STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE TROONREDE.
Het was te verwachten, dat de Troonrede, die Dinsdag door H.M. de Koningin bij de opening van de nieuwe zitting der Staten-Generaal werd uitgesproken, en van welker inhoud onze lezers uit de bladen zullen hebben kennis genomen, een bijzonder karakter dragen zou.
Daarop wees o.m. het plan der Regeering om de Troonrede ditmaal per radio uit te zenden, opdat de bevolking zoowel hier te lande als in de Overzeesche gewesten het koninklijk woord zoude kunnen beluisteren.
En zooals het verwacht werd, heeft het ook plaats gehad.
De Troonrede van Dinsdag week van die, welke in andere jaren gehouden werd, in belangrijke mate af.
Zij gaf als gewoonlijk niet eene uitsluitende opsomming van de plannen van het Kabinet met betrekking tot zijn wetgevend beleid, doch het eerste deel van het staatsstuk werd nagenoeg geheel ingenomen door een overzicht van den economischen, socialen en financieelen toestand van Nederland en van Nederlandsch-Indië.
Naast dit overzicht bespreekt de Troonrede in de tweede plaats de maatregelen, die naar aanleiding van de moeilijke tijdsomstandigheden zullen genomen worden.
En eindelijk bepaalt de Regeering de aandacht bij de verhoudingen met het buitenland, in bet bijzonder wat aangaat het internationaal handelsverkeer, dat vooral in de crisisjaren diepgaande veranderingen heeft ondergaan.
Alles bij elkander genomen, is de Troonrede een knap stuk werk, dat door zijne openhartigheid vertrouwen wekt en door zijn logischen opzet een juist inzicht geeft in den hoogst ernstigen tijd, waarin wij leven, benevens van de maatregelen die het Kabinet wil treffen om de moeilijkheden het hoofd te bieden.
Afzonderlijke vermelding verdient nog de paragraaf van de Troonrede over de handhaving van het gezag en die, waarin gesproken wordt over de uitvoering op ruime schaal van productieve publieke werken, teneinde werkverruiming in het leven te roepen, ter leniging van de ellende der werkloosheid.
De Troonrede spreekt niet van onvervulbare beloften, evenmin beangstigt zij door te gewagen van onoverkomelijke moeilijkheden.
Met de bede, dat God ons volk in deze moeilijke tijden moge sterken, eindigt het Koninklijke woord, dat zeker niet zal nalaten vertrouwen te stellen in de moeilijke taak, die het Kabinet heeft uit te voeren.
EEN KNAP STUK WERK. Het dragen of voeren van kleedingstukken of opzichtige onderscheidingsteekenen, die uitdrukking zijn van een bepaald staatkundig streven, zal voortaan verboden zijn.
De beide Kamers der Staten-Generaal hebben zich met dezen maatregel vereenigd. Alleen de Sociaal Democraten en de Communisten stemden in de Tweede Kamer tegen.
Met betrekking tot de redevoeringen, die bij de behandeling in de Tweede Kamer gehouden werden, nam de rede, welke prof. Visscher uitsprak, een voorname plaats in.
Zij muntte ongetwijfeld boven de andere uit. De verdienste van de rede van de Antirevolutionaire afgevaardigde zat voornamelijk in de principieele behandeling van het vraagstuk, dat aan de orde was. Duidelijk werd door onzen professor op den voorgrond gesteld, dat de Overheid hare souvereiniteit heeft te handhaven, dat zij regeert, haar gezag hooghoudt en er voor zorgt, dat de machtsorganen, die te harer beschikking staan, volkomen betrouwbaar zijn. In dat geval — zoo zeide prof. Visscher — kan de Overheid er zeker van zijn, dat de groote meerderheid van ons volk haar steunt, omdat het volk niet anders begeert, dan onder de schuts eener Overheid, die zich van haar roeping bewust Is, een stil en gerust leven te leiden.
Naar zulke redevoeringen, die een principieel karakter dragen, luistert de Kamer gaarne. Prof. Visscher had dan ook de volle aandacht van zijn medeleden.
Wij kunnen na deze korte inleiding begrijpen, dat de lezers van ons blad ook van de rede van onzen professor kennis willen nemen. Wij laten haar hieronder volgen.
