TOENEMENDE GODSDIENSTLOOSHEID
Uit het onderstaande overzicht, waaruit blijkt dat een steeds toenemend deel der bevolking zonder godsdienst door 't leven gaat, kunnen belangrijke conclusies getrokken worden.
Iedere 10 jaar wordt er een volkstelling gehouden, en op het desbetreffend formulier wordt gevraagd bij welk Kerkgenootschap men is aangesloten.
De resultaten der bevolkingstelling worden door het Centraal Bureau voor de Statistiek verwerkt en in cijfers en percentages vastgelegd.
Wil men een juist beeld van den voorof achteruitgang eener bepaalde kerk of godsdienstig genootschap hebben, dan moeten de absolute en relatieve cijfers onder elkaar geplaatst worden. Absolute cijfers geven de werkelijkheid aan, maar in verhouding tot het totaal zeggen ze niets Wanneer het aantal van de bij de Ned. Hervormde Kerk aangesloten personen van af 1879 van 2.186.869 tot 2.732.333 in 1930 is geklommen, is dit schijnbaar een vooruitgang.
Indien men echter bedenkt, dat de bevolking sindsdien ongeveer verdubbeld is, beteekent het in werkelijkheid een achteruitgang, welke aangegeven wordt door de percentages (54, 5% en 35, 4%), uitgedrukt in procenten der totale bevolking.
We zullen ons in de eerste plaats bezig houden met een vergelijking tusschen de Ned. Hervormde en de Katholieke Kerk.
Kon men een vijftigtal jaren terug nog spreken van Nederland als een meerendeels Protestantsch Christelijke natie, dan gaat dit, gelet op de cijfers van 1930, niet meer op, omdat het Ned. Hervormde gedeelte, zoowel absoluut als relatief, bij de Roomsch Katholieken ten achter is gebleven.
Vrijwel alle godsdiensten hebben terrein verloren, uitgezonderd de R. Kath., zoodat onwillekeurig de vraag rijst : waar ligt de oorzaak ? Het antwoord op deze vraag geeft een andere statistiek, n.l. die van het gemiddeld aantal kinderen per gezin. Het gemiddeld kindertal per gezin bedroeg in 1930 over geheel Nederland 2, 18. In de groote steden met meer dan 100.000 inwoners bedroeg dit slechts 1, 84, dus nog niet eens een tweekinderstelsel.
Wanneer men daarentegen op de cijfers der Katholieke gezinnen let en daarvoor de bij uitstek Roomsche provincies, zooals N. Brabant en Limburg, als voorbeeld kiest, dan komt men op cijfers van 2, 72 en voor Limburg op 2, 69 kinderen per gezin. De afval van de kerk wordt bij het R. Kath. volksdeel achterhaald door hun groote gezinnen.
Wanneer deze tendenz zich nog een vijftigtal jaren handhaaft, zal Nederland een in meerderheid Katholiek land geworden zijn. Het kwaad der gewilde kinderbeperking neemt in steeds grooter omvang toe.
Voor een deel moet de achteruitgang van de Ned. Hervormde Kerk geboekt worden op een verschuiving naar de Gereformeerde Kerken, na de afscheiding. Dit blijkt uit het percentage vier, waarmede deze kerken in 1889 voor het eerst te voorschijn komen. In 1899 steeg het percentage der Gereformeerde Kerken onregelmatig en ziet men dat der Chr. Gereformeerden bijna evenveel dalen. Een deel der Chr. Gereformeerden vereenigde zich dan ook tusschen 1889 en 1899 met de Gereformeerden.
De Israëlieten liepen in procenten achteruit, hetgeen te wijten is aan het feit, dat zij betrekkelijk weinig grootere gezinnen hebben.
Opvallend is de toename van de overige godsdiensten.
We zien de versnippering en verkruimeling niet alleen op politiek, maar ook op godsdienstig erf.
Het meest moet de groote stijging van hen die zonder godsdienst door het leven wenschen te gaan, tot droefheid en waakzaamheid stemmen.
Was het in 1879 nog uitzondering dat men niet bij een Kerkgenootschap was aangesloten, sindsdien is het cijfer der godsdienstloozen met angstige sprongen omhoog gegaan. De leuze van „ni Dieu — ni Maitre" schijnt het parool van een steeds groeiend deel van het Nederlandsche volk te worden.
Om te illustreeren waar de godsdienstloosheid het grootst is, volgens de percentages van provincies, waaruit te zien is dat Noord-Holland een treurig record slaat.
Het lijkt ons niet gewaagd de vraag te stellen, of er ook correlatie is tusschen modernisme en godsdienstloosheid.
Koog a/d Zaan en Zaandijk staan aan de spits van het ongeloof, maar ook in Amsterdam heeft meer dan een derde gedeelte der bevolking den godsdienst den rug toegekeerd. Voorts heeft het cijfer der stad Groningen ons verbaasd. Wanneer men de bevolking splitst naar de leeftijden, dan blijkt daaruit dat de band met de Kerk het radicaalst afgesneden is door personen beneden de 20 en van 20 tot 29 jaar.
Dat het percentage der godsdienstloozen boven de 60 jaar geringer is, komt door twee oorzaken, en wel eerstens doordat tengevolge van de afname van het aantal kinderen per huwelijk, de bevolking ouder wordt, d.w.z. dat het oudere gedeelte een grooter percentage van het totaal gaat vormen. Dat er relatief meer ouden zijn, die den band met den godsdienst vast hebben gehouden, is anderzijds een vervulling van des Heeren beloften, waarvan dè Psalmdichter getuigt, „dat in het houden van Zijne geboden groote loon is".
Hillegersberg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's