De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE FONTEIN DES LEVENS.

9 minuten leestijd

En Hij hun geloof ziende, zeide tot hem : uwe zonden zijn u vergeven. Ik zeg u, sta op en neem uw beddeken op en ga henen naar uw huis. Lukas 5 : 20 en 24b.

Bij U is de fontein des levens, alzoo sprak eenmaal David, gelijk wij opgeteekend vinden in den 36sten Psalm. Wat is dat een rijk beeld. Een beeld, dat tot David nog véél meer sprak dan tot ons. Wij wonen in een waterland. Wat een strijd is en wordt er nog niet telkens gestreden tegen het water. Wij hebben eigenlijk nooit gebrek daaraan.
Hoe gansch anders was dat in Israël. Denk aan den tocht van Israël door de woestijn. Aan Hagar, wanneer zij met haar zoon Ismaël Abrams huis moet verlaten.
Een fontein te hebben in zijn omgeving, was daarom een rijk iets.
Maar nu spreekt David van een fontein des levens. Dat is nog veel rijker.
Wij kennen bronnen, waarvan het water door zeer velen gebruikt wordt om genezen te worden van een bepaalde kwaal. Maar stel eens, dat er een fontein was, waarvan het water levenwekkend was. Hoevelen zouden daar niet heengaan. Wat zou men niet willen geven om eenige druppels daarvan te mogen hebben, wanneer het levenseinde naderde. Maar zulk een fontein wordt hier op aarde niet gevonden. Eenmaal is er een boom des levens geweest. Daarvan mocht de mensch in het paradijs eten. Maar toen hij naar den vorst der duisternis luisterde en at van den boom der kennis des goeds en des kwaads, sprak de Heere : dat hij zijn hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens en ete en leve in eeuwigheid.
En toch spreekt David van een fontein des levens.
Wij weten, wat de Heilige Schrift daaronder verstaat. Het is een beeld van Jezus Christus. Met recht wordt Hij de Fontein des levens genoemd. Dat heeft de geraakte, waarvan onze tekst spreekt, rijk ervaren.
Droevig was zijn toestand. Hij was geheel en al verlamd en kon zijn ledematen niet gebruiken. Wat een kruis. Wat een lijden. En toch was er een smart, die hem bij oogenblikken nog meer drukte.
Het waren zijn zonden.
Maar, — zoo zegt misschien iemand — ik lees daar niets van. Er staat niet, dat hij met David beleed : „tegen U, o Heere, heb ik gezondigd en gedaan, dat kwaad was in Uwe oogen". Ik lees ook niet, dat hij met den tollenaar bad : O God, wees mij zondaar genadig !
Volkomen waar. En toch blijkt uit het tekstverhaal, dat deze geraakte een man was, die bekommerd was vanwege zijne zonden.
Zou de Heere Jezus anders tot hem gezegd hebben : Mijn zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven ?
Bovendien lezen wij, dat Jezus hun geloof zag. Nu slaat dit zeer zeker op hen, die den geraakte tot Jezus brachten, maar toch niet alleen op hen. Neen, het slaat ook op den geraakte. Ja, deze man was bekommerd van wege zijn zonden. Gods genade had hem aan zich zelf ontdekt. Hij had het leeren verstaan, dat het zijne zonden waren, die scheiding maakten tusschen God en zijn ziel. Hij moest belijden : ik ben bekommerd vanwege mijne zonden. Maar Gods Geest ontdekte hem niet alleen aan zich zelf, Hij liet hem ook de noodzakelijkheid en de onmisbaarheid van den Heere Jezus Christus zien.
Hem te ontmoeten, dat werd zijn verlangen.
Maar hoe zou dat kunnen plaats hebben. Hij moest belijden, dat hij niet waardig was, dat de Heere onder zijn dak inkwam. En zélf kon hij niet naar den Christus gaan, zooals de Kananeesche vrouw dat deed.
Er was echter één troost.
Hij behoefde niet als de 38-jarige kranke in Bethesda te klagen, dat hij niemand had, die hem wilde helpen.
Neen, als Jezus Christus weder in Kapernaüm komt, nemen hem vrienden op om hem naar Christus te brengen. Zij komen bij het huis, waar de groote Geneesmeester is. Er is echter geen kans om met dezen ongelukkige door de menschenmenigte heen te komen. Zelfs de plaatsen omtrent de deur, zoo zegt de Schrift, konden de menschen niet meer bevatten.
Zullen zij dan maar weer naar huis gaan ? Zij dachten er niet over ; maar indien zij het voorgesteld hadden, zou de geraakte zeker beproefd hebben om hen daarvan af te houden. Hij moest Christus hebben. En zij begeerden hem daarheen te brengen. En als zij niet door de deur heen kunnen komen, klimmen ze met hem de trap langs het huis op, gaan op het dak en maken dit open op de plaats, waar de Heere Jezus stond te spreken. Daar laten zij het beddeke, waar de geraakte op lag, neder, zoodat hij juist voor den Heere Jezus kwam.
Wat zal dat een opschudding gegeven hebben in het huis ! 't Zou geen wonder geweest zijn, indien de discipelen vertoornd waren geweest. Wilden zij eenmaal de kinderkens ook niet van Hem weg houden ? 't Kan ook zijn, dat anderen het ongepast vonden. Werd de Heere Jezus zoo niet gestoord ? En hoe dacht de Christus Zelf er over ?