Prof. Visscher zeide dan :
Mijnheer de Voorzitter ! Het deed mij genoegen te vernemen, dat ook naar het oordeel van den Minister in het oog moet worden gehouden, dat een min of meer militaire machtsontwikkeling naast het wettig gezag in een geordenden Staat niet kan worden geduld. Inderdaad, de souvereiniteit, die aan de Staatsmacht van Godswege toekomt, laat geen ruimte voor eenige macht, die den Staat zou willen dringen uit zijn souvereine positie. De Staat kan in zijn territoir geen andere Staatsmacht bestaansrecht toekennen. Maar juist daarom acht ik de beperking in de Memorie van Toelichting tot politieke richtingen niet juist. Ook de moderne rechtsstaat is bij de volbrenging zijner taak aan zedelijke, dus aan goddelijke normen onderworpen, behoort deze te gehoorzamen, maar kan op geenerlei gebied, ook niet op het economische, machtsontwikkeling toelaten, die hem ten laatste niet ondergeschikt zou zijn. Zelfs indien een Kerk naar de macht zou staan om den Staat te overheerschen, zou het zijn plicht zijn daartegenover zijn souvereiniteit te handhaven, omdat hij zonder deze tot den ondergang zou gedoemd worden. Dat de Regeering dit beginsel met betrekking tot deze materie als uitgangspunt neemt, schijnt mij dus alleszins juist. Het is prijzenswaardig, dat zij het in herinnering brengt, daar er wel eens oorzaak was te twijfelen of het niet in het vergeetboek was geraakt.
Doch hoe juist het beginsel ook zij, de wijze, waarop zij het in dit wetsontwerp in toepassing meent te moeten brengen, schijnt mij niet geheel juist, al beteekent dit niet, dat het absoluut onaanvaardbaar is.
In de eerste plaats rijst de vraag, of de verschijnselen, die de Minister meent door een afzonderlijk wetsvoorstel als het onderhavige te bestrijden, eigenlijk niet miskend worden. Het komt mij voor, dat er van overschatting sprake is. Ik sta in deze meening niet alleen. In het avondblad van de „Nieuwe Rotterdamsche Courant" van 1.1. Donderdag (Avondblad C) 7 September, handelt de rubriek buitenland over het Engelsche vakvereenigingscongres. De naar mijn oordeel zeer bekwame schrijver van deze beschouwingen over de politieke gebeurtenissen in het buitenland, zegt daar het volgende :
„Misschien doet men verkeerd in landen als Engeland — en ook het onze — het fascisme zoo ernstig op te vatten. Het is daar stellig een product van vreemden bodem, dat vooralsnog weinig weerklank vindt in de bevolking en dat men, door het te veel eer te bewijzen, misschien eer nog versterkt dan het verzwakt. Aan den anderen kant echter mag men niet vergeten, dat de beweging, die wij nu maar gemakshalve als fascisme zullen aanduiden, een reactie vormt op de fouten en gebreken, die het parlementaire stelsel en de huidige oeconomische wereldorde aankleven en dat die reactie zich overal laat gelden en in alle groepen en partijen wortel heeft geschoten. Het streven, door eenige leidende figuren van de socialistische groep in de groote arbeiderspartij, om te gelegenertijd tot een soort dictatuur van den arbeid te geraken, is daarvan evenzeer een uiting als het fascisme. Het pleit voor de nuchterheid van de leiders der Britsche werklieden, dat zij zich door dergelijke denkbeelden het hoofd niet op hol laten brengen. Zij zien in het communisme een even groot gevaar als in het fascisme en moeten niets van pogingen hebben, welke in die richting gaan, al worden zij ook aangegrepen door lieden, die hun marxisme niet gaarne voor communisme zouden zien uitgemaakt”.
