KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE PROTESTANTSCHE KERK IN NED.-INDIE. (2)
Het beginsel van oppertoezicht van den Staat over de Kerk in Indië bleef tot diep in de 19de eeuw. Niets mocht buiten de Regeering omgaan. En de Regeering deed, wat zij goed vond voor de Kerk.
Twee voorbeelden uit de eerste helft der 19de eeuw. 11 December 1835 besloot de Koning Willem I tot vereeniging der Evangelische en Luthersche gemeenten te Batavia. De betrokkenen waren hierbij niet geraadpleegd. Mee door het verzet der Lutherschen kwam de vereeniging eerst in 1854 tot stand. Intusschen is de huidige grondslag der Protestantsche Kerk in Indië : „de leer van het Evangelie" aan die vereeniging te danken, want die formuleering kwam voor in de projectacte der vereeniging van 1 Juni 1853, overeenkomstig de meening der betrokken kerkeraden „dat met deze formule de geest van de Indische Kerk het zuiverst wordt uitgedrukt".
Een ander voorbeeld betreft niet de Protestantsche, doch de Roomsch Katholieke Kerk.
Vanaf het oogenblik van erkenning van den R. K. eeredienst in 1808 zijn de pastoors in Indië op dezelfde wijze door de Overheid beschouwd als de Protestantsche geestelijken; zij ontvingen „gage" uit 's Lands kas en werden door de Regeering geplaatst en ontslagen. Een eigen recht terzake van de kerkelijke overheid werd ook ten opzichte van Rome niet erkend ! Deze toestand duurde tot 1848 toen er een conflict ontstond. Dit conflict leidde tot onderhandelingen tusschen de Nederlandsche regeering en de H. Stoel, met als resultaat dat in 1847 in „elf punten" een overeenkomst werd gesloten betreffende de R. K. Kerk-aangelegenheden in N.-Indie, welke overeenkomst nog geldt. Aan de Apostolische Vicaris zijn de rechten der Kerk verzekerd!
Deze Nota heeft naar haar strekking tot voorbeeld gediend bij het ontwerpen der regeling, die nu, sinds 1933, voor de Protestantsche Kerk is voorgesteld en vastgesteld. Een gelijke verhouding van de organen der Protestantsche Kerk is nu door de Regeering in 't leven geroepen.
Het is wel merkwaardig, dat de regeling van. 1854 tot op heden onveranderd is gebleven.
De toestand was in 't kort omstreeks 1854 als volgt:
De Koning had besloten ten eerste „dat alle de Protestantsche Kerken in N. O. en W. I. voortaan onder één en hetzelfde bestuur worden vereenigd".
Ten tweede : „de protestanten in N. I. zullen voortaan maar één Kerkgenootschap vormen".
Ten derde had de Koning een „Reglement op het bestuur der Protestantsche Kerk" dat door het Kerkbestuur was opgesteld „goedgekeurd en gearresteerd".
Ten vierde had de Koning „goedgekeurd en bekrachtigd" een „Reglement op de uitoefening van kerkelijk opzicht en kerkelijke tucht".
Ten vijfde was bij Kon. Besluit de vereeniging tot stand gekomen van de Protestantsche en de Evangelische Luthersche gemeenten te Batavia.
De éénzijdige vaststelling van regelen door den Koning had geleidelijk plaats gemaakt voor vaststelling met wederzijdsch goedvinden.
De wet van 2 September 1854 : „Reglement op het beleid der regeering van N.-Indië" bevatte in art. 122 de bepaling : „In de bestaande inrichting en het bestuur der Christelijke Kerkgenootschappen wordt geene verandering gebracht dan met wederzijdsch goedvinden van den Koning en het bestuur van het betrokken Kerkgenootschap".
Dit Artikel, dat onveranderd is overgenomen in de „Wet op de Staatsinrichting van N.-Indië" is geldend gebleven en vormt den achtergrond van de gebeurtenis die dit jaar heeft plaats gehad.
Wat is de verklaring, dat deze verhouding zoo lang en voortdurend ongewijzigd is gebleven ? Op geen enkel ander terrein is toch ongewijzigd gebleven wat er in 1848 bestond ?
