De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

DE GEZANGENKWESTIE. (8)
Op blz. 28 geeft prof. Severijn dan nog enkele overzichtelijke opmerkingen, nadat hij betoogd heeft, dat het geenszins het standpunt der Vaderen is geweest „dat er in de gemeente van Christus geen gezangen mogen worden gezongen”.
Hij schrijft dan :
„Overzien we ten slotte de gegevens en argumenten, die bij de beoordeeling der gezangenkwestie aan de orde komen, dan blijkt, dat inderdaad drie groepen van kerkliederen door de geschiedenis worden aangewezen : 1 de Psalmen ; 2. Schriftuurlijke lofgezangen ; 3. vrije geestelijke liederen”.
Dat de Psalmen gebruikt worden — spreekt vanzelf (hoewel de berijming lang niet altijd 't zelfde is als hetgeen woordelijk in den Bijbel staat).
„Wat de Schriftuurlijke lofzangen aangaat, wij hebben er op gewezen, dat de Gereformeerde Vaderen enkele lofzangen hebben opgenomen bij den psalmbundel. En het spreekt voor zichzelf, dat zij geen bezwaar konden hebben tegen een lofzang, welke in de Schrift wordt gevonden”.
Daarbij wilden zij niet elk lied uit den Bijbel hebben, omdat er natuurlijk niet bijzondere gebeurtenissen (b.v. het lied van Debora) maar andere geestelijlce zaken aan de orde zijn in de Gemeente (b.v. lofzang van Zacharias, Maria, Simeon). „Het centrale en gemeenschappelijke in den Dienst des Woords moest op den voorgrond staan en zoo laat zich verstaan, dat de lofzang van Zacharias b.v. werd aangegrepen, welke op zoo schoone wijze de vervulling der belofte in den Christus bezingt", zegt prof. Severijn (blz. 30).
We kunnen dus begrijpen wanneer gezegd wordt, dat er tegen Schriftuurlijke liederen in de N. Testamentische Kerk geen bezwaar is.
Maar we kunnen niet begrijpen, dat door prof. Severijn dan tegelijk gezegd wordt : „van een opzettelijke uitbreiding der liturgie, zelfs door het Schriftuurlijke lied, kunnen wij geen heil verwachten" (blz. 30). En nog minder kunnen we dan begrijpen, als onmiddellijk daarna dan gezegd wordt (en nu van het vrije lied) „dat het vrije lied in de Kerk feitelijk niet anders kan zijn dan belijdenis, dus uiting van het geloofsleven — en zou men zoo iets wenschen, dan ware dat te doen”.
„Men zou een keur van geloofsliederen kunnen verzamelen en, geordend naar de hoofdstukken der leer, voor liturgisch gebruik kunnen bestemmen". „Mits dit alles naar eisch werd betracht, zou daartegen weinig bezwaar kunnen worden gemaakt”.
De logica ontgaat ons hierbij een weinig. Maar wat gezegd wordt is overigens toch weer duidelijk genoeg voor ons doel. „Het ware te doen" ; en „er zou daartegen weinig bezwaar kunnen worden gemaakt", staat er ten opzichte van het vrije, christelijke, schriftuurlijke lied in de liturgie. En dat is duidelijk genoeg.
Het staat dus niet zóó „dat de Kerk geen gezang zou mogen toelaten. Zóó staat de zaak niet en zóó hebben de Gereformeerde vaderen het ook niet gesteld. Maar de Kerk kan niet ieder gezang toelaten. Het moet het getuigenis van het leven van Christus' gemeente dragen en dus lied der Kerk kunnen zijn en die waardigheid bewijzen. Bovendien moet het naar orde en recht door de Kerk als zoodanig worden aangenomen. Persoonlijke gevoelens en individueele voorkeur komen hier niet in aanmerking. Het is een zaak der Kerk", (blz. 31—32).
„Daarom gaat ons principieel bezwaar", aldus ten slotte prof. Severijn, „niet tegen een gezang in de Kerk, maar tegen de gezangen welke zij invoerde". „Tegen de onzuiverheid van leer, welke de Kerk door de gezangenbundels bevordert, gaat ons rechtmatig bezwaar en wij moeten daartegen protesteeren. De gezangenkwestie is ten nauwste aan den eisch der belijdenis verbonden”.
