De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Genesis 4 : 20-22. En Ada baarde Jabal : deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden en vee hadden. En de naam zijns broeders was Jubal : deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen. En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, eenen leermeester van allen werker in koper en ijzer ; en de zuster van Tubal-Kaïn was Naëma.

2e Serie.
Uit het ongeschreven Woord.
XLIII.

Genesis 4 : 20—22. En Ada baarde Jabal : deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden en vee hadden. En de naam zijns broeders was Jubal : deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen. En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, eenen leermeester van allen werker in koper en ijzer ; en de zuster van Tubal-Kaïn was Naëma.
Zij, die van het Evangelie niet gediend zijn, de zoogenaamde vrijdenkers en de aanbidders van wat verlichting genoemd wordt, hebben de gewoonte de Kerk aansprakelijk 'te stellen voor veler gebrek aan verstandelijke ontwikkeling. Toch is geen beschuldiging meer ongegrond. Integendeel, de ervaring leert, dat juist het ongeloof de menschen tot bijgeloof brengt. Onze moderne, op hare verlichting prat gaande, wereld krijgt hoe langer hoe meer waarzeggers en wonderdoeners, zieners en profeten, welker dure advertenties de groote liberale bladen sieren. De auto's worden gezegend, zijn aangekleed met mascottes en de amuletten zijn tot elken prijs te koop.
Doch de ware Kerk des Heeren heeft zich te allen tijde tegen deze dwaasheden der wereld verzet en de Gereformeerde Kerk heeft in haar Avondmaalsformulier zelfs hen onder de tucht gesteld, die aan deze dingen geloof schenken.
Ditzelfde standpunt nu wordt door de openbaring Gods van den beginne ingenomen. Gods Heilige Geest maakt terstond, reeds in de allervroegste periode Gods geslacht los van den heidenschen natuurdienst en de goddelijke vereering der schepselen, zoodat het een geheel andere schepsel-waardeering en daarmede ook een geheel eigen geschiedbeschouwing deelachtig wordt. De geschiedenis wordt in het licht van Gods openbaring eene geschiedenis van menschen en niet van als goden gedachte heroën-figuren. Menschen zijn in Gods Woord dragers van de cultuur-ontwikkeling, ook al zijn deze menschen dan met groote geestesgaven toegerust, geniale persoonlijkheden, die, zooals men het tegenwoordig zeggen zou, den vooruitgang der wereld hebben gediend. De mythologie der volken, die zich in de hoogere spheeren gewoonlijk afspeelt onder als god-gedachte grootheden, vindt in Gods Woord geen plaats voor het hol van haar voet. Het licht van Gods Geest brengt de geschiedenis uit den hemel der heidenen naar de aarde der menschen en leert het proces der menschelijke beschaving zien als in de menschenwereld door menschen voltrokken. En deze menschen stelt het voor onze oogen, ook wanneer zij tot het uitverkoren geslacht van Gods genade-verbond niet behooren, als toch door Zijne voorzienigheid geleid en gedragen. Heel de menschheidsgeschiedenis verschijnt in hei licht van de doeleinden Gods, die Hij zal verwerkelijken, opdat het alles strekke tot de komst van zijn Koninkrijk. Ook de volkeren-wereld met haar streven naar cultuur, met haar strijd om licht over wat voor de menschelijke rede in het donker bleef verscholen, met hare worsteling om onderwerping van de krachten der natuur, is onder dit al niet buiten Gods bestuur. De profeten met name hebben deze geschiedbeschouwing gepredikt. Van de gansche godsdienstgeschiedenis der volken oordeelt Jesaja : „want de werkmeesters zijn uit de menschen". Van alle "mythologische poësie is hij vrij gemaakt, al leeft hij te midden eener wereld, waarin slechts het heidendom heerschappij voert. En dat ook de groote volken, waartegenover Jacob slechts een „wormpje" wordt genoemd, in Gods hand zijn en in de komst Van Gods Koninkrijk eene functie vervullen, kan daaruit blijken, dat diezelfde profeet getuigt van den Heere : „Ik heb Egypte, Moorenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uwe plaats”.