Wanneer wij het staatkundige terrein betreden, aanschouwen wij onder invloed van de beweging van 1848, van de ontwikkeling der parlementen, der sociale volksbewegingen en van den wereldoorlog door geheel Europa een totaal ander aspect. De formuleering van gewijzigde onderlinge verhoudingen van rechten en plichten, is voortdurend een voorwerp van ingespannen zorg en strijd.
En op het punt van kerk en theologie is het niet anders. Ingrijpende verschuivingen en veranderingen van denkbeelden en opvattingen hebben plaats gehad, die andere uitgangspunten, vooronderstellingen en conclusies onafwijsbaar hebben gemaakt.
Hoe komt het dan, dat ten opzichte van wezen, inrichting en bestuur der Protestantsche kerk in de bewogen periode der laatste 80 jaren niets veranderd is ?
Aan de Regeering lag dat niet, integendeel.
Reeds in 1864 werd bij ministerieele dépêche aan den gouverneur-generaal machtiging verleend „om aan het bestuur over de Protestantsche kerken in Nederlandsch-Indië te kennen te geven : dat Zijner Majesteits regeering zou verlangen — behoudens de geldelijke ondersteuning, die overeenkomstig vast te stellen regelen voortdurend zou blijven gewaarborgd — alle inmenging van harentwege in de zaak der kerk te kunnen doen ophouden ; dat dit evenwel — met het oog op art. 122 regeeringsreglement niet kan geschieden tenzij vooraf een nieuwe organisatie genoegzaam zij voorbereid om in werking te treden Zijne Majesteit zal hebben verklaard goed te vinden, dat in de bestaande inrichting en het bestuur verandering worde gebracht; dat naar het inzien der regeering in geen geval over de Protestantsche kerken een organisatie zou mogen worden opgedragen, die haar aanzijn is verschuldigd aan een door de regeering samengesteld college".
70 jaar geleden is er dus over geschreven door de Regeering, in denzelfden geest, als nu een regeling getroffen is. Maar 70 jaar geleden is het voorstel van den Minister door het Kerkbestuur na een referendum onder Kerkeraden en predikanten afgewezen !
Vijf jaar later, in 1869, deed Minister Van Bosse een nieuw voorstel, maar over de uitvoering werd geen eenstemmigheid bereikt. In 1874 trok Minister Van Goldstein de conclusie, dat de Regeering zich van verdere voorstellen tot reorganisatie zou moeten onthouden en plannen van de Kerk zelf zou afwachten.
In 1889 kwam de zaak opnieuw aan de orde, weer op initiatief der Regeering, in dit geval van Minister Keuchenius. Weer moesten de voorstellen worden gedeponeerd bij gebrek aan overeenstemming.
Vermeld worde nog een poging door Gouverneur-Generaal van Heutsz ondernomen in 1904, weder zonder resultaat; en ten slotte de instelling der Staatscommissie van 1910. De voorstellen der Staatscommissie werden in den voorgebrachten vorm afgewezen. Daartegenover werd een eigen voorstel gedaan.
(Wordt voortgezet).
EEN BELANGRIJKE UITGAVE.
Natuurlijk bedoelen wij de uitgave van het referaat van ons mede-bestuurslid ds. J. G. Woelderink, gehouden op onzen laatsten Bondsdag, handelend over Separatisme en Wereld gelijkvormigheid, twee zonden, die altijd dreigend loeren op de Kerk des Heeren, zoolang zij op aarde is. Uit Israels geschiedenis blijkt, dat Gods bondsvolk eenerzijds verleid werd om de heilige plaats, door God aan Zijn kerk onder de Oude Bedeeling aangewezen, te verlaten en de heilige roeping te verloochenen en in den weg der heidenen te treden, om gelijk te worden aan de andere volken. Dus : de zonde van de weréldgelijkvormigheid. Deze zonde loert op Gods Kerk vóór de ballingschap. En Israël valt en wordt gestraft. De andere zonde is : om den zin der afzondering niet te verstaan en afgezonderd (afgescheiden van de anderen); zich zelf voor iets heiligs te houden, daarbij met minachting neerziend op het andere deel van de Kerk en dat deel van de Kerk, dat ook onder het Verbond begrepen is en de beloften des Verbonds ontvangen heeft, te beschouwen als „wereld", er over sprekend als over „de schare, die de wet niet kent". Dat is de zonde van het Separatisme ; zijnde een bepaalde, zondige geestesgesteldheid en geestesrichting, welke zwakheid en geen sterkte verraadt; en die de roeping Gods doet verzaken. Dan is men geneigd niet om vast te houden, maar om los te laten, niet om te zegenen, maar te vloeken. Men snijdt den band door. Heel anders dan de Heiland doet, die, heilig, onnoozel, onbesmet is en afgescheiden van de zondaren, maar nochtans Zich met de zondaren vereenigt, opdat Hij hun last zou dragen en verzoening werken bij God. Al schelden de Separatisten onder Israël Hem voor iemand die met tollenaren en zondaren eet en drinkt; als iemand, die een vraat en wijnzuiper is. Hier ligt de diepste veroordeeling van het Separatisme: de band met de zondaren, met onze medezondaren, doorsnijden; het gedeelte van de Kerk, dat zondig leeft, loslaten en als „wereld" verwerpen.