Met deze beschouwing kan ik mij wel vereenigen. Het komt mij voor, dat de verschijnselen, die dit wetsontwerp wil bestrijden, niet geheel rechtvaardig beoordeeld worden. Ons volk heeft steeds neiging het buitenlandsche prachtig te vinden. De buitenlander is zelfs op wetenschappelijk gebied voor velen het neusje van de zalm. De buitenlander is voor velen een soort wonderkind. Daarom komen dergelijke bewegingen Mer achteraan. De Fransche revolutie en ook het Marxisme leeren het ons anders. Alle bewegingen, die van buiten geïmporteerd worden, komen echter met groot gebaar. Zelfs het vreedzame heilsleger deed zijn intrede met groote oploopen. En ik herinner mij nog, hoe de S.D.A.P. een beweging ontketende, rein politiek revolutienair van karakter „made in Germany, Groote oploopen, joelende, zingende massa's. Zij verscheen met groote roode rozen roode insignes, zelfs met in het rood gestoken kindertjes. De opgeschrikte bourgeoisie ontwaakte even uit haar dommel. Hoevelen werden niet geërgerd over zulk een antinationale politieke agitatie en zeiden ; „het moest niet maggen, zoo de menschen op te zwiepen". Aan zulk een antinationaal drijven, dat toch ook relletjes veroorzaakte waarbij soms bloed gevloeid is, daaraan moest paal en perk gesteld worden. Maar de Regeering dacht er nooit aan er iets tegen te doen. Ja, de Regeering bevorderde het zelfs. Dergelijke optochten werden tot een soort volksvermaak, waaraan de Regeering, door de Nederlandsche Spoorwegen in haar dienst te stellen, hulpe bood. De Regeering hielp bij de organisatie. Denk slechts aan de laatste groote demonstratie, hier in Den Haag georganiseerd. Het was niet de schuld der Regeering, dat zij als in de Roode zee verdronken werd.
Wat is er nu van al deze dingen geworden ? Het wordt apathisch aangezien. Men weet nu wel wat er van zulk een pompeuze actie te wachten is. Zelf schijnt de sociaaldemocratische beweging het te beseffen, waarom zou anders van die zijde zoo vurig gepleit worden vóór dit wetsontwerp. Zij kan dan het verbleekte rood achter het masker van het wettelijk verbod opbergen.
Ik wijs op dit exempel om te toonen, hoe vluchtig zelfs geweldig schijnende bewegingen zijn kunnen, hoe oppervlakkig de indrukken zijn op het bewustzijn der massa.
Was het nu verstandig geweest tegenover dat vertoon wetten te stellen, strafbepalingen uit te vaardigen om wat er in deze imitatiebeweging leefde, te onderdrukken ? Ik geloof het niet. Het bloed der martelaren zou ook hier het zaad der Kerk zijn geworden. Het onderdrukken van dergelijke bewegingen en uiterlijke openbaringen er van weg te nemen, leidt tot de naar mijn mening veel gevaarlijker geheime actie, die de basis, waarop de Regeering alleen rusten kan, ongemerkt uitholt. Ik vermag niet in te zien, dat deze jonge bewegingen met de bruine en zwarte hemden, die toch een imitatie beteekenen, anders behandeld moeten worden dan b.v. de sociaal-democratische, 't Schijnt mij zelfs niet rechtvaardig. Maar wel ben ik hiervan overtuigd, dat het voor de Regeering tijd wordt zich de vraag te stellen, hoe het komt, dat fascistische, nationaal-socialistische bewegingen zich baan breken. Zij moet de oorzaken dezer verschijnselen in het oog vatten en er naar streven deze te overwinnen. Op één daarvan vestig ik de aandacht.
Het kan niet ontkend worden, dat er in breede kringen van het volk een sterker wordend gevoel van onzekerheid, een besef van onveiligheid, is wakker geroepen. Dat gevoel is geboren daaruit, dat de Regeering het beginsel, waarvan zij zegt bij dit wetsontwerp uit te gaan, niet genoegzaam heeft in acht genomen. De Regeering heeft zelf oogluikend toegestaan, dat er in den Staat andere machten opkwamen, die de Staatsmacht gebruiken wilden en dat openlijk verkondigden om eigen speciale belangen te dienen en niet bet geheele volk. Welke eigenaardige tonen hebben wij kunnen beluisteren uit de rijen dergenen, die als bedienaren der Overheid een vertrouwenstaak hebben moesten ! Zou men nu denken, dat het geen indruk maakt op de massa, als zij ziet, zooals het jarenlang gezien is, dat bij een staking werkwilligen niet worden beschermd, maar rechteloos gemaakt. De Staat heeft de roeping het recht te bestellen en is handhaven. Als hij dit nu nalaat, den schijn op zich laadt, dat hij zijn wezenlijke plichten niet durft vervullen, dan is daar een macht, die de Staat niet naast zich dulden mag. En hoe indolent de massa ook zijn kan, dit verschijnsel laat haar niet ongeroerd, schept een grond voor twijfel aan de zelfbewuste kracht der Overheid.