Diezelfde beschouwing treedt nu ook aan den dag reeds in deze alleroudste periode der geschiedenis. Er wordt ons in enkele groote lijnen het verloop der beschavingsgeschiedenis geteekend, zooals zij over Lamech's geslacht zich bewoog. Over Jabal liep de ontwikkelingslijn der veeteelt, over Jubal de daarmede samenhangende kunst, met name van de poësie en de muziek. En daarbij sluit zich nu een derde ontwikkelingsgang aan, die voor heel de cultureele levensontplooiing van het grootste gewicht is gebleken, namelijk het gebruik der metalen. Tubal-Kaïn wordt genoemd „een leermeester van allen werker in koper en ijzer". De Heere heeft van den beginne der menschheid de roeping opgelegd om de aarde te onderwerpen. In deze roeping is de cultuur-arbeid begrepen. En zooals het geheele leven van alle schepselen, is ook dat des menschen aan eene ontwikkeling, aan langzame ontplooiing onderworpen. Zoo verschijnt ook ons cultuurbezit als de vrucht van een ontwikkelingsreeks, die als met den ontwikkelingsgang, dien elk mensch in zijn leven doorloopt, parallel verschijnt. De techniek is de vrucht der menschelijke rede, waardoor de mensch in staat werd gesteld zich een steeds rijker wordend, maar ook steeds vernieuwend bezit van weten en kunnen te verwerven. Een der voornaamste factoren daarin is het vuur. Het was reeds een groote cultuuroverwinning, toen de eerste geslachten de kunst ontdekten vuur te ontsteken, doelbewust voor de eerste maal de vlam deden uitslaan. Ook deze vinding is vrucht geweest van menschelijken arbeid, waarbij hij naar het woord des profeten, van zijnen God werd geleerd.
Gewoonlijk wordt aangenomen, dat de kunst om vuur te ontsteken, geboren is uit de bearbeiding van hout en steen. Het boren in hout zou geleid hebben tot de uitvinding van de vuurboor, het gladmaken van het hout tot het wrijven van vuur, terwijl het snijden en zagen de vuurzaag liet ontdekken. Ook meent men, dat door het kloppen en stukslaan van steenen het vuursteenwerktuig werd gevonden. Naast deze voor alle verdere ontwikkeling der techniek noodzakelijke uitvinding van het vuur, zijn er nu in de geschiedenis der cultuur de drie lagen aan te wijzen, waardoor zich de ontwikkeling voortzet.
Men spreekt in de wetenschap daarom bij voorkeur van een drie-periodensysteem. Gedurende de eerste periode zou de mensch de metalen of niet hebben gekend, of niet bij machte geweest zijn deze te gebruiken. Toen behielp hij zich met andere materialen, namelijk: hout, hoorn, been en vooral steen. Wapens en werktuigen werden daarvan vervaardigd. Daarom spreekt men dan ook van de steen-cultuur, van het steen-tijdperk. Na deze periode kwam die van het brons, en ten laatste kwam dan het tijdperk van het ijzer, waarin wij leven. Langzamerhand, dit staat wel vast, heeft de menschheid geleerd op doeltreffende wijze daarvan gebruik te maken. De geweldige ontplooiing van heit technisch vermogen in onzen tijd leert, welke onuitputtelijke mogelijkheden daardoor ons geschonken werden.
Het is nu dit verloop der geschiedenis onzer cultuur, dat reeds in voorhistorische tijden zich afspeelt, dat hier wordt belicht, wanneer van Tubal-Kaïn wordt medegedeeld, dat hij een leermeester is van allen werker in koper en ijzer. Merkwaardig is ook hier weder de volgorde, waarin de Schrift het koper aan het ijzer laat voorafgaan. Naast het goud, dat hier niet genoemd wordt, omdat de Schrift hier alleen spreekt van die nuttige metalen, die op het economisch levensbehoud doelen, was het koper een der eerste metalen, die de mensch voor zijn gebruik heeft aangewend. De oorzaak daarvan is deze, dat het meestal in gedegen toestand voorkomt. Het is dan ook merkwaardig, dat het figuurlijk teeken, waaronder het op de Egyptische gedenkteekens voorkomt, een smeltkroes is. Egypte ontving het als een cijns van Aziatische volkeren. En bij tal van andere volken is in de volkstradities de herinnering bewaard aan het feit, dat voor alle andere metalen het koper in gebruik was. Zelfs uit de taal blijkt, dat bij alle Europeesch-Aziatische volken de namen voor het koper van zeer vroege tijden dateeren. Ja, men neemt zelfs op taalkundige gronden aan, dat het koper reeds bekend was bij de Indogermaansche volken, toen zij nog niet door volksverhuizingen uit elkander waren gegaan.