De polsslag van de Kerk der Reformatie sloeg krachtig. Overal predikers, opdat de Gemeenten door de prediking van het ware Evangelie weer in de rechte sporen zouden worden gebracht. Het gevaar van „besmetting" wordt bezworen door het geloof in de kracht van Gods Woord ! Men verwacht de wedergeboorte der Kerk. Tegen de Remonstranten bewijst men, dat men het nauw neemt met de Waarheid naar Gods Woord. En men eischt alle terreinen des levens op voor den dienst des Heeren.
Later breken de harten bij het zien van velerlei zonden ; maar men laat het volk niet los, noch het Verbond Gods in de Kerk. Separatisme is hun vreemd. Zij willen niet de heiligen vergaderen in afzondering (afscheiding) van de onheiligen. Ze weten zich één met de Kerk en met het volk, dat zij lief hebben.
Echter komt in de 17e eeuw een andere geest op ; het Separatisme ! Het ééne deel van de Kerk (de getrouwen) gaat het andere deel van de Kerk als wereld beschouwen. Maar de Kerk die wereldsch geworden is, is nog geen wereld, 't Is een afvallige, ontrouwe Kerk ; maar Kerk. Het volk van Israël, dat leven wil gelijk „de andere volkeren" (heidenen) is daarom nog geen ander volk geworden, maar is en blijft Gods bondsvolk, hoewel ontrouw en afvallig. En tot dit ontrouwe en afvallige volk zendt de Heere Zijn profeten, die niet komen tot „de wereld", maar tot Gods bondsvolk, hoewel levend in zonde en ongehoorzaamheid.
Het Separatisme oordeelt echter anders. En een zoodanige geest openbaarde zich bijzonder in de La ba die. Er was geen band meer met de Kerk, bij al hun heiligheid. De „ware" Kerk scheidde zich af van de „valsche" Kerk. En daarmee werd een heiligheid gezocht, waarin het vuur der liefde niet brandde. En dat deed bevriezen en versteenen.
W. a Brakel weifelt, maar gaat niet mee. Lodesteijn en Koelman staan op de scheidslijn. Er komt hoe langer hoe meer een klove tusschen „het getrouwe deel" en het ontrouwe deel van de Kerk. Lodesteijn onthoudt zich van het Avondmaal, hoewel hij Dienaar des Woords is. Hij erkent de Kerk niet meer als Kerk. Men heeft niet meer den geest der profeten. Allerlei eischen van tijdelijke en menschelijke opvattingen worden gesteld. Het Conventikel komt en draagt het kenmerk van grauwe eentonigheid en eenvormigheid in leer-opvattingen en levens gewoonten. Die niet aan een bepaalden maatstaf voldoet, valt buiten. Al meer „toetssteenen" en „kenmerken" komen, 't Gaat al meer om onderscheidingen onder de getrouwen. En de getrouwen hebben het zóó druk met de kenmerken tot bevestiging van hun staat, dat zij zich moeilijk meer met de goddelooze wereld konden bemoeien, gelijk de Heiland deed en de Kerk tot roeping heeft. De bruid had alleen oog voor haar bruidstooi en bruidssieraden en niet voor den Bruidegom, 't Ging altijd weer over het schikken en plooien van het bruidskleed, of dat wel in orde was, naar den maatstaf der kenmerken ! De Verbondsopvatting werd verengd. En men riep in de Kerk niet meer de Kerk terug tot gehoorzaamheid. Het Verbond was niet meer voor de ontrouwen, de beloften waren niet hunner ; eigenlijk waren ze ten onrechte gedoopt enz. Naar subjectieve opvatting trok men allerlei scheidslijnen. (Joh. Verschuur). Men kende het Evangelie niet meer. Men zette den mensch aan 't werk, om met een ladder over den muur te kunnen klimmen, inplaats dat 't ging om 't Evangelie : geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden. Men kende niet anders dan: „op deze wijze moet gij zoeken te werken, dan zou er hope zijn, enz." De bekeerden vormen de Kerk, de onbekeerden „de wereld". De bede om den Geest is dan, om de getrouwen allerlei bevindingen te geven. Voor de anderen geldt : „de schare die de wet niet kent".