En nog sterker wordt deze, wanneer het volk opmerkt, hoe, om dan het woord uit dit wetsontwerp over te nemen, Regeeringsgebouwen op een nationalen feestdag op een „opzichtige" wijze zich onderscheiden door de nationale vlag niet te voeren of zelfs op zulk een tijd optochten te dulden met vele „opzichtige" roode revoluitionaire transparanten, begeleid met de luid uitgeschetterde internationale. Zou de Regeering denken, dat bet volk in broeden kring niet onder den indruk verkeert van het verval van onze parlementaire instellingen ? Het ziet de schadelijke gevolgen van de evenredige vertegenwoordiging met stemdwang. Het heeft jarenlang opgemerkt, dat regeeren de kunst scheen geworden aller wenschen te vervullen. Het is, voor wie nadenkt over het gebrek aan tucht, over het verdwijnen van den eerbied voor de gestelde machten, geen wonder, dat het besef van onveiligheid opkwam.
En nu wordt ons dit ontwerp voorgelegd, dat de vraag doet rijzen, of de Regeering zelf nu de vrees als raadgeefster heeft gekozen. Dit ontwerp zal nu onderdrukken bij pas opkomende bewegingen, wat men bij alle andere jarenlang heeft toegelaten. „Voor het oogenblik", zegt de Regeering. „is het gewenscht tegen iedere ordeverstoring op te treden". En dat zal geschieden door dit ontwerp met zijn „concrete norm”.
Het spijt mij, maar het ware concreter geweest dan maar met name te noemen wie bedoeld worden. „Opzichtig" is alleen zeer subjectief te onderscheiden. En het distinctievermogen van de rechterlijke macht schijnt zeer vaak weinig fijn ontwikkeld.
Blijkens hetgeen in de stukken werd meegedeeld, kan men het futielste ding, dat de menschen tot vermaak; , sieraad of als amlulet dragen, als uiting van poliltiek streven "strafbaar stellen. Met name bruine en zwarte hemden zullen opzichtig worden verklaard. Niet politieke hemdeloozen gaan vrijuit. Ik geloof niet, dat deze methode de juiste is. Er is geen behoefte aan zulk een wet, maar , aan vertrouwen in de Regeering. Het volk moet zich veilig voelen onder de schutse der Overheid. Als dit vertrouwen terugkeert, verdwijnen deze bewegingen. En indien dit niet terugkeert, zal dit ontwerp ze niet onderdrukken. Integendeel, het zal deze actie prikkelen, haar kracht sterken, omdat verboden vrucht nu eenmaal bekoort.
Mijn bezwaar is, dat dit wetsontwerp niet geeft wat vóór alles in dezen tijd noodig is. De Staat moet zijn souvereiniteit handhaven, niet door een politiek van regel op regel, verbod op verbod, met subtiele distincties, die gelegd worden in de handen eener rechterlijke macht. Ook deze toch ondergaat den invloed van den geest des tijds en mist de objectiviteit, die haar uitspraken het vertrouwen waarborgen kan. Naar mijn meening heeft de Regeering deze wet niet noodig. Noodig is alleen, dat zij waarlijk regeert, dat haar machtsorganen betrouwbaar zijn. En dan kan zij zeker zijn van den steun der groote meerderheid van ons volk, dat een stil en gerust leven begeert onder de schutse eener Overheid, dus zich, bewust haar roeping, recht en gerechtigheid handhaaft.
Ondanks zijne bezwaren, gaf prof. Visscher ten slotte toch zijn stem aan het ontwerp.
Ons volk zal den Antirevolutionairen afgevaardigde, die evenals alle andere sprekers slechts een kwartier toegemeten kreeg, dankbaar zijn voor zijn kloek getuigenis. Het was een knap stuk werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's