VAN DEN WOORDE GODS
Genesis 4 : 25. En Adam bekende wederom zijne huisvrouw en zij baarde een zoon en zij noemde zijnen naam Seth ; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel, want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
2e Serie.
Uit het ongeschreven Woord.
XLVI.
Wanneer wij het leven dezer wereld aanzien en de vraag stellen naar het geestelijk karakter, dat het te aanschouwen geeft, dan is het geen wonder, dat Gods kind door een gevoel van eenzaamheid overvallen wordt. Er kunnen dagen komen, waarop zij Eiia kunnen verstaan, toen hij bad, dat zijne ziel stierve en zeide : „Het is genoeg, neem nu Heere ! mijne ziel, want ik ben niet beter dan mijne vaderen". Voor Gods ware volk is toch de wereld de plaats hunner vreemdelingschap, dewijl zij door het geloof inwoners zijn in het land der belofte. Gods Kerk is somtijds zoo klein en het gevoel kan zoo machtig worden, dat het leven der wereld er geheel aan voorbijgaat en dat zij te midden van deze wereld toch eigenlijk in het geheel niets te beteekenen Leeft. Zoo was het immers met Elia, toen zich zijn besef "van verlatenheid uitte in de klacht: „Ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God der heirscharen, want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe profeten met het zwaard gedood, en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijns ziel om die weg te nemen”.
In zulke tijden, waarin de Heere Zijne genadewerking inbindt en dus het aantal van Gods kinderen inkrimpt, zoodat er van liet werk des Geestes in de wereld nauwlijks meer iets te zien is, schuilt het volk weg naar den achtergrond des levens. Het schijnt er niet meer te zijn en zijne stem wordt nauwlijks meer vernomen. Zulke perioden der geschiedenis zijn niet zeldzaam. Zij schijnen elkander op te volgen, zooals de crisissen, die het leven der volken benauwen, de tijden van voorspoed opvolgen. En het merkwaardige is, dat naarmate er op het gebied des natuurlijken levens voorspoed heerscht, naar die mate ook het peil des geestelijken levens daalt. Zoo hebben wij het immers gezien in de eeuw, die achter ligt, hoe de wetenschap bloeide, hare veroveringen op ieder gebied elkander opvolgden, de techniek tot in het oneindige verfijnde, de productie eene ongekende weelde uitgoot over de massa, en hoe te midden dezer wereld de stroom van het ongeloof wassende was. De groote geestelijke stroomingen waren ontsprongen aan de bronnen, waaruit het heidendom van voorheen zijne cultuurkracht ontving en het kruis werd teruggedrongen naar den achtergrond, zoodat het slechts in eere bleef bij de kleinen en de nederigen, die in het leven der massa nauwlijks meer meetelden. En als er bij de inzinking der overheerschende machten eene herleving scheen te zijn, hoe bleek ook deze dan soms, als naar de waarachtige, levende kern des volks werd gevraagd, niet veel meer dan een schijn, zoodat Gods kinderen toch ook daaronder slechts voor een oogenblik de drijfkracht vormden, om weldra, na luttele jaren, weer terug te wijken naar de vergetelheid. Het leven der wereld groeit Gods Kerk telkenmale weder over het hoofd, zoodat het na eene pooze van verademing opnieuw wordt verdonkerd als het goud. Dezelfde eentonige afwisseling, waarvan het boek der Richteren spreekt, gaat door alle eeuwen voort. Het schijnt de eeuwige herhaling van Jeshurun, die vet wordt en achteruit slaat, om dan weer zijn oordeel te ontvangen in nieuwe achteruitzetting en nieuwe vernedering en terugdringing in dezelfde eenzaamheid, die Elia de klacht der verlatenheid ontperste.
De Heere onze God werkt Zijn werk op Voor ons verborgene wijze. Er geschiedt zooveel, waarvan wij moeten zeggen : wij zien het, maar doorgronden het niet. De gansche menschheidsgeschiedenis staat de eeuwen door in het teeken der verkiezende daden Gods. Zij maken scheiding, trekken een scheur door het wereldleven, splijten het op, zooals het weerlicht zich een weg baant door het donkere zwerk van den nachtelijken hemel. En over die wondere, mysterieuse verkiezende daden heeft Gods volk reeds een openbaringslicht zien opgaan in de alleroudste menschheidsgeschiedenis. De verkiezing heeft de Heere aan Zijn volk laten zien terstond na den val. Hare kennis ligt opgesloten in de moederbelofte en wordt nu terstond in de geschiedenis van Adams zonen tot rijker ontplooiing gebracht. Gods Kerk moet het van den aanvang weten, dat haar leven opkomt niet uit eigen wil en werk, maar slechts verklaard kan worden uit de vrijmacht van dien God, die Zijne kinderen leert bidden : „Gedenk mijner, o Heere ; naar het welbehagen tot uw volk, bezoek mij met uw heil, opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde met de blijdschap uws volks, opdat ik mij beroeme met uw erfdeel”.
