VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 4 : 23 en 24. En Lamech zeide tot zijne vrouwen : Ada en Zilla ! hoort mijne stem ; gij vrouwen van Lamech ! neemt ter ooren mijne rede ! Voorwaar ik sloeg wel eenen man dood, om mijne wonde, en een jongeling lom mijne buile ! Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
XLIV.
2e Serie.
De levens-en wereldbeschouwing der menschen is niet zonder beteekenis Voor den levensgang zelven. De daden des menschen komen op uit het hart, worden door de levenswaardeerinig bepaald. Wie geen vreemdeling is in het leven onzes tijds, voor dien is het duidelijk, hoe de materialistische aandriften, die de Westersche volken bewegen, hoe de gansche oorlog en de revolutionaire en contrarevolutionaire gezindheden van dit moderne leven, ten laatste wortelen in de levens-en wereldbeschouwingen, die in den loop der laatste eeuwen zijn uitgedragen. Reeds uit de geweldige gevolgen, die de geestelijke ontwikkeling heeft voor staat en maatschappij, blijkt, hoe juist het is, dat onze belijdenis in art. 36 aan de Overheid ook eene taak heeft opgedragen met betrekking tot het geestelijk leven des volks, als zij zegt : „En haar ambt is niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkendienst, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelyk Hij in Zijn Woord gebiedt". Dat de overheid deze taak niet steeds op dezelfde wijze vervullen kan, ligt voor de hand, maar dat zij haar in het geheel niet vervult, zooals in de laatste eeuwen het geval was, voerde tenslotte tot eene zedelijke ontwrichting der maatschappij, voor welker gevolgen zij zelve met vreeze terugdeinst. Zoo ooit, dan blijkt in onze dagen, dat de algeheele verwording van het geestelijk leven een gevaar is geworden voor de handhaving van alle gezag, voor de instandhouding zelfs van onze cultureele goederen, zooals wij deze in den loop der eeuwen onder de levenwekkende inspiratie van den verrezen Christus hebben ontvangen. Zoo iets duidelijk is 'geworden, dan zeker wel, dat ook de geestelijke stroomingen, die door de ziel der volken bruisen, consequenties met zich voeren, waarvoor de Staatsmacht niet onverschillig kan blijven, omdat haar eigen bestaan daarmede gemoeid is. Aldus laat de Heere zelve in de geschiedenis van de dagen, waarin wij leven, ons de waarheid van Zijn Woord zien en bevestigt Hij ook hetgeen in onze belijdenis geschreven is. Niet straffeloos kan de mensch Gods Woord verwerpen, en ook zelfs de Overheid niet straffeloos de roeping verwaarloozen, waarmede zij geroepen is, om zich over te geven aan den waan eener valschelijk dusgenaamde wetenschap. Haar tuchteloosheid en onbandigheld, haar slapheid en zwakheid, geboren uit het besef eener valsche vrijheid, moet en zal zich wreken, want de Heere is de God Zijns Woords en geeft Zijne eere aan geen ander.
En deze zelfde in het leven zelf gegronde ordinantie eener noodzakelijke verbondenheid tusschen oorzaak en gevolg, die een ontwikkeling beteekent op geestelijk gebied, die voert van kwaad tot erger, wordt ons nu ook hier in Gods getuigenis geleerd als aan de menschen geopenbaard reeds in de allereerste eeuwen onzer geschiedenis. Lang voordat er nog eene Schrift was, heeft het uitverkoren geslacht Gods daarvoor reeds oogen gehad, omdat de Heere het openbaarde in het levenslot, waarvan Kain's zonen de dragers waren. De geest van Kaïn, die buiten het paradijs wilde leven als ware 't geen val, die hem er toe drong met een schijn van godsdienst een leven te leiden in werkelijkheid zonder God in de wereld, die hem stempelt tot het blijvend exempel van het practisch materialisme, dat de dwaas nastreeft, die in zijn hart zegt : „daar is geen God", die geest heeft hem en zijn geslacht gedreven tot een inspanning van alle krachten om zich den rijkdom eener cultuur te verwerven. Daarvan verwachtte hij al zijn geluk en daarmede werd hij juist teleurgesteld. De Schrift leert ons welke vreeselijke gevolgen, welk een diep verval, welk eene uitgieting van goddeloosheid uit deze stofvergoding opgekomen is. Wat bij Kaïn begon met een broedermoord, ontvouwde zich als een levende zondekiem, die in Lamech's zielstoestand tot een doodelijke, giftige plant is opgeschoten.
