De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

9 minuten leestijd

In de Psalmen staat een woord, waaraan men in onze dagen telkens wordt herinnerd, n.l. „zekerlijk, de fundamenten worden omgestooten".
Blijkt dit niet uit alles ? Wat als fundament is gelegd en den grondslag vormde, is net zoolang ondergraven dat ten slotte de punt van het houweel er bij kon, waardoor het vernielingswerk kon worden doorgezet en voleindigd.
Wat staat nu eigenlijk nog overeind van alles dat wij in onze jeugdjaren als normaal aanzagen ? Haast niets meer. De verandering is zoó radicaal, dat ge zonder overdrijving kunt zeggen, als eens iemand van de ouderen — ge behoeft waarlijk niet verder dan enkele tientallen jaren terug te gaan — opstond, deze zou zeggen met een blik van verwondering : „waar ben ik ? In welke wereld hebt ge me nu ingebracht? Ik herken van alles wat ik voorheen zag, haast niets meer".
Dat hiermee niet enkel wordt gedacht aan het uiterlijke leven, behoef ik niet eens op te merken. 'kHeb inzonderheid 't oog op de verwording, op de omwenteling op geestelijk en zedelijk terrein. Wat is het huiselijk verkeer, wat is de samenleving onderling als familie, wat is het huisgezin zelve veranderd. De verhouding van ouders tot kinderen en omgekeerd, is zoozeer gewijzigd, dat van het oude niet zoo heel veel meer rest.
Is hiermede niet veel goeds teloor gegaan ? Wij ouderen weten het nog, maar hoeveel jongeren zouden er niet zijn te vinden, die er zich zelfs geen voorstelling van kunnen maