De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

EEN EIGEN CULTUUR EN LEVENSINRICHTING.
Er zijn van die kleine dingen, die ons soms opvallen en die dan van zoo groote beteekenis worden.
Lev. 18 vers 3 zegt: „Gij zult niet doen naar de werken van Egypte, waarin gij gewoond hebt — ook zult gij naar de werken van het land Kanaan, waarheen Ik u breng, niet doen, gij zult in hunne inzettingen niet wandelen. Mijne rechten zult gij doen en Mijne inzettingen zult gij houden, om daarin te wandelen : Ik ben de HEERE, uw God".
We staan hier bij een beslissend punt van Israels historie.
De schrijver staat tusschen den uittocht uit Egypte (die is achter den rug ; „waarin gij gewoond hebt) en den intocht in Kanaan (die nog komen moet; „waarheen Ik u breng").
En wat zegt de HEERE, Israels Bonds-God, dan door Mozes, Zijnen knecht (vers 1) ?
Dan zegt Hij, dat Israël niet het Egyptische leven moet meenemen, noch straks het leven der Kanaanieten moet aannemen, maar dat zij, als Gods toondsvolk, een geheel eigensoortig leven zullen moeten leiden.
God veroordeelt en breekt af de Egyptische cultuur èn de levensinrichting der Kanaanieten. 't Is Hem, den God van hemel en aarde, een gruwel! En Hij komt hier zeggen, dat Israël, Zijn Bondsvolk, moet komen tot een geheel eigensoortige levens-inrichting voor huis en kerk, voor maatschappij en staat. En dat leven van Israël, Gods Bondsvolk, moet in Kanaan, het heilige land, dat de Heere Zich geheiligd heeft en aan Israël geven zal ten eigendom, geheel en al worden ingericht naar de rechten en inzettingen des Heeren, naar Zijn Wet en Woord. Een geheel eigen cultuur, een geheel eigen leven, religieus en wereldlijk, kerkelijk en maatschappelijk genomen.
Israels Bonds-God z.egt het nadrukkelijk: „Ik ben de HEERE uw God" (vers 1, 4, 5, 6, 21, 30) en voorts : „Mijne rechten zult gij doen en Mijne inzettingen zult gij houden, om daarin te wandelen".
Zoo ligt er een heilige roeping voor Israël, met eigen levenstaak, eigen religie, eigen cultuur, eigen kerkelijk leven, eigen maatschappijleven. Huis, school (huisonderwijs). Kerk (tabernakel, tempel, eeredienst, priesterstand, offers, feesten enz. enz.), maatschappij, alles moet een eigen stempel dragen ; het stempel van de vreeze Gods. „Mijne rechten zult gij doen en Mijne inzettingen zult gij houden, om daarin te wandelen". „De HEERE is onze Wetgever, onze Koning, onze Rechter" — zal Israël moeten zeggen.
En een ernstige bedreiging wordt er bij gevoegd in vers 28 : „Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben, gelijk 't het volk, dat vóór u was, uitgespuwd heeft".
Israël is op weg naar Kanaan. Daar hebben gewoond — en wonen nóg — de Kanaanieten. God zal Kanaan aan de inwoners des lands ontnemen en zal het geven aan Israël. Hij, de Souvereine God, stuurt alle dingen naar Zijn raad en plan en welbehagen, zijnde de éénige eigenaar aller dingen. Maar dat de Kanaanieten nu van hun land beroofd worden en dat hun erve nu aan anderen gegeven wordt heeft ook een oorzaak in de Kanaanieten zelf, die 't zóó schandelijk gemaakt hebben in gruwel en onreinigheid (denk aan de steden Sodom en Gomorra), dat „het land hen uitgespuwd heeft". Zóó vuil, zoo onrein, zoo liederlijk, zoo goddeloos is het leven van de inwoners van Kanaan geweest, dat ze „uitgespuwd" zijn door het land. Het land heeft er genoeg van ! Het land kan en wil ze missen ! Vuil zijn ze geweest en vuiler zijn ze geworden, wegzinkend in een poel van schandelijkheid, zonde en gruwel.
Maar dan komt de Heere Zijn volk, dat Hij uit Egypte verlost heeft en nu in Kanaan zal brengen, ernstig waarschuwen, dat zij noch het Egyptische leven zullen meenemen, noch het Kanaanietische leven zullen overnemen — en dat laatste vooral niet, opdat zij zelf straks óók niet „uitgespuwd" worden !
Een gewaarschuwd man telt voor twee.
„Want al wie eenige van deze gruwelen doen zal, die zielen die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niets doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinige : Ik ben de HEERE uw God" (vers 29 en 30).
