FINANCIËN
’t Is enkele maanden geleden, dat ik een schrijven ontving van een onzer vrienden, die met meer dan gewone belangstelling den gang van onzen Bond volgt en wekelijks onze rubriek nagaat. In dit schrijven trof me den gezonden, Schriftuurlijken kijk op de dingen. Noode kan ik de verleiding weerstaan hieruit een en ander weer te geven.
„De gansche geschiedenis van Gods volk door vinden we twee dingen steeds samengaan" — zoo schreef hij — „en deze zijn : zuchten en uitredding. Zoo zal het zeker ieder onzer gaan, zal 't eenmaal vrede zijn. Zoo ook kunnen we m.i. den toestand onzer fondsen en voornamelijk het Studiefonds bezien. Want zooals het nu gaat, komt dit fonds in nood. Daarom ligt het m.i. in den weg van allen, die de Gereformeerde prediking in onze Kerk liefhebben, persoonlijk den nood van deze fondsen Gode voor te leggen en Hem af te smeeken, dat Hij bovenal in deze moeilijke tijden, deze bron, waaruit zoovele jonge mannen hun steun tot opleiding van predikant ontvangen, in genade wil gedenken en vele harten openen tot milde gaven.
Doch ook die jonge mannen moeten zelf dien nood gevoelen en er voor op de knieën komen, wetende, dat zij in hun studie alle hulp alleen van de Bron des levens hebben te verwachten. Dan kan en zal er uit den nood een dageraad geboren worden, ook voor deze fondsen, zoodat deze nimmer zullen uitdrogen. En wanneer onze Penningmeester zóó zijn werk gesteund weet, zal ook hij de waarheid van Psalm 81 ondervinden.
Zulke woorden geven precies weer, wat er ook in mijn hart leeft. De weg, waarlangs God Zijn zegeningen ons doet toekomen, blijkt telkens met moeilijkheden geplaveid. Zoo is het immer geweest. Laat ter illustratie hiervan een enkel voorbeeld u worden bijgebracht. In het overzicht van verleden week heb ik met een enkel woord hierop reeds gezinspeeld.
Verleden Dinsdagmorgen — dat is nu al weer een week geleden — zat ik met mijn lijst van namen, waarachter posten prijkten, die uitbetaald moesten worden op den eerstkomenden Vrijdag, voor mij. 'k Had het geheel der toenmaals voor mij beschikbare gelden er naast liggen. Doch hoé ik 't ook schikte en plooide, er was en bleef een tekort van meer dan duizend gulden.
Hoe ik er mee aan moest, was me op dit oogenblik niet helder. Ge begrijpt, 't was een dier donkere momenten, waarin menschelijke hulp gaat ontbreken, 'k Liet de pen rusten en liep naar het venster. En nauwelijks stond ik daar, of er springt een jongmensch van zijn fiets, waarbij ik dadelijk opmerkte : deze komt van de post met een telegram of een aangeteekenden brief. Het laatste bleek het geval te zijn.
Een brief van den Notaris, met wien ik telkens zaken doe als Penningmeester van den Bond, werd me overhandigd.
Weet ge wat er inzat ?
Twee briefjes van duizend gulden.
Heerlijk — zegt ge. Zóó waren ook mijne woorden. Net op tijd ; het meest geschikte moment om er Gods hand in te zien. Ik zat in nood. 'k Moest geld hebben om te kunnen betalen.
Zóó legde ik ze ook naast elkander.
God, Die helpt in nood, Is in Zion groot.
Zoo luidt de psalmregel.
’k Had het voor den zooveelsten keer ervaren : mijn werk kon weer voortgaan.
Nu komt natuurlijk de critiek om den hoek kijken en deze fluistert : „Zijt ge daar mee nu geheel geholpen ? Was dit niet een verplichte aflossing van geld, door u zelf voorgeschoten op 'n verleende hypotheek ? ”
’t Antwoord luidt: zeer zeker, 't Was geen gift, waardoor ik beter kon worden. Juist omgekeerd : wanneer een verplichte aflossing wegvloeit in ww kas om daarmede anderen te kunnen betalen, wordt uw kapitaal kleiner en uw fondsen dus armer. Doch niettemin zag ik — en zoo zie ik 't nog — in het binnenkomen van deze gelden Gods hand. Op dat oogenblik was het een verhooring. 'k Wil er zelf een vraag aan verbinden : Zou het tot de onmogelijkheden behooren, dat deze tijdelijke achteruitgang weer door een nieuwe daad Gods wordt omgezet in het tegenovergestelde ? Zou Hij, Die helpt in nood, niet één of meerdere harten kunnen neigen om mij over deze moeilijkheid heen te helpen niet alleen, doch inplaats hiervan een vooruitgang geven te boeken ? Daar staat toch in Zijn Woord — en dat liegt niet — dat het goud en zilver Zijne is ?