Er staat geschreven : en Hij hun geloof ziende, zeide tot den geraakte : Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.
Welk een heerlijk antwoord !
Wat blijkt hier duidelijk, dat de mensch aanziet wat voor oogen is, maar dat God de Heere het hart aanziet.
Christus zag achter en in alles wat zij deden, hun gelóóf, door den Heiligen Geest gewrocht. En als Hij dat geloof ziet, spreekt Hij : wees welgemoed.
Vrees was er dus in het hart van den geraakte geweest. Geen wonder. Daar lag hij, de onreine, voor den Reine. Wat zou er van Zijn heilige lippen klinken tot hem ? Geen wonder — zoo moest hij belijden — als de Heere had gezegd : gaat achter Mij, gij vervloekte.
Maar die woorden weerklonken niet.
Neen, van Zijn gezegende lippen klonk het, om den bevreesden geraakte gerust te stellen en te troosten : Wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.
Wie zal de blijdschap vertolken, die nu zijn hart vervulde ? Nu mocht hij ontvangen, waarnaar zijn ziel reeds zoo lang had gedorst, namelijk vergeving der zonde. Nu had hij zekerheid en mocht hij met Job uitroepen: ik weet, dat mijn Verlosser leeft.
Maar was hij eigenlijk niet wat teleurgesteld ? Zou hij niet liever verlost zijn geworden van de geraaktheid ? O neen. Wat baatte het hem, of zijn lichaam nu gezond was geworden en de angst der hel deed hem allen troost missen ?
Neen, Jezus Christus wist, wat hij in de eerste plaats noodig had en daarom schonk Hij hem de zekerheid der schuldvergeving.
Er is zoo menige ziei, die daar soms jaren lang naar uitziet. Wat zou zij gaarne zingen met insluiting van zich zelf :
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, Die van de straf voor eeuwig is ontheven ; Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.
Maar zij durft dien Psalm niet op haar zeil toe te passen. En telkens klimt de vraag : hoe kom ik aan die zekerheid ?
Er is maar één weg, namelijk aan de voeten van Christus. Daar ontving de geraakte het. Daar de tollenaar. Daar heeft ieder het ontvangen, die mag roemen in de vergeving zijner zonden.
Maar, zoo zegt zulk een bekommerde ziel: de geraakte ontving een persoonlijke mededeeling en er komt nu toch geen stem uit den hemel ? Neen, en toch komt de Heere thans ook met Zijn Woord.
Wie, pleitende op 's Heeren beloften, vlucht tot Christus, zal het ervaren dat op 's Heeren tijd den oprechten het licht opgaat in de duisternis. De Heere doet dat op verschillende wijze. Hij verlevendigt de hoop, doet hoe langer hoe meer afzien van zich zelf, geeft hoe langer hoe meer oog voor de bereidwilligheid van den Christus - om armen met goederen te vervullen en leert zoo de hand des geloofs te leggen op het Offer, ook voor hem op Golgotha geslacht.
Zeker, de Heere komt ook meer dan eenmaal een belofte met kracht op de ziel toe te passen, zoodat de ziel met blijdschap wordt vervuld.
Alleen moet men onderscheid maken tusschen een belofte of een woord Gods en een invallend woord of Psalmvers.
Er is zoo menigeen, die zulke invallende v/oorden terstond op zich zelf toepast en ze beschouwt als van den hemel gezonden.
Maar zij doen geen kracht.
Neen, wanneer de Heere komt met Zijn Woord, past dat op onzen toestand en voert het ons tot den Heere. Er is ook geen rust, voordat de belofte vervuld is. Er zal een pleiten zijn met die belofte aan den troon der genade.
Zoo deed de geraakte, en op Gods tijd ontving hij de verzekerdheid des geloofs.
Maar dat niet alleen. De Heere toonde, dat Hij de Fontein des levens is. Dat Hij heeft, wat noodig is voor ziel en lichaam.
Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeën murmureeren, omdat Hij de zonden vergeeft, toont Hij ook nu Goddelijke macht te hebben door den geraakte ook te genezen van zijn lamheid. Daar klinkt het: Sta op, neem uw beddeken op en wandel. En welk een zaligheid. Daar staat hij op, loopt door het huis, maar wandelt bovendien in het spoor der gerechtigheid.
Ja, nu kon hij zeggen : Heere, bij U is de Fontein des Levens. Vervuld werd aan hem het woord, door Zacharia gesproken : te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.
Nu ging hij heen. God verheerlijkende.
Hebben wij reeds leeren vluchten tot die Fontein des Levens ?
Is het ons reeds te doen om de vergeving onzer zonden ?
De Schriftgeleerden hadden er geen behoefte aan. Zij meenden rijk en verrijkt te zijn en hadden geen behoefte om hun Rechter om genade te bidden.
O, dat wij allen in deze donkere dagen veel mogen vluchten tot den Christus, die alles heeft wat noodig is voor ziel en lichaam.
Charlois
G. J. Koolhaas

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's