Ook de Cock was een minnaar van de separatistische, bevindelijke lectuur. Men was allang gewoon een groot deel der Kerk aan te zien voor wereld, mee door een gebrekkige verbondsbeschouwing en door verlies van den profetischen geest en de prediking van het Evangelie van Jezus Christus. Wat de Cock verdedigde was „de zaak van Gods volk". Het was meer het conventikel-systeem, dan de geest van de Kerk. Men sprak van „de onbesneden Filistijn" en „het gedoopte heidendom". De „Vaders der Scheiding" waren de leer des Verbonds kwijt (zie ook dr. Ruurman. De Afscheiding blz. 263). Zij wilden het kerkelijk leven gronden op het persoonlijk geloofsleven. En toen ze onderling een nieuw kerkelijk leven moesten bouwen, kregen ze heit onderling te kwaad. Van Velzen enz.
Wormser, de vriend van Groen, heeft het gevaar van het separatisme doorzien. Om de wille van „de verdrukten" is hij eerst met de Afscheiding meegegaan. Maar teleurgesteld is hij teruggekomen. In zijn boek : „De Kinderdoop" heeft hij zich als 't ware gerechtvaardigd! Op meesterlijke wijze legt hij daar de fouten van het separatisme bloot. Maar toen schreef men ook aan hem, dat het beter ware geweest, dat een molensteen aan zijn hals ware gehangen en hij in de diepte der zee ware geworpen.
In vele streken van ons Vaderland heeft men slechts den christen overgehouden en wat zal een mensch roemen ? Men doet het verbond te niet en men verklaart de beloften des verbonds waardeloos. Men is Christus kwijt. En men durft soms zeggen : alleen de huichelaars vieren nog Avondmaal! De onthouding van den disch des Verbonds wordt „het heilige der heiligen".
In 1886 heeft men veelal wat men noemt „het Gereformeerde Kerkrecht" vereenzelvigd met „den dienst van Koning Jezus", 't welk in de doleantiebeweging, met het op den voorgrond stellen van het institutaire karakter van de Kerk èn van het recht der plaatselijke gemeente, hinderlijk was.
Ook nu dreigen in de Hervormde Kerk de twee gevaren : zich te gemakkelijk schikken in de zondige wegen èn anderzijds : dat we het separatisme koesteren, verwaarloozend onze heilige roeping.
De liefde tot de Gereformeerde belijdenis moet gepaard gaan met een liefde tot de Kerk en de zielen ; een liefde, die beantwoordt aan Jezus' woord : „Ik wil barmhartigheid en geen offerande".
Tot zóóver ons overzicht — in vogelvlucht en zéér gebrekkig — van het Referaat van ds. Woelderink.
En wij hopen, dat men zal voelen dat het boekje, dat nu zoo keurig uitgegeven is door de Maassluissche drukkerij, een buitengewoon belangrijk geschrift is, dat ieder, zegge ieder lid van onzen Gereformeerden Bond en ieder lezer van „De Waarheidsvriend" nu zoo spoedig mogelijk moet koopen en lezen.
Het is een schitterend stuk werk. En wij hopen hartelijk, dat dit geschrift mag meewerken, in en buiten onze Hervormde Kerk, tot een goede en gewenschte oplossing van het kerkelijk vraagstuk, waaraan allen, die de Kerk des Heeren in dezen lande liefhebben en leven mogen bij het Woord, moeten meewerken in den Naam en in de kracht des Heeren, die de God des eeds en des verbonds is en niet laat varen de werken Zijner handen.
De Maassluissche Boekhandel wacht op uw bestelling. Liefst in massa !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's