Alleen, wij hebben het in Zijne hand te leggen, afwachtend het moment, waarop Hij het in onze hand uittelt. Hij leere het ons meer en meer, in den geloove ons heele hebben en zijn in Zijne hand te geven. Het onze te verliezen aan den Heere is de eeuwige blijvende winst. Waar wij ons vertrouwen op stellen, blijkt wankel. Is onze verwachting op den Heere, zoo is de uitkomst beschamend voor ons, Gode alleen verheerlijkend. Hij maakt het wél, geheel wèl.
Hierbij sluiten we onze inleiding.
1. De eerste gift kwam al weer uit eigen gemeente. Uit den kerkezak van de Buurkerk ƒ 1-
2. Uit Maarssen kwam ook uit den kerkezak „ l..,
3. Door ds. Van Dorp te Den Haag van N.N. 1 gld. voor de fondsen ; van N.N. 1 gld. voor den Gereformeerden Bond. Samen „ 2, - -
4. Van den heer S. alhier een bijdrage voor het Studiefonds „ 5, _
5. Van den heer H. K. te Wilsum de opbrengst van verkochte boeken , , 5.„
6. Van den heer C. M. te Weesp , , 5, Aan uw schrijven wordt de noodige aandacht gegeven. Wij stellen uw medeleven op prijs.
7. Door den heer M. V. te Zaamslag ontving ik voor 't Studiefonds 5 gld., voor het Leerstoelfonds 2.50 gld. en voor de Evang. Comm. 2.50 gld. Samen „ 10.-.
8. Een onzer oud-alumni zond me „ 100.-,
Deze stortte hij terug in onze kas van de indertijd door hem genoten studiegelden.
’k Stel dit meer dan iets anders, op hoogen prijs. Vaker dan eens wordt mij de vraag gedaan, of er ook terugstortingen plaats hebben. Zie, daarop geven posten, als hierboven staan geboekt, het meest duidelijke antwoord. Wanneer zij, door God daartoe in staat gesteld dit te kunnen, doen, is het de aangewezen weg hun dank aan den Bond op deze wijze kenbaar te maken. Wij stellen daarom dezen post op hooge waarde.
9. De heer Fortuin, onze Uitgever, zond me het overschot van betaling van boeken, aan hem gedaan door den heer L. v. G. te Colijnsplaat. En wel op uitdrukkelijk verzoek van bovengenoemden vriend. „ 1.22
Wij zeggen hem allerhartelijkst dank.
10. Door ds. De Geus te De Bilt kreeg ik een gift van een catechisant uit zijn gemeente, n.l. „ 2.-'k Hoop, dat dit voorbeeld door velen mag worden gevolgd.
11. Van den Kerkeraad te Driesum werd me toegezonden de som van „ 16.-'k Vermoed dat dit een collecte is, aldaar gehouden. Ook wel mijn welgemeenden dank voor deze blijken van medeleven.
12. Vanuit Amersfoort werden mij de contributiegelden ter hand gesteld, n.l. „61.25
13. Vanuit Zeist en omstreken kreeg ik f94.40 plus f25.—. Samen „119.40
14. Vanuit Soest gewerd me de contributie „ 36.25 Is dit niet prachtig ? Wij kunnen deze posten niet genoeg waardeeren. De inzamelaars en niet minder de gevers onzen hartelijken dank.
15. Voor het Studiefonds zond de heer J. C. P. te Weesp me „ 2.59
16. Het bekende busje van den heer C. Bardelmeijer te Zegveld bracht op deze maand „ 3.03
17. Door ds. Bartlema te Zeist kreeg ik van v. G. E. f 1.— ; van N.N. f 2.50 ; van R. Czn. f 5.—; uit het busje van G. A. f 1.—; van F. f 1.—. Samen „ 1O.50
18. Van mej. W. W. te Willemstad voor het Studiefonds „ 2.5(1 Opgeteld zijn onze inkomsten van deze week
f 383.68
Dank wetende aan den Gever van dit alles, bevelen we onzen arbeid Zijne genade.
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's