STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GOEDEREN IN DE DOODE HAND.
De hoogst ernstige toestand, waarin 's Lands financiën verkeeren, noopt de Regeering om om te zien naar nieuwe belastingbronnen, waarvan de baten kunnen dienen om de tekorten op de Rijksbegrooting te dekken.
Reeds sedert lang is bij verschillende gelegenheden de aandacht van den Minister van Financiën gevestigd geworden op het heffen van eene belasting op de goederen in de doode hand. Dit zijn die goederen — meestal onroerende — die toekomen aan instellingen van weldadigheid, kerken, diaconieën, kloosters. Zij worden zoo genoemd, omdat zij, in tegenstelling van bezittingen van particulieren, niet door erfrecht worden overgedragen en dus steeds in dezelfde handen blijven.
Meestal komt de aandrang tot de Regeering om het vermogen van instellingen in de doode hand in de belasting te betrekken, van de zijde van hen, die de Roomsch-Katholieken met hun rijke kloosters en kerken eens met den fiscus willen laten kennis maken.
Er gaan van de groote kapitalen, waarover de Roomsche Kerk beschikt en die tegen lage rente aan de Roomsche zakenmenschen worden uitgeleend om de Protestantsche collega's een scherpe concurrentie aan te doen, heel wat verhalen rond. Ook als deze anti-papisten beweren, dat wanneer de belasting op de goederen in de doode hand maar flink wordt aangepakt, er geen zorg voor de Rijksfinanciën meer behoeft te bestaan.
Toch zijn deze verhalen.niet meer dan fabelen.
Wij herinnerden er reeds bij een vorige gelegenheid aan, dat de toenmalige Minister van Financiën in het jaar 1911 een lijst van goederen in de doode hand liet opmaken, welke lijst daarna aan de Tweede Kamer werd overgelegd. Uit dit stuk bleek, dat op een totaal bezit van 92 millioen gulden uit vast goed en uit inschrijvingen Grootboek de Nederl. Hervormde Kerk de overige Protest. Kerken en de R.-Katholieke Kerk bezaten. 48.5 millioen, 13.5 millioen, 23.5 millioen
Nu zijn de 92 millioen gulden sedert 't jaar 1911 natuurlijk met nieuwe millioenen vermeerderd. „De Klok" en „Het Klokkentouw", twee anti-papistische bladen, beweren, dat het vermogen van goederen in de doode hand in het jaar 1932 zelfs tot 256 millioen was gestegen, waaronder minstens 225 millioen van de Roomsch-Katholieken schuilt en dat de kloosterlingen-onderwijzers sinds de Lager Onderwijswet '20 in werking trad, ruim honderd millioen in de kloosterkassen hebben gestort. Doch deze cijfers worden met geen woord toegelicht. „De Nederlander", die van de beweringen van „De Klok" en „Het Klokkentouw" gewag maakt, noemt de getallen pure fantasie.
Wel staat officieel vast, dat in het jaar 1932 over de laatste kwarteeuw aan schenkingen en makingen de Protestanten 28.2 en de Roomsch-Katholieken 27.8 millioen gulden hadden aanvaard na machtiging van de Kroon (voor het aanvaarden van erflatingen en schenkingen door openbare en godsdienstige instellingen, kerken en diaconieën, is volgens de artikelen 947 en 1717 van het Burgerlijk Wetboek, Koninklijke machtiging noodig).
Uit deze officieel vaststaande cijfers van 28.2 en 27.8 millioen blijkt, dat de beweringen, die zoo hier en daar over de enorme Roomsche bezittingen gehoord worden, tot groote voorzichtigheid moeten manen.
Intusschen dient er nog mede gerekend te worden, dat tot de goederen in de doode hand niet alleen behooren instellingen van weldadigheid, kerken, diaconieën, kloosters, die wij hierboven noemden, doch dat ook onder deze rubriek nog heel wat andere goederen vallen.
Minister Treub, die destijds een wetsontwerp, deze materie betreffende, indiende, omschreef het onderwerp aldus : „Onder instellingen van de doode hand verstaat deze wet alle zedelijke lichamen, instellingen en vereenigingen, welke rechtspersoonlijkheid bezitten, stichtingen daaronder begrepen".
Dat deze Minister de baten, die uit zijn wet in de schatkist zouden vloeien, niet heel hoog taxeerde, blijkt wel hieruit, dat hij de opbrengst van eene belasting op goederen in de doode hand op nog geen 2 millioen durfde te stellen.
De tegenwoordige Minister van Financiën, die bereids zijn in uitzicht gestelde wetsontwerp : „heffing van eene belasting naar het Vermogen van instellingen van de doode hand" bij de Tweede Kamer aanhangig maakte, meent de opbrengst, nu 18 jaren na het tijdstip, dat Minister Treub een proeve van wet ontwierp, niet hooger te kunnen ramen dan 3 millioen gulden. Hij voegt aan deze mededeeling toe, dat de raming ook hooger of iets lager zal kunnen uitvallen.
Wij hopen de volgende week het een en ander mede te deelen over den inhoud van het Oud-wetsontwerp.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's