MEDITATIE
En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda ! en gij, o huis Israels ! geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzoo zal ik ulieden behoeden en gij zult een zegening wezen : vreest niet, laat uwe handen sterk zijn. Zacharia 8 vers 13.
Het woord des Heeren geschiedde tot Zacharia. Het woord des Almachtigen, aan Wiens wenken de legioenen engelen gehoorzamen, geschiedde. Op welke wijze dat woord tot den profeet kwam, wordt ons niet medegedeeld. Het feit zelf is genoeg. Ja, heerlijke waarheid, dat Gods woord nog kwam, nog geschiedde. Nu des menschen loopbaan gaat over bloed en tranen, nu de historie altijd weer anders zijnen loop neemt dan de volkeren verwachten, de historie, die als in een spiegel geeft het altijd weer ontbrekende, maar toch eeuwig zich herhalende, mogen wij nog openslaan dat heilig blad, waar het ons nog tegenkomt : „des Heeren woord geschiedde.”
Vele, zeer vele stemmen weerklinken om ons heen : „zoekt het hier" of „zoekt het daar". Het zijn vriendelijke, vleiende, maar soms ook uitdagende en opdringerige stemmen. Tegen dit alles is maar één geschikt wapen : te luisteren naar des Heeren Woord alleen, te midden van het dof gerommel van deze stemmen der vertwijfeling, van den mensch, die het bij en uit zichzelve zoekt en niet wil stilgehouden worden bij het feit, dat de ware bron van het leven, dat is de gemeenschap met God, is toegestopt door den zondeval.
Zacharia zeide Israël de harde werkelijkheid aan : een vloek onder de Heidenen. Maar tot deze gevloekten mocht de profeet ook dat woord des Heeren spreken : „Keert weder tot Mij, zoo zal Ik tot ulieden wederkeeren". Maar als de Heere wederkeert, dan is het niet voor dit tijdelijk leven, niet voor een hersteld nationaal leven. De terugkeer uit Babel was slechts middel tot het doel : Jeruzalem zal geheeten worden een stad der waarheid en de berg des Heeren der heirscharen een berg der heiligheid.
Een stad der waarheid, een berg der heiligheid, daarom keert de Heere weder. Het is om het Koninkrijk niet van deze wereld. Het is om de belofte, gegeven in het Paradijs : „Ik zal vijandschap zetten". „De kop der slang zal vermorzeld worden”.
Nu is de redding des Heeren aanstaande, des Heeren zegeningen zullen op Juda en op het huis Israels nederdalen, en dan zal dat wonder geschieden : van een vloek tot een zegen zullen zij worden.
Hoe heerlijk is deze profetie van Zacharia in vervulling gegaan. Ja, anders dan de Joden of misschien wel een oppervlakkige lezer zou verwachten.
Van een vloek tot een zegening, hoe is het mogelijk ?
Het is alleen mogelijk door de kruising van die twee lijnen.
Op dat kruispunt heeft gestaan. Jezus Christus
Op dat kruispunt stelde Hij zich openlijk, toen Hij daar zich onderwierp aan den
Doop in den Jordaan.
Een rij van menschen kwam tot Johannes den Dooper. „En" — staat er — „zij werden van hem gedoopt in den Jordaan, belijdende hunne zonden”.
Jezus sluit zich aan bij deze rij ; Jezus treedt toe.
Johannes weert af : „Mij is noodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij ? ”
Maar Jezus antwoordende, zeide tot hem: „Laat nu af, want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen". Toen liet hij van Hem af.
Aldus betaamt ons. De weg tot schuldbelijdenis voor God is gebaand door Hem. opengebroken door het Lam Gods, waardoor de Zijnen zullen worden van een vloek tot een zegening, omdat Hij aan het vloekhout zich wilde laten nagelen. Zij deelen in de zegening van Hem, van Wien een stem uit de hemelen zeide : „Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelke Ik mijn welbehagen heb”.