Reeds eeuwen voordat er een Schrift is, en tientallen eeuwen voordat er eene theologie is, heeft Gods volk licht gehad over de verkiezende werking in de genadedaden Gods. Dat is daarom zóó, omdat de verkiezing niet in de eerste plaats een leerstuk is, maar een levensstuk. Zoo openbaart de Heere het voor het bewustzijn van Zijn volk van den beginne. Uit die verkiezende daad is het volk, komt aan dit volk ook toe het licht over de waarheid Gods, vloeit Gods Woord toe aan dit volk, wordt het leven onderhouden in dat volk, zoodat de geslachten aan elkander de eeuwig blijvende waarheid van Gods Woord overdragen, die op hare beurt weder een nieuwe levensbron wordt. De diepe ondergrond van de geschiedenis van Gods volk in den loop der eeuwen, van haar eerste begin tot haar einde, is Gods verkiezing in het werk der genade. Aan haar ligt alles onlosmakelijk verbonden. Alle geestelijke gave Gods, alle verbond Gods is nimmer kenbaar in Zijne werking buiten de verkiezing om. Op haar rust het al, in haar wortelt het al en zonder haar is er geen spoor des levens te ontdekken. En zoo zien wij haar dan ook optreden in de allereerste menschheid.
Het geslacht der Kaïnieten was wonderlijk begaafd, had eene wondere cultuurkracht, heeft aan de menschheid groote diensten bewezen, bracht haar tot een rijkdom des levens, waarin niet slechts het aardsche bestaan was gewaarborgd, maar waarin voorspoed en weelde het hart verblijdden. Het genot van de kunst en de genoegens, die zij baren kan, de poësie en de muziek, de dans en de vreugde, zij waren alle in Kaïn's geslacht opgebloeid op een wijze, die de wereld rondom verbaasde. Het materialisme vierde onder dit geslacht zijne triumphen en God de Heere was onder hen vergeten, al beteekent dit niet, dat zij niet alleszins godsdienstig waren. Ook Kaïn bracht zijn offer en zijn geslacht volgde hem daarin na. Doch de waarheid ontbrak er aan ; van den levenden God waren zij vervreemd. Het godsdienstig gevoel deed zich wel gelden, eischte zijne rechten op, doch het werd alles omgezet in het creatuurlijke en het hart bleef vreemd aan de wederbarende daden Gods, zoodat een Lamech door zijn wraaklied vertolkte, welke geesten hem bezielden. De wereld dezer dagen scheen voor goed en geheel van Gods kinderen beroofd. Het materialisme vierde zijne triumphen en de godvergetenheid overheerschte in de weeldevolle beschaving dier tijden. Adam en zijne vrouw waren de dragers des verbonds, maar de verbondsgenade is geen erfgoed, dat zonder meer van de vaderen overgaat op de kinderen. Zij is vastgelegd in de eeuwige verkiezing Gods. En zoo bleken reeds terstond Kaïn en Habel in hun diepsten levensgrond verscheiden. In Habel verschijnt de lijn van het verbond, waardoor hij voor de oogen van allen de drager was der genadegift Gods. En in tegenstelling met hem wordt ons Kaïn geteekend als de vreemdeling van de belofte des verbonds, schoon uit den zelfden vader geboren. En na Habel's heengaan was er slechts dit geslacht der Kaïnieten, dat allen verbaasde door wat het vermocht voort te brengen, maar ook allen met vreeze vervulde door zijne wraakzucht en overmoed. Het was een wereldsch geslacht, dat alleen leefde voor de wereld, zoodat Gods kinderen wel moesten denken, dat er voor hen geene toekomst weggelegd was, dat de geestelijke goederen, waarvan zij de dragers waren, wel door geene erfgenamen zouden worden bezeten.