Het licht van Gods openbaring ging ons daarom op over de Cultureele en zedelijke ontwikkeling van Kain's geslacht, opdat alle eeuwen na dezen de menschheid in dit voorbeeld de manende stem zou beluisteren, die oproept tot hoogere idealen dan de materialistische aandriften verwezenlijken kunnen. Zij moest weten voor goed, dat niet slechts voor den enkeling, maar ook voor de volken de wijsheid van Salomo geldt : „armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels". Juist de miskenning daarvan ibracht voor de Kaïnieten eene zedelijke ontaarding, die in Lamech's wraaklied tot eene schrikwekkende uitbarsting komt. Want deze' door Oostersch poëtischen geest geïnspireerde zang wordt gedragen door geweldige bloeddorst en ongetemperden haat, geeft uiting aan eene roekelooze dweepzucht, die voor geene wandaad terugdeinst. Het was als de ode, waarin de oude Kaïn's-stam lucht geeft aan de zucht der bloedwraak, naar de uitleving van den hartstocht, die deze wildste stammen der woestijn beroerde en in deze poëtische vormen zich een traditioneel, van geslacht tot geslacht overgedragen wachtwoord schiep, dat allen tijdgenooten moest verkondigen, hoe vreeselijk de mensch door zijn zondeval is geworden. Het is de zuivere uitdrukking van datzelfde hart, dat de apostel Paulus onder het licht des Heiligen Geestes ons beschreven heeft als „een geopend graf", als een hart, dat de uitgang is tot het slangen venijn, dat gedragen wordt onder de lippen, dat vervloeking en bitterheid doet spreken en de voeten snel maakt om bloed te vergieten, zoodat overal vernieling en ellendigheid wordt gebracht. In Lamech's levenszang spreekt zich het ideaal uit, waardoor hij wordt bezield, geeft hij uiting aan den grondtoon van zijn levensgang. Het brute, niets ontziende egoïsme, dat in den zondeval beweegkracht is geworden in het menschelijk streven, verscheen in Kaïn's geslacht onmiddellijk nadat de mensch het paradijs verlaten had. Langzaam maar zeker ontplooide het zijne kracht door hem te drijven tot een strijd om den rijkdom dezer aarde te mogen genieten, alleen en met voorbijgang van alle anderen, desnoods ten koste van alle anderen. Het werd alzoo het onuitroeibaar beginsel van den strijd niet om te bestaan alleen, maar om te bestaan en te genieten zonder de rechten van anderen te erkennen. Het is het principe van den oorlog, dat alzoo in de menschenwereld ingedragen werd en dat in Lamech's lied ons openbaart, hoe het vuur van haat en bloeddorst zijn verschroeienden ademtocht uitzendt over de volkeren der wereld.
En wel kan men in onzen modernen tijd, nadat de gruwel van den oorlog ons geeselde en het bloed met stroomen werd geplengd en Lamech's wraaklied letterlijk in vervulling ging, hooren hoe een voos idealisme een eeuwigen vrede voorspiegelt aan de verdwaasde menschheid en zien, hoe groote bladen worden volgeschreven over eene onverstoorbare harmonie, die de wereld het geluk zal baren, waarnaar zij smacht. Aan 't zedelijk wezen der menschheid verandert dit echter niets. En al hoort men met een zekeren afschuw Lamech's bloeddorstig lied, het leven zelf der Westersche menschheid bestaat toch niet wezenlijk anders.