Geldt 't zelfde ook niet voor óns ?
Noch de „Egyptische" cultuur, noch de levensgewoonten der „Kanaanieten" moeten wij navolgen of aankweeken.
Wij hebben een eigen, een christelijke cultuur, met christelijke zeden en gewoonten noodig ; een christelijke maatschappij met christelijke grondslagen. En voor ons huiselijk-èn voor ons gemeenschapsleven, in de school, in de kerk, in de maatschappij en in den Staat geldt:
„Mijne rechten zult gij doen en Mijne inzettingen zult gij houden, om daarin te wandelen — dat gij niets doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmee niet verontreinigt : Ik ben de HEERE uw God" (vers 4 en 30).

DE PROTESTANTSCHE KERK IN NED. INDIE. 1) - *)
Een mijlpaal is gepasseerd. En welbewust heeft men dat in Indië meegeleefd en aanvaard, voelende de groote verantwoordelijkheid. Er is gekomen „de Administratieve Scheiding van Kerk en Staat" en daardoor de veel grootere zelfstandigheid der Kerk met eigen Kerkeraden. — Sinds drie eeuwen is deze zaak reeds aan de orde, zij 't ook, dat het eerst sinds de vorige eeuw als een vraagstuk is gevoeld. (Ds. J. Mooy : Gesch. der Prot. Kerk in N.O.-I. Zie het „Woord vooraf").
De Geschiedenis van de Prot. Kerk in O.-I. dateert van 1621. Bij octrooi van de Staten-Generaal (20 Maart 1602) had de V. O. C. de souvereine rechten over Indië ontvangen, waartoe ook behoorde de bevoegdheid, ja de verplichting, om de kerkelijke aangelegenheden te behartigen, waaraan de O. I. Compagnie zich niet onttrokken heeft. Zij had mee te zorgen voor het „publiek geloof". En de opeenvolgende Gouverneurs-Generaal hebben zich ieder op zijn wijze met de kerkelijke aangelegenheden bezig gehouden.
J.Pzn. Coen zond in 1620 vier Ambonneesche jongelui naar Holland om ze voor predikant te doen opleiden met de boodschap: „Laatl de Christelijke religie in hen eerst wel vast geworteld zijn, zoo zal de Compagnie daarvan grooten dienst ontvangen". Gouverneur Houtman te Ambon vertaalde het „Onze Vader" de „Tien Geboden" en het „Kort Begrip" van Marnix in het Maleisch, dat hij in Atjeh tijdens de gevangenschap geleerd had. Coen droeg den Gouverneur van Amboina op er op toe te zien, dat de huwelijken kerkelijk werden bevestigd en een boete op te leggen aan hen, die zich des Zondags zonder wettige reden niet ter kerke begaven.
Zoo kondigde ook de Gouverneur-Generaal 11 December af : „de Overheid zal een gemeente stichten te Batavia, twee ouderlingen doen kiezen naast de te Batavia bescheiden predikanten. 2 Januari 1621 werden de gekozen ouderlingen erkend. Op 3 Januari werd het H. Avondmaal gevierd op een belijdenis der kerk, welke „verzameld en aangevangen is den 3den Januari 1621". De vreugde duurde echter niet lang : einde 1622 verbood Coen verdere vergaderingen van den Kerkeraad, daar hij „in het Indische gebied geen samenkomsten wilde gedoogen, waarin niet de Regeering de hoogste zeggenschap had".
17 Juli 1624 kwamen vier predikanten uit Nederland aan, onder welke Sebastiaan Danckaarts, die een kerkorde meebracht, in hoofdzaak gelijkluidend aan die welke enkele jaren te voren op de Synode te Dordrecht was vastgesteld.
6 Augustus d. a. V. werd weer de eerste Kerkeraadsvergadering gehouden, ter beantwoording van 15 vraagpunten van den G.G. Pieter de Carpentier over de inrichting der Kerk. Ditmaal werd de vergadering echter bijgewoond door twee gecommitteerden der Regeering, n.l. de Raad van Indië Pieter Vlack en de koopman Cornells Gerritsz Verloren Arbeyt.
De kerkorde, die niet de definitieve goedkeuring der Nederlandsche staatkundige autoriteiten had verkregen, werd door den G.G. voorloopig vastgesteld. Een definitieve kerkorde is daarna eerst vastgesteld door den Gouverneur-Generaal van Diemen in 1643 ; zij onderwierp de Kerk volkomen aan de overheid, schreef voor, dat geen besluit van eenig gewicht door den kerkeraad van Batavia genomen mocht worden dan met voorafgaand „communicatie ende advys" der overheid en eischte ten aanzien van de vergaderingen van den kerkeraad „dat in gemelte collegie altijd conform de goede usantie eeniger plaetsen onzer vaderlants, onsentwegen een polityke commissaris sessie hebben ende present wezen zal".