Toch ligt het voor de hand, dat het gebruik van het koper eerst langzaam een hoogere vlucht heeft genomen. En als men later het brons leerde kennen, dat een mengsel van tin en koper was, werd ook dit brons met het woord voor koper genoemd. Verschillende woorden voor koper en brons worden eerst aangetroffen in de talen der Sumerisch-Akkadische volken, dus van die volkeren, die in de vroegste tijden, waarvan de geschiedenis heugenis heeft, die landstreken bewoonden, waarin ons niet slechts de Schrift, maar ook de resten der Babylonisch-Assyrische beschaving verplaatsen. In de hymne, waarop ik reeds eerder heb gewezen, wordt ook de vuurgod Gibil bezongen, aan wien de menging van brons en tin werd toegeschreven.
En zoo is er ook daarin tusschen de cultuurhistorie en de Schrift van eene overeenstemming sprake, dat zij beide ons naar de landstreken terugwijzen, die als de oorspronkelijke haard der bronsfabricatie worden beschouwd. Zelfs is de Sumerisch-Akkadische naam voor brons in de Semitische talen overgegaan.
En nu wordt ons hier gezegd, dat Zilla's zoon Tubal-Kain en dus heel dit geslacht voor de invoering en de volmaking van dit metaal-gebruik van zeer groote beteekenis geweest is. Want ook dit is een merkwaardig verschijnsel, dat in die alleroudste samenleving de bedrijven niet als in de onze door individuen worden beoefend, die met elkander in meer of minder eng verband treden en door eene verdeeling van den arbeid een organisch geheel vormen, doch door geslachten, door groepen van families, die eene bepaalde bedrevenheid in die speciale vakken zich hebben verworven. Eene organisatie van den arbeid was er dus reeds van de allervroegste tijden, al bestond zij dan ook toen geheel anders dan in onze dagen. Destijds bleef zij aan de geslachten verbonden, die zich daarmede niet slechts groote rijkdommen, maar ook groote voorrechten wisten te verwerven. Het familiaal karakter der alleroudste samenleving bracht zulk een naar geslachten voltrokken arbeidsdeeling noodzakelijk met zich. De Schrift laat ons dit hier zeer duidelijk zien. Tubal-Kaïn, Zilla's zoon, is de naam voor zijne generatie, die ongetwijfeld een grooten en klinkenden naam had onder de volkeren dezer oude wereld, als wat wij zouden noemen fabrikanten van koper-en ijzerwerken.
Zoo laat dus Gods Woord van zeer vroege tijden af ons het licht opgaan over de geschiedenis der cultuur. Het geeft ons een blik op de alleroudste geschiedenis der menschelijke beschaving, op de wording van het eerste economisch leven. Het eigenaardige in die door Gods Heiligen Geest gewekte beschouwing is haar volstrekte reinheid van alle naturalistische belichting, haar zeldzame nuchterheid, hare, wij zouden bijkans kunnen zeggen, moderne wetenschappelijkheid, daar zij wat door de heugenis der oudste geslachten traditioneel werd overgedragen, in onderscheiding van hetgeen de Babylonische bronnen ons hebben overgeleverd, vrij is van alle mythologische verheerlijking.
Wel zijn ook volgens Gods Woord de geestelijke gaven aan den natuurlijken mensch gaven Gods, maar dan toch steeds gaven aan menschen, vruchten van Zijnen Geest, die niet alleen zaligmakende, maar ook natuurlijke gaven bereiden kan. Hij onderwijst de volken en doet alzoo niet met hen naar hunne zonden, ook al blijven zij Gode verantwoording schuldig. Want dit is opmerkenswaardig, dat aan het geslacht van Kaïn, den broedermoorder, deze weldaden werden bereid.
Zoo verschijnt ook dit oude proces van de ontwikkeling der economische cultuur reeds als een geweldige concurrentie-strijd, waarin de materialistische grondtrek van het menschenhart zijn triumfen viert. Daardoor staat het zoo rijk begaafde geslacht der Kaïnieten in tegenstelling met het geslacht van Habel en diens opvolger Seth, in v/ien het goddelijk zaad opnieuw ontkiemen zou, opdat de vrijmacht der verkiezende genade zou uitblinken te midden eener wereld, die in het booze ligt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's