„En Lamech zeide tot zijne vrouwen : Ada en Zilla ! hoort mijne stem ; gij, vrouwen van Lamech ! neemt ter oore mijne rede ! Voorwaar ik sloeg wel eenen man dood, om mijne wonde, en eenen jongeling om mijne buile". Hierin is, om zoo te zeggen, de karakteristiek van den rijpen ontwikkelingsvorm, waartoe de Kaïnitische cultuur was gekomen ; van den hoogsten roem, waarop zij prat leerde gaan. Een grenzelooze wraakzucht werd de eere van Lamech's geslacht. De bloedwraak werd opgevoerd tot hare uiterste consequentie. Moord op een der leden van den stam werd gewroken met bloed in denzelfden stam, welks eerste vader voor alle eeuwen gebrandmerkt staat als de man, die het eerst bewees, door den moord op zijnen broeder, hoe fel Gods uitverkoren geslacht wordt gehaat en de vijandschap der wereld zich toespitst tegen de ware kinderen Gods. Bloeddorst typeert de cultuur, die met het natuurlijk oog gezien, zooveel heeft, dat de wereld bekoort. En deze bloeddorst staat niet op zichzelf, is niet slechts een loot van den haat, dien de menschen kunnen koesteren jegens hunnen naaste, maar hing ook onmiddellijk saam met het wezen van dit materialisme zelf. Deze cultureele aspiraties waren op hare beurt de vrucht van eene wereldbeschouwing en eene levenswaardeering, die gespeend was aan het eeuwige licht, dat opgegaan was in Adams geslacht en waarvan Habel de digger werd. Het was dit materialisme, dat de vijandschap voedde, dat het zelfbesef prikkelde en drong tot wat men in onzen tijd eene gewetenlooze concurrentie zou kunnen noemen, die voor geene zedelijke wetten staat en met voorbijzien van alle goddelijk en menschelijk recht alleen maar vraagt naar het doel, dat alle middelen heiligt.
Zoo verschijnt Lamech in dit vreeselijk lied, dat het ons verkondigt, hoe de kleinste wonde, de onbeduidendste striem, de geringste beleediging voor Lamech's stam eene aanleiding was tot de oefening der bloedwraak, die niet slechts hem treffen moest, die het leed had berokkend, maar zich uitstrekte over geheele stammen en geslachten. Mededoogenloos zou Lamech woeden tegen groot en klein, want mannen en vrouwen, grijsaards en zuigelingen, moesten vallen als een offer aan die wraak. Deze wraak zou volkomen zijn. Had de Heere van Kaïn gezegd, dat zevenvoudig gewroken zou worden al wie hem doodsloeg, Lamech voerde dit op tot wat wij zouden noemen, eene absolute wrake, die onbegrensd en onbeperkt zou woeden, totdat de laatste spruite van het hem tegenstaand geslacht zou zijn uitgeroeid. Zeventigmaal zevenmaal zou Lamech's wrake zijn.
Zoo laat ons nu Gods openbaring zien, hoe eeuwen voordat de Schrift gegeven was, in de alleroudste geslachten der menschheid de zonde haar verwoestend werk heeft verricht. De naar Gods beeld geschapen mensch, drager van de edelste gaven der rede, wordt zedelijk bewogen door de krachten, die verwekt worden in de hel. Zooals naar het woord van Jacobus, de tong een vuur is, eene wereld van ongerechtigheid, die het gansche lichaam besmet, het rad onzer geboorte ontsteekt en ontstoken wordt in de hel, zoo was ook Kain's geest. Zijn geslacht was de schepper eener rijke cultuur, moet wel, daar de alleroudste traditie, ons door de Schrift bewaard, bijzonderlijk hem vermeldt, bewonderd en gevreesd zijn geweest in deze oudste menschenwereld. Met eerbied en ontzag, met vreeze en beven stonden andere geslachten tegenover de Kaïnieten, Deze waren benijd en gevreesd, want allen kenden de wraakzucht en den moed, de kracht en de vermetelheid, die hun eigen was. En alzoo openbaarde Gods Heilige Geest aan Gods kinderen reeds terstond, hoe diep en onoverbrugbaar de tegenstelling is tusschen de wereld en het volk, dat van Gods geslacht is. Lamech's vreeselijke zang werd wezenlijk de sprake der door onze menschelijke geschiedenis gaande aandrift van hebzucht en wraakzucht, die de Heere Jezus typeerde in het woord der ouden : „Oog om oog en tand om tand". Dit was het devies, door Lamech geschreven in het wapen zijns geslachts, opdat de menschheid van alle eeuwen het zou kennen, vreezen en roemen als het geslacht, dat, onoverwinlijk in den strijd, voor geene bloedstortingen zou terug deinzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's