Dezen maatregel achtte men noodig teneinde „de religie met de policie in goede eenigkeyt ende harmonie te houden" (1650 instructie van den-G.G.) en te voorkomen, dat er zoude zijn : „staet in staet en regieringhe in regieringhe".
De kerkorde van Van Diemen is van kracht gebleven tot het einde der V.O.C, in 1795. De suprematie van de overheid was absoluut; Valentyn spreekt in verband met deze kerkorde van de „Slaverny der Kerk". Wel had de kerkeraad van Batavia telkens getracht zijn zelfstandigheid te handhaven op het stuk van directe briefwisseling met de kerkelijke autoriteiten in Nederland, van de tuchtoefening en het benoemingsrecht, doch zonder resultaat. Reeds in 1636 schreef G. G. Brouwer aan Heeren Bewindhebbers : „Daar is. Godlof, goede rust in al de Indische kerken. „De politieke commissarissen compareeren vredig in deselve".
Verschijnselen uit de 17de eeuw zijn tot op den huldigen dag blijven bestaan.
Bijvoorbeeld : het instituut der „commissarissen politiek". In den eigenlijken vorm is het conform de kerkorde van 1643 gehandhaafd tot onder het Engelsche bewind tot in 1811. Daarna is het in de nieuwe regeling overgenomen in den vorm van het voorschrift, dat de voorzitter van het kerkbestuur zou zijn een lid van den Raad van Indië, later verzwakt tot het „een aanzienlijk en invloedhebbend lid der Protestantsche gemeente te Batavia". De achtergrond van deze bepaling is dus niet de begeerte om de positie van het Kerkbestuur te versterken, doch om van Regeeringswege invloed te hebben óp den gang van zaken.
Dan : het voorschrift der open briefwisseling, eveneens dateerende van 1643. Nog heden ten dage is voorgeschreven, dat de correspondentie van het Kerkbestuur met het Opperbestuur of met de Haagsche commissie geschieden moet onder „cachet volant" ; sinds het vorige jaar slechts mag het Kerkbestuur met de Haagsche commissie rechtstreeks correspondeeren, doch alleen over uitzending van kerkelijke dienaren.
De beslissing inzake kerkelijke tuchtmaatregelen berust nog heden voor zooveel betreft , schorsing en ontslag in hun functie van predikanten, hulppredikers en kerkbestuursleden, bij den Gouverneur-Generaal, zulks op voordracht van het Kerkbestuur en met beroep op de Kroon.
De principes, welke gedurende de 17e en 18e eeuw de verhouding tusschen de Kerk en de Overheid der V. O. C. beheerschten, zijn door Koning Willem I en die na hem kwamen, goeddeels toegepast op de verhouding tusschen de Kerk en de Regeering. Er was en bleef een strenge verhouding van ondergeschiktheid der Kerk aan de Regeering, hoewel er voor enkele dingen wel verruiming der vrijheid kwam. Zoo mocht in de 2de helft der 18e eeuw de Kerk haar eigen dienaren overplaatsen en kreeg de Overheid daarvan sleohts kennis bij extract uit de notulen. Zoo zijn sinds geruimen tijd de voordrachten terzake vanwege het kerkbestuur zoo goed als steeds gevolgd door de Regeering.
Ook het intolerante van vóór 1800 is daarna geleidelijk verdwenen. Bestond aanvankelijk alleen vrijheid van eeredienst voor de „publicque", n.l. de Gereformeerde religie, in 1743 bracht Gouverneur-Generaal Van Imhoff, zelf Luthersch, deze mede voor de Lutherschen en werd zij in 1808 ook verleend aan de Roomsch-Katholieken.
Maar overigens bleef het beginsel van supervisie van den Staat gelden, nog tot diep in de 19e eeuw, het beginsel, waarvan Minister Boud in 1840 verklaarde : „dat in alle zaken met de meeste gestrengheid moest worden gehandhaafd het beginsel, dat in Nederlandsch-Indië niets behoort om te gaan buiten kennis of zonder tusschenkomst van 't Gouvernement aldaar".
(Wordt voortgezet).


*) De inhoud van dit en de volgende 4 artikelen is geheel ontleend aan de groote openingsrede van dr. N. A. C. Slotemaker de Bruine, 10 Mei 1933 in Indië gehouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's