Wij zijn prof. Severijn ten zeerste dankbaar voor het boekje dat hij ons over „De Gezangenkwestie" gegeven heeft. Wij hebben de hoofdlijnen van de redeneering gevolgd. Wij hebben de hoofd trekken van het betoog weergegeven. Alle bij-paden hebben we links laten liggen. Alle neven-redeneeringen zijn we voorbij gegaan, 't Was ons om de hoofdgedachte te doen. En ieder die het boekje met ernst en aandacht leest zal gemakkelijk het principieel redeneeren weten te onderscheiden van het redeneeren dat op practische gronden of historische bijzonderheden is gebaseerd.
Mogen we enkele gedachten nog even in de herinnering terug roepen ? Prof. Severijn zegt o.a. :
„Het al of niet zingen van een gezang wordt „zelfs" tot een kenmerk gemaakt!
„Laat men liever de beginselen, de motieven, ook in de Gezangen-kwestie, naspeuren”.
„Laat men het Schriftuurlijke, het vrije, geestelijke Nieuw-Testamentische lied weten te waardeeren.
Laat men het gevoelen van onze Gereformeerde Vaderen en het gevoelen der Christelijke Kerk van alle eeuwen en alle landen geen geweld aandoen.
Alleen wake men, dat de vrijheid geen losbandigheid worde.
Ook ons lied wortele in de Schrift, in Christus Jezus Zelf.
„In zooverre zij naar Schrift en belijdenis zijn, kan dat geen kwaad”.
„Men meene niet, dat men op het standpunt der Vaderen kan zeggen, dat er in de gemeente van Christus geen gezangen mogen worden gezongen. De Vaderen hebben dat nooit beweerd”.
„Maar de Kerk kan niet ieder gezang toelaten”.
Ons lied zij naar Schrift en belijdenis.
Ons lied zij een lied des geloofs, dat leven mag uit Jezus Christus, onzen Heere !

ONZE ACTIE IN ZEELAND, UTRECHT EN FRIESLAND.
Het is toch wel goed, dat we eens ter schele gaan bij anderen.
Een mensch is nooit te oud om te leeren en hij moet ook niet te trotsch zijn om z'n fouten en z'n gebreken te zien en te erkennen, om ze dan te verbeteren, natuurlijk.
Wij hebben gezien, dat het aantal Afdeelingen bij de Vrijz. Hervormden (konden we nu ook maar zeggen èn bij den Geref. Bond !) lang niet voor de poes is.
Gelderland gaf een lange lijst van afdeelingen met een groot, zéér groot aantal leden (is dat ten opzichte van onzen Gereformeerden Bond in orde ? ) en Zuid-Holland en Noord-Holland kunnen er ook zijn (ook bij óns ? ) !
Nu gaan we naar Zeeland, om daar onze nieuwsgierigheid te bevredigen. En dan lezen we in 't Jaarboek van de Vrijz. Hervormden, dat er afdeelingen zijn in : Aardenburg, 32 ; Brouwershaven, 85 ; Goes 91, Middelburg 527, Renesse 69, Vlissingen 130, Zierikzee 146. In totaal een achttal afdeelingen. Niet zoo héél veel gelukkig. Zeeland is niet „modern". Maar juist omdat Zeeland niet modern is, moesten wij er een groot aantal afdeelingen, althans een groot aantal leden hebben. We hebben Arnemuiden, Vlissingen, Middelburg en Wie volgt ? Het achttal is er nog lang niet. Wie wil hier een handje helpen ? Als we maar werken willen, dan is er wel wat te halen ! „Worstelen en boven komen" moesten onze Gereformeerde menschen in Zeeland eens toepassen. Wat zou onze Gereformeerde Bond er heerlijk profijt van kunnen trekken !
Na Zeeland volgt Utrecht.
Dat is niet het succes-nummer voor de Vrijzinnig Hervormden ! In de provincie Utrecht zijn maar 3 Afdeelingen : Amersfoort 449, Utrecht 240, Zeist 64 leden. Niet veel dus ; maar toch nog véél te véél, naar ons oordeel.
Als men in Utrecht wilde, dan konden onze Gereformeerde menschen dat drietal Afdeelingen met saam 753 leden, met gemak overtroeven ; 3 kon wel 10 worden en 753 kon wel 1500 worden !
Laat men spoedig het bewijs maar eens leveren in stad en provincie Utrecht! Wij zullen er ons hartelijk over verblijden ! Zal de wintercampagne 1933—'34 onzen Gereformeerden Bond er „in" brengen bij onze menschen ? We hopen het.
