MEDITATIE
Gord Uw zwaard aan de heup, o Held ! Uwe majesteit en Uwe heerlijkheid. Psalm 45 vers 4.
In dezen Psalm wordt Christus de Heere een Held genoemd. Een held is iemand, die uitblinkt in moed, die van geen wijken weet, doch regelrecht afgaat op het doel, dat hem voor oogen staat. Zoo is het immers geheel en al met den Heere Jezus gesteld ? Hij was een Held in lijden en strijden. Aanschouwt Hem, als de satan in de woestijn tot Hem gekomen is; ziet Hem, als de vijandige schare zich om Hem heen beweegt, loerende of zij Hem ook in hun strik kunnen vangen. Is Hij niet de Held bij uitnemendheid, als Hij in Gethsémané de kelk des lijdens vóór Zich heeft en moet klagen : „indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan", als Hij er in één adem op laat volgen : „doch niet Mijn wil. Uw wil, Hemelsche Vader! geschiede!"? Komt Zijn heldenmoed niet eveneens uit, als het kruishout Hem draagt op Golgotha ? Geen klagen over Zich Zelf, wel mededoogen met andere menschenkinderen. En als Hij aan het einde van Zijn lijden is gekomen, heeft Hij tevens de grens van den strijd bereikt en kan met het verlaten van het strijdperk uitroepen : „het is volbracht". Ja waarlijk, de Heere Jezus is een Held ! En nu zegt de dichter in onzen psalm : „gord Uw zwaard aan de heup".
Welk zwaard zal die Held met Zich medevoeren ? Zal het van staal of van ijzer zijn vervaardigd ? Zal het scherp zijn of maar bot wezen ?
We lezen in den Efezerbrief : „En neemt het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord." In die woorden nu hebben wij zoo schoon de oplossing voor ónzen tekst. Dat zwaard van Christus de Heere toch is Zijn dierbaar en onfeilbaar Woord. Daarmede streed Christus tegen den satan in de woestijn; daarmede ook tegen de menschenkinderen ; daarmede eveneens als Hij stond voor Zijne rechters. Dat Woord des Heeren is als „een scherp tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs". Vlijmscherp is dat Woord, als het u in de ontdekkende genade toekomt. Hoe willen de tranen dan vloeien en de zuchten zich vermenigvuldigen ; hoort maar : „Ik ben moede van mijn zuchten ; ik doe mijn bed den ganschen nacht zwemmen ; ik doornat mijne bedstede met mijne tranen." Maar wij weten tot onzen troost ook dit, hoe namelijk uit die ontdekkende genade voor Gods kinderen voortkomt de vertroostende genade in Christus den Heere. En dat zwaard aan de heup des Helds is dus onmisbaar om het doelwit te bereiken. Daarom is de bede des dichters, dat de Held uitkome met Zijn zwaard, strijdvaardig, opdat Hij tot het einddoel voortschrijde, tot het doel, dat Hem voor oogen staat: de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde en het Hemelsche Jeruzalem met het water des levens en de boomen, wier bladeren zijn tot genezing der heidenen. Dat zwaard is den Held Christus tot majesteit en heerlijkheid.
Majesteit zegt ons, dat die Held niet een gewoon krijgsman is, maar een Koning. En hoe komt de vorst als koning eerst recht uit bij zijne onderdanen ? Als hij in zijn koninklijke uniform met het zwaard aan de heup zich vertoont te midden van zijn volk. Dan moet het volk erkennen : „hij is onze koning".
Zoo is het Woord der Waarheid ook niet alleen het zwaard, maar tevens het sieraad, dat de Majesteit van den Christus predikt. Wie door Gods Geest ingeleid is in de verborgenheden van Gods Woord, voor dien is het:
„Gods verborgen omgang vinden zielen, daar Zijn vrees in woont; 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreêverbond, getoond" ;
en dan wordt het ook: „d' oogen houdt mijn stil gemoed opwaarts, om op God te letten", wijl men de majesteit des Heeren gezien heeft. Koninklijk uitkomende door het zwaard, dat de Held gegord heeft aan de heup. Dat zwaard is de majesteit, maar eveneens de heerlijkheid voor dien Held. Ligt Gods kind niet neder in aanbidding voor de majesteit van den Christus, als hij bepaald wordt bij de almacht, die Christus heeft laten zien in de glansrijke overwinning over den satan en zijn rijk ? Als hij gezien heeft hoe het waarlijk van Hem geldt: , , of meent gij, dat Ik Mijnen Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten ? " Maar evenzeer wordt dat kind des Heeren daardoor bepaald bij de heerlijkheid van den Christus. Dan krijgt de geloovige oog voor de pracht, den staat, den glans van den Christus als zijnde de Koning der koningen en de Heere der heeren.
