiverheid in leer en en belijden, hetwelk door het gebruik van het vrije lied werd uitgelokt of bevorderd", (blz. 12).
Daarom vond het vrije lied bestrijding, op grond van kettersche invloeden, en werd de beperking gemaakt dat het „Schriftuurlijke" liederen moesten zijn.
„Aan het Christelijk bewustzijn der eerste eeuwen kan de drang naar het vrije lied niet worden ontzegd, anders toch ware er geen kwestie geweest. Onder de zuivere inspiratie van den Geest des geloofs zou ook aan den dichterlijken lofzang des geloofs een plaats in de gemeenschap der heiligen moeten worden toegekend, zoo goed als aan de andere genadegaven, welke de Heilige Schrift met name betuigt". „En in het licht van dit beginsel kan de drang naar de vrije hymne worden verstaan. Tegen dit beginsel, en dus tegen de mogelijkheid van het vrije geïnspireerde lied, is dan ook, voor zoover ons bekend, geen Synode opgekomen".
Dit getuigenis van prof. Severijn laat aan duidelijkheid niets te wenschen over.
De moeilijkheid gaat nu over de zuiverheid der inspiratie (zooals bij de prediking, het gebed, de Sacramentsbediening, en zoo ook bij het lied) waarbij geldt, dat wij den schat der genade in aarden vaten dragen, (bladz. 10).
„Het vrije lied wil zich zelf verdedigen uit den diepen ernst van het geloofsleven en wil getuigenis zijn en lofzang der genade".
Ons dunkt, hier is heel mooi en heel duidelijk het karakter van de Gemeente onder de Nieuwe Bedeeling geteekend. Waarbij onmiddellijk hoort wat prof. Severijn er ook op laat volgen : „Doch het wordt bedreigd door de onzuiverheid des harten, door het overwegend persoonlijke, door de mengeling der geesten, dóór de zuigkracht der wereld en het ten deele en onvolkomene, dat den mensch, ook den Christen, aankleeft", (blz. 13).
Wij hebben zelden in een paar woorden de dingen zóó duidelijk, zóó waar, zóó ordelijk en zóó juist hooren zeggen, als hier nu te lezen staat. Het individueele, het persoonlijke, het gemengde van geest, het wereldsche, het onvolmaakte en onvolkomene van den mensch, ook van den Christen — dat zijn de gevaren. De gevaren bij het vrije lied. Maar helaas ! niet alleen de gevaren bij het Christelijke lied. Maar de gevaren voor héél den eeredienst der Nieuw-Testamentische Kerk in prediking, gebed. Sacramentsbediening, Kerkinrichting, enz. We hebben voor den Nieuw-Testamentischen eeredienst de dingen niet in voorschrift zooals voor tabernakel en tempeldienst, gebod op gebod en regel op regel. Maar daarom moet de Kerk den weg inslaan, door prof. Severijn geteekend met deze woorden :
„Wie zal Keurmeester zijn over het vrije lied" (we voegen er bij : over de prediking, over het gebed, over de Sacramentsbediening, over den Kerkedienst met ambten en belijdenis, welke ook door de Kerk zelve moet worden opgesteld) „dan de Heilige Geest Zelf ? De behoefte aan deze heilige liederen dringt dus van zelf tot den Schriftuurlijken zang, wijl toch de Heilige Geest zich ook aan het Woord gebonden heeft en immers alles uit Christus neemt. Zóó verklaart zich de houding der Kerk : geen andere zang in den eeredienst dan het Schriftuurlijk lied" (blz. 13).
Het Woord zal onze tuchtmeester zijn, ons richtsnoer voor heel den Kerkedienst. En zoowel de (vrije) prediking als het (vrije) gebed, zoo moet de Sacramentsbediening, het lied, de formulieren en de belijdenissen naar de Schriften zijn. Naar de beginselen van Gods Woord. Waarbij de Nieuw-Testamentische Kerk het voorrecht heeft, zooals we lezen Hebr. 1 vs. 1 : „God voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de Vaderen gesproken hebbend door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon".
Dat moet door onze Zondagsviering (en niet Zevendedags-verheerlijking), door heel onzen eeredienst, in prediking, gebed, lied. Sacramentsbediening enz. enz., uitkomen : „God heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's