We zetten koers naar Friesland. Daar tiert 't Vrijzinnig Protestantisme. Wonderlijke combinatie van Socialisme en Vrijzinnig Hervormde beweging en onkerkelijkheid. Maar de Afdeelingen van de Vrijzinnig Hervormde Vereeniging groeien er als kool en rijzen als paddestoelen uit den grond. Men schaamt zich blijkbaar niet in Friesland om zich Vrijzinnig, modern, te noemen en men is er niet te traag om vereenigingen en Afdeelingen op te richten. Wij tellen althans in het Jaarboek der Vrijzinnig Hervormden niet minder dan 32 Afdeelingen, terwijl 51 Ned Hervormde Gemeenten bij de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden in Friesland zijn aangesloten !
Kolossaal, wat een getal !
Misschien zegt iemand, dat het voorbeeld van onze tegenstanders nog maar niet dadelijk op 't hoogst wil aanslaan, dat het betrekkelijk gemakkelijk is om hier en daar een Afdeeling op te richten (waarom doet men het dan bij „onze" menschen niet ? ), maar dat het in Friesland misschien Afdeelingen zijn, zoowat zonder leden.
Maar dan kent men de Friezen niet ! Want er zijn niet minder dan 4090 Afdeelingsleden (en dan nog 371 verspreide leden, totaal 4461).
Misschien zegt iemand : „Ja, maar misschien zijn het toch over 't algemeen Afdeelingen, die aan bloedarmoede lijden, terwijl er dan hier en daar een paar zijn, die het goed moéten maken”.
Welnu, laat ons dan maar dadelijk zeggen, dat wij met die „kleine" Afdeelingen van Friesland dubbel en dwars tevreê zouden zijn, als ze behoorden tot den Gereformeerden Bond !! Want luister maar eens : Achlum 68, Akkrum 55, Anjum 38, Beetsterzwaag 130, Birdaard 49, Boelenslaan 12, Boyl 24, Drachten 204, Dronrijp 72, Ferwerd 67, Heerenveen 115, Huizum 263, Jubbega 40, Leeuwarden 1259, Menaldum 126, Minnertsga 66, Morra 60, Oostermeer 50, Oudeen Nijehcrne (v/ie kent deze gemeente niet ? !) 76, Rottevalle 28, Sneek 625, Tzum 29, Ureterp 66, Wolvega 90, Wommels 137, Wijnjeterp 73, Zwartewegsend 104 enz.
Ons dunkt, dat onze Gereformeerde dominees in Friesland watertanden en dat ze niet rusten vóór er in Friesland georganiseerd is wat maar eenigszins mogelijk is.
Neen, Friesland schaamt zich niet om voor het beginsel uit te komen. Als 't nu maar een goed beginsel is.
Mogen wij onzen Gereformeerden Bond met al z'n kostelijken arbeid nog eens héél hartelijk aanbevelen aan onze Friesche vrienden ? Predikanten, Kerkeraden, Kerkvoogdijen, gemeenteleden, allen saam hebben te bedenken, dat er groote, belangrijke dingen op 't spel staan voor Kerk en Volk.
En onze tegenstanders schamen zich niet en weten de waarde van het zich organiseeren !
Gereformeerd Friesland : Vooruit!!

GOD EN ONZE ZIEKEN.
We weten, dat er wel menschen zijn, die zeggen : ziekte bestaat niet; ziekte is niet iets wezenlijks, niet iets dat is ; ziekte is verbeelding, suggestie. En daarom moet men de menschen, die zich ziek wanen, tegemoet komen met de mededeeling en verzekering, dat ziekte iets on-wezenlijks is ; en als de zieken zich niet langer ziek voelen, dan zullen ze gezond zijn. Ziekte mag in ons menschenleven niet bestaan ; ziekte en mensch-leven hoort niet bij elkaar — zegt men dan.
De Christian Science gaat dien kant uit: ziekte is verbeelding; en een Christen moet beter weten ! Een Christen moet de ziekte afschudden, dan zal een Christen niet ziek, maar gezond zijn.
Daarover willen we het nu niet hebben. Maar wèl hierover, dat er Christenen zijn, die leeren, dat God de ziekte niet wil; God wil de afbraak van 't menschenleven niet; God is de God van leven en Hij werkt niet den dood. En alle machten — ook de ziekte — die het leven belagen en schaden en afbreken willen, moeten in Gods Naam bestreden en verwijderd worden. „Weg ziekten, weg kwalen !" moet in 's Heeren Naam worden geroepen, want God, de levende God, breekt het leven niet af, maar bouwt het leven op. Dat moet de geloofshording zijn van een kind Gods.
In een hoofdartikel in , .Woord en Geest" schrijft ds. Smelik, pred. bij de Gereform. Kerk in Hersteld Verband te Rotterdam : , De levende God schept en onderhoudt het leven. Hij kan niet anders Het behoort bij Zijn Wezen leven te wekken en te doen voortbestaan. Alle afbraak van het leven in tegen Zijn bedoeling. En waar Hij Zijn macht openbaart, wordt strijd aangebonden tegen de machten der duisternis. Het dringt hen terug. Hij betwist aan hen hun prooi”.
Deze, voor ons wondere en vreemde en onaannemelijke redeneering wordt dan met voorbeelden uit Oud-en Nieuw Testament duidelijk gemaakt. God wil den dood van Zijn gunstgenooten niet (Psalm 116 : 5). Hij laat zóó maar niet toe, dat Zijn kind ziek wordt en sterft! „Uit de banden des doods" (Psalm 116 vers 3) wil God Zijn kinderen uittrekken ; Hij wil ze aan het doodenrijk betwisten. „Ik ben de Heere, uw Heelmeester" (Ex. 15 vers 26) mag dan ook niet — schrijft ds. Smelik — geheel „vergeestelijkt" worden ; want de Heere zegt in Exodus 15 „....zoo zal Ik geene van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb". „En de krankheden van Egypte waren toch niet van geestelijken aard !”
Ook het Nieuwe Testament gaat — zegt ds. Smelik — van de tegenstelling uit tusschen God, als oorzaak van leven en levensbehoud, en den Booze als vernieler. En het leven van Jezus zou dan ook één protest zijn tegen het rijk des duivels — ook één aanval en protest tegen de ziekten. En Hij verwijt Zijn discipelen, wanneer zij bij dien aanval onmachtig zijn. — Zonde en ziekte zijn voor Jezus realiteiten, die Hij niet wil en waartegen Hij strijdt met alles wat in Hem is ; „lijf aan lijf worstelt Hij er mee". Hij geeft dan ook den jongeling van Naïn „terug aan zijn moeder"; die jongeling hoort niet aan ziekte en dood, maar aan z'n moeder ! „Het prediken van het Koninkrijk Gods en het gezond maken van zieken hoorde voor Hem Zelf bijeen". „Waar de hemel heerscht, kan de Satan niet heerschen" (Dan. 4 vers 26). „Wie in Christus gelooft, protesteert tegen elke overheersching der sloopende machten, die heerschen als bandieten te midden van den geordenden staat". „Wanneer wij sterker in het geloof zouden staan, zouden wij in de zekerheid van den Psalmdichter zeggen : „Gij zult niet toelaten dat uw Heilige de verderving zie" (Psalm 16 vers 10). „Het gebed des geloofs zal den zieke behouden" (Jac. 5 vers 15a). Dan zouden de ziekte, de dood op de vlucht slaan !
Tot zoover ds. Smelik.
Wanneer wij deze dingen zóó lezen (we weten niet of er nog meer artikelen wellicht over dit onderwerp a la Blumhardt zullen volgen van de hand van den schrijver) dan doet het ons zoo vreemd aan, omdat wij gewend zijn aan onzen Catechismus, die in Zondag 10 spreekt (voor den geloovige toch ? !) van „vruchtbare en onvruchtbare jaren, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede", hetwelk tegenstellingen zijn, maar dan toch waarlijk niet zonder meer eenerzij ds van God en anderzijds van den duivel, eenerzijds om er van te genieten en anderzijds om er „lijf aan lijf tegen te worstelen, als tegen den Booze zelf'. Want onze Catechismus zet boven dit alles (voor den geloovige toch? !) : „de Almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods", „des Heeren hand". Ja, spreekt van „onze getrouwe God en Vader" en van „Zijn Vaderlijke hand". Waarlijk niet om „als een kind des Koninkrijks ziekte en ongeval enz. als duivelsche boosheden uit te werpen", maar om „in allen tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar te zijn". (Bij tegenspoed staat, niet zonder oorzaak, „alle" tegenspoed, en dat uit Gods „Vaderlijke" hand). —
Ds. Smelik gelooft blijkbaar (als we ons niet vergissen althans) dat een geloovige zich vergrimmen moet tegen elke ziekte en elke ziekte (als hij een kind des Koninkrijks is) moet willen en moet kunnen uitbannen ; zooals de Heiland (wij zeggen „sommige" ; ds. Smelik zegt blijkbaar „alle") zieken genas en „alle" dooden opwekte enz.
Wij moeten eerlijk bekennen, dat we over deze o.i. overspannen, onevenwichtige, overgeestelijke beschouwing van ds. Smelik verbaasd hebben gestaan. Hij zegt — blijkbaar met minachting — dat de Christenen tegenwoordig niets anders zeggen dan, dat onze zieken er in berusten moeten en lijdzaamheid moeten leeren enz. Maar hij zelf zou blijkbaar willen, dat de geloovigen zich zullen „vergrimmen" tegen elke ziekte en elke zieke en ieder die sterft aan de macht des Boezen zullen gaan ontrukken, zeggende : „de Heere is uw Heelmeester ; en Hij zal niet toelaten dat Zijn kinderen de verderving zien". Hij wil blijkbaar de zieken aan de ziekte ontrukken en den doode aan het graf, om zieken en dooden terug te geven aan het leven, want daar hooren ze thuis en niet in het graf en in den dood !
Nog eens, wij hebben verbaasd gestaan over deze onnatuurlijke en overspannen beschouwing van een dominee. Of hij moet het heel anders bedoeld hebben, dan wij er in gelezen hebben.
Wij voelen ons bij Catech. Zondag 10 beter thuis, als 't gaat over de vragen : hoe staat God tegenover onze zieken ? en hoe hebben wij te staan tegenover onze zieken ? — dan bij hetgeen ds. Smelik schrijft.
Of we moeten hem verkeerd verstaan hebben

VAN BEDERF GESPROKEN.
Ds. Westmijse, Voorganger bij de Vereen, van Vrijzinnig Hervormden te Rotterdam, heeft met andere liberale heeren in een groote protest-meeting gesproken vóór het behoud van de Openbare School. De Openbare, neutrale Overheidsschool is de Christelijke School, met de maatschappelijke en de Christelijke deugden. De Openb. School heeft een „geheel eigene cultuur" en 't zou te betreuren zijn als de Openbare School het loodje moest leggen en zou gaan verdwijnen.
En nu is door niemand minder dan mr. Marchant, een Vrijzinnig Democraat, die nu Minister van Onderwijs is, „een aanslag op de Openbare School gepleegd". Daarover zijn de heeren van de linkerzijde boos. En och, ja, dat ze een weinig uit 't evenwicht slaan, is wel zoowat te begrijpen en te verklaren. Altijd no. 1 te zijn geweest en nu met anderen zoowat gelijk op te moeten deelen, nu, dat valt niet mee. En wat onwennig staat men nog tegenover den school strijd met het einde van tegenwoordig. De plaats aan het Bijzonder Onderwijs, met name aan de Christelijke School met den Bijbel, door den schoolstrijd verkregen tot op heden, gunt men aan „de Christelijken" niet.
Maar dat alles is nog zoowat te ver­klaren.
Doch nu gaat men schelden en lasteren, 't welk allesbehalve .mooi is voor een dominee, en nog wel een Vrijzinnig predikant, die altijd zoo verdraagzaam is en zoo hoog cultureel ontwikkeld heet, verre overtreffend de cultuur van „de Christelijken”.
Met name ds. Westmijse is op de vergadering te Rotterdam gaan schelden op rnr, Marchant en heeft zich niet ontzien het karakter van den Minister van Onderwijs op de meest ordinane en schunnige manier te bekladden. En dat deed hij, na in z'n inleiding gezegd te hebben, dat de politiek iemand bederft.
Van bederf gesproken — is het geen „bederf" in iemand, als hij als voorstander van het Openbaar Onderwijs, een bewindsman, die z'n plicht meent te moeten doen als Minister, op de volgende manier gaat teekenen in een „volksvergadering", waar „applaus" en „donderend applaus" aan de orde is ?
Ds. Westmijse sprak aldus over den Minister van Onderwijs :
Tragisch is het, dat mr. Marchant het moet wezen, die tot deze vergadering mede de aanleiding was.
Sommigen van U zien waarschijnlijk op 't oogehblik mr. Marchant in de karikatuur voor zich : staande voor den spiegel met het ministerspak aan, zich afvragende : Staat het me ?
Welnu, meneer de Minister : het staat U niet, de oude plunje uwer liefde voor de Openbare School komt overal nog te voorschijn.
Zou 't dan toch waar zijn, vragen we ons af, dat de politiek de karakters verlaagt ?
Er bestaat een Genootschap voor Zedelijke Volkspolitiek. Misschien is er voor dat genootschap een taak
„De Rotterdammer" schreef, dat het „schunnigheden" zijn, die ds. Westmijse heeft losgelaten aan het adres van den Minister.
Wij moeten het helaas ! met „De Rotterdammer" eens zijn !
Vooral dat „Genootschap voor Zedelijke Volkspolitiek" is schunnig.
Misschien dat er ook zoo'n soort Genootschap voor andere menschen is te fabriceeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's