De Geest Gods daalde gelijk een duive op den tweeden Adam, en achter Hem volgt een gemeente, geworden van een vloek in Adam, tot een zegening in Christus.
Vreest niet, laat uwe handen sterk zijn. Met dit bevel moesten de Joden, de teruggekeerde ballingen, de hand aan het bouwwerk slaan van den nieuwen tempel in het ten deele herbouwde Jeruzalem.
Met dit bevel gaat de gemeente van Christus uit in het Koninkrijk van hun Zender.
In hunne ooren ruischt die hemelsche muziek : „alzóó zal Ik ulieden behoeden". In dat alzóó is voor hen alles gelegen. Daar hangt alles van af. Het is de weg, dien de Zender wijst: alleen door Hem van een vloek tot een zegen.
Soms zwijgt die muziek, of neen, beter : soms zijn wij er geestelijk doof voor en dan gaat het harte kwijnen, want het heeft eens of meermalen dat lieflijk geluid gehoord en het kan er niet meer buiten. De aanklachten zijn vele, de stemmen uit den afgrond dreigen. Heerlijk, als dan het eerste ruischen der muziek weer vernomen mag worden : „alzóó zal Ik u behoeden". Alzóó : doordat Mijn geliefde Zoon, met den vloek op zich geladen, hangende aan Golgotha's kruis, allen die komen neer te zinken aan den voet van dat kruis, wil maken van een vloek tot een zegening.
Dit is de eenige weg tot behoud voor tijd en eeuwigheid. Een andere weg is er niet. Niemand kan twee heeren dienen, heeft de Heiland zelf gezegd. Of een vloek, óf een zegen.
De tegenstelling is wel scherp, maar het is toch zoo. Zoolang wij onbekeerd zijn, zoolang wij niet achter den Heiland gaan, die daar voorop gaat aan eene schare, die belijdt hare schuld voor God, „belijdende hunne zonden", hen leidende naar Golgotha's kruis, zoolang dat kruis geschuwd wordt, gaat van ons leven niet uit wat er van uit moet gaan, dan is de vreeze groot, dan zijn de handen slap ; dan zijn wij niet tot een zegening, maar tot een vloek.
O, dat dit ons eens zwaar op het hart mocht komen te drukken, ieder op de plaats waar wij gesteld zijn.
Wat doet een rechtgeaard vader of moeder niet voor de veiligheid hunner kinderen. Wat zal een rechtgeaard werkgever niet doen voor de veiligheid van zijn arbeiders. Wat doet gij niet misschien voor de veiligheid van uw huisgenooten. Wat een goede wenken en zorgen worden er al niet meegegeven met het oog op het onveilig verkeer !
Maar hoe staat het met de wenken en zorgen voor de eeuwigheid ? Voor de groote reize daarheen ?
De eenige veilige weg die er is, is de weg langs Golgotha's kruis, daar alleen kan de vloek veranderd worden in een zegening voor tijd en eeuwigheid.
Een nederige, oude woning, een groote ouderwetsche kast, komen in gedachten weer voor mij. De bevende, rimpelige handen eener hoogbejaarde vrouw nemen een psalmboek er uit. Hoort, zij vertelt : „Ik bad tot den Heere, of het mij eens gegeven mocht worden als ik mijn psalmboek opensloeg, dat ik daar op die plek eens iets lezen mocht dat voor mijne ziele tot versterking en troost mocht wezen". En "ziet, toen ik het opensloeg, viel mijn oog op het vierde vers van psalm 42. Tranen van blijdschap heb ik geschreid, dat de Heere mij zulks gaf". Hier was een wonder geschied. Als wij ons psalmboek daar openslaan, lezen wij :
Gij zijt mij. Heer, ter schuilplaats in gevaren ; Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren. G' Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt. Mijn leer zal u, o mensch, naar 't recht doen hand'len En wijzen u den weg, dien gij zult wand'len. Ik zal u trouw verzeilen met mijn raad, Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
Uit de benauwdheid van den vloek in de ruimte der zegening.
Alzóó behoedt de Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's