Mag een mensch, in wien niet het zaligmakend geloof is, in zijn leven wel getroffen worden door de majesteit van den Christus, de heerlijkheid des Heeren wordt alleen gezien met het oog der ziel door Gods oprechte kinderen. „De onderdanen des Konings roemen Zijne heerlijkheid". Omdat zij in die heerlijkheid mede vervat zijn en er van mogen genieten. Zij mogen verstaan : erfgenamen Gods te zijn en mede erfgenamen met den Christus. Dat zwaard is Christus' heerlijkheid, wijl de heerlijkheid van Christus alleen door dat zwaard zal komen. De heerlijkheid van den vorst is zijn rijksgebied in vrede en bloei. Maar de vrede wordt geboren uit den krijg, als de overwinning behaald is. En in den vredestijd komt dan de groei en bloei, de welvaart voor de bevolking. Zoo komt ook door het zwaard van den Christus Zijne heerlijkheid. Nu is er nog de strijdende Kerk. De vijand staat nog pal. De strijd moet nog gestreden worden. Vandaar dat in Gods Woord te lezen staat: „strijd den goeden strijd des geloofs" ; „strijd om in te gaan". Maar ook als daar in uw hart door Gods Woord en Geest de vijand wordt afgebroken en gij komt te kennen die dagelijksche bekeering des harten, zegt het eens, myne lezers ! smaakt gij dan niet bij tijd en wijle iets van die heerlijkheid des Heeren ? Hebt gij dan niet van die oogenblikken, waarin het voor u is :
„'t Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frissche waterstroomen, Dan mijn ziel verlangt naar God" ?
Ziet, dan smaakt gij iets van die heerlijkheid des Heeren in uw binnenste. En dan zal het u zijn als de dichter van Psalm 45, dat gij zult smeeken dien Held om Zijn zwaard aan de heup te gorden. Die Held heeft (verstaat dit wèl !) altijd Zijn zwaard aan de heup. Hij is nooit werkeloos. De Heere Jezus zeide immers : „Mijn Vader werkt tot nu toe ; en Ik werk ook".
Doch Gods kinderen bespeuren dat niet altijd even sterk voor zichzelven, dat het zwaard aan de heup gegord is bij den Held Christus Jezus. Maar verstaat dit wel : daar ligt echter louter eigen schuld bij den mensch, als hij de heerlijkheid van dat zwaard van den Christus niet kan waarnemen. Christus is altijd werkzaam voor Zijn volk. Wat zou er van dat volkje terecht komen, als Christus ook maar één oogenblik zou ophouden met Zijn zorg en Hij Zijn zwaard niet zou gegord hebben aan de heup ? En zoo komt dan voor Gods
kind den eenen tijd sterker uit dan den anderen tijd, dat Christus voor hem gevonden wordt met het zwaard aan de heup. Soms kan het wel zijn, dat Gods kind het voor zichzelf komt waar te nemen, wat de dichter in Psalm 45 zegt: dat dat zwaard voor Christus is tot majesteit en heerlijkheid. En dan wordt het een bidden en smeeken met Psalm 45 : „Gord Uw zwaard aan de heup, o Held ! Uwe majesteit en Uwe heerlijkheid".
Er zijn in het leven van die menschen, die zich altijd de ongeluksvogels gevoelen. Alles loopt hen tegen ; voor hen is geen voorspoed weggelegd. Maar als men dan eens kalm met die menschen komt te spreken, dan blijkt het dat er per slot van rekening heel wat voorspoed en zegen op te merken valt ook in hun leven. En zoo gaat het ook ten opzichte van het geestelijke leven. Die bekommerde zielen zullen kort en bondig vertellen, dat er voor hen geene redding in Christus is. Maar zij bemerken niet in hunne redeneering, dat zij door die woorden ingrijpen in Gods eeuwig raadsbesluit. Hoe weten zij dat, dat er geene redding voor hunne ziel is in Christus Jezus ?
Broeder en Zuster ! De Heere neme die dwaze gedachten van u weg. Dat het maar eens worde, dat gij nederknielt met den dichter van onzen tekst en vraagt : „Gord Uw zwaard aan de heup, o Held ! Uwe majesteit en Uwe heerlijkheid", en dat dan bij u tevens gevonden worde, wat in Psalm 27 wordt aangeraden als het eenig ware :
„Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed ; Hij is getrouw, de bron van alle goed ; Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer ; Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den Heer.
En langs dien weg kon 't wel eens wezen, dat gij, bekommerde ziel ! beschaamd uitkwaamt ten opzichte van de meening, die gij koesterdet, en verblijd werdt in uwe ziel, omdat gij Christus Jezus mocht zien voor uzelf als de Held, Die uitgaat, overwinnende, en opdat Hij overwonne den duivel en zijne macht, ook in uwe ziel.
Dat geve God u.
Hattem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's