Of Adam en Eva daaraan dan hebben gedacht ? De Schrift laat het ons duidelijk zien in de wijze, waarop zij ons de geboorte van Habel's opvolger verhaalt. Als hij geboren wordt, en den naam van Seth ontvangt, dan zegt zijne moeder : „Want God heeft mij een ander zaad gezet voor Kaïn". Zoo had zij niet kunnen spreken, indien Habel's dood niet als een geweldig verlies was gevoeld. Zoó smartelijk en zoó diep was zij door dien broedermoord getroffen, dat zij hij Seth's geboorte er aan herinnert. „Kaïn", zegt zij, „heeft hem dood geslagen". Dat was voor haar moederhart een smartelijk leed geweest. Er was een leegte in haar leven ingetreden, die haar eenzaam en verlaten deed overblijven te midden dezer wereld, want zij had in Habel het hoogere leven onderkend, dat Kaïn bleek te missen. Daarom voelde zij zich zooveel te meer tot Kaïn getrokken. Zij had hem niet alleen lief als haar kind, maar ook als Gods kind, als een kind, waarmede zij door geestelijke banden zich vereenigd had gevoeld. En daarom, toen hij op zoo vreeselijke wijze haar ontvallen was, waakte haar gebed op. De wijze, waarop zij na Seth's geboorte aan hare gevoelens uitdrukking geeft, is slechts verstaanbaar als de vrucht van een leven des gebeds, dat aan deze geboorte is voorafgegaan. Met God had zij geworsteld onder hare moederlijke smart, tot Hem had zij geroepen om de bevrijding uit hare eenzaamheid, om een anderen zoon, in wien hetzelfde leven bloeien zou, dat Habel's ziel vervuld had. Haar smachten was uitgegaan naar een anderen Habel. En ook bij haar was dat gebed de voorlooper geweest der genade. De Heere had gehoord naar het gebed Zijner dienstmaagd. Als een andere Hanna had zij hare ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren en had zij een kind ontvangen, waarvan ook Heva had kunnen zeggen : „ik heb hem van den Heere gebeden". Daarom noemde zij hem, gedachtig aan wat zij in Habel had verloren, „Seth". De beteekenis daarvan is dezen zoon te doen beschouwen als die in de plaats van Habel is geschonken. Seth zou voor Heva zijn „de plaatsvervanger" van Habel. Hij was haar van Godswege „als een ander zaad gezet voor Habel". En zoo wordt dus reeds met zijne geboorte aan Heva en ook aan Kaïn en zijn geslacht deze Seth voorgesteld als drager van een anderen geest, als een zoon der belofte.
En nu is het van belang in verband met de ontplooiing der Godsopenbaring, zooals deze in den loop der eeuwen verschijnt, dat reeds in de prille jeugd der menschheid haar het licht van God is opgegaan over de verkiezing, zooals zij aan de ziel van Gods kinderen wordt bekend gemaakt. Aan Heva wordt geopenbaard, dat deze zoon in Habel's plaats gegeven is en dat deze dus het eeuwig zaad van Gods genade in zich droeg. Heva's oog werd ontdekt voor die verkiezende werking Gods, die in haar geslacht reeds terstond de diepe scheidingslijn had getrokken. En niet alleen Heva heeft die genadewerking onderkend, maar allen, zelfs de Kaïnieten hebben daarvan ontdekt. Indien deze Seth niet was verschenen als een lichtende geestelijke figuur, dan zou de traditie der eeuwen, voordat er van een geschreven Woord sprake kon zijn, de herinnering aan dezen „plaatsvervanger" Habels niet hebben bewaard. Deze Seth verschijnt in de heilige geschiedenis als het tegenbeeld van een Kaïn en een Lamech, als een Godsman, die een licht was, schijnende in een duistere plaats, als de drager van een ander levensbeginsel, dat wel niet terstond kon voeren tot eene vergadering van schat ten op deze aarde, die roest en mot verteren, zooals dat van Kaïn, doch dat het eeuwig licht liet opgaan over de aarde en al wat zij biedt. Dit zou een volk scheppen, dat zich schatten vergaderde in den hemel en al het aardsche slechts genieten kon als het door het hemelsche was geheiligd.
Zoo wordt dus reeds aan de oudste en eerste menschheid een inzicht gegeven in het genadewerk Gods. En dit niet als vrucht van eene theorie, niet als een leer, maar als ontloken aan den wortel des levens. Heva beleefde de verkiezende daad in haar eigen geslacht. De Heere trok deze lijn van het genadeverbond met het richtsnoer der verkiezing voor hare oogen, voor de oogen van alle eeuwen, die komen zouden, opdat het ware volk van God daardoor zou leeren zich vast te klemmen aan het verbond, door den Heere opgericht, toen Hij Heva beloofde, dat haar zaad der slang den kop vermorzelen zou. Aan dien komenden overwinnaar van de oude slang was Heva geestelijk verbonden door de belofte, haar geschonken. En in dezen Beloofde lag ook voor haar de verkiezing vast. Een ander zaad had zij in Habel's plaats ontvangen. En Heva verstond door het geloof, dat dit het zaad der belofte was, dat zich zou voortplanten door de geslachten, die de Heere zelve verkoren had en dat onsterfelijk wezen zou.
Had Kaïn's geest in Lamech's wraakgezang zijn hoogtepunt bereikt, en sidderden daarvoor allen, omdat zij tenslotte terugschrikken moesten voor de laatste consequentie van den geest, die door het slangenzaad werd uitgedragen, tegenover dezen Lamech, tegenover alle heerlijkheden der cultuur en al het geweld, waarop hij prat ging en dat de eeuwen na hem met vreeze vervullen zou, verschijnt deze andere broeder in Habel's plaats als een ander zaad, in welks zwakheid de Heere Zijne kracht zou bewijzen. Alle grootmachten dezer wereld, alle geestkracht, waarover zij beschikt, zou.niet kunnen uitroeien het leven Gods, waarvan deze Seth de drager was. In Hem zal de Heere Zichzelven verheerlijken als een God, die Zich ontfermt over niet-ontfermden, en naar Zijnen Naam noemt, die Zijne kinderen niet waren, opdat Zijn volk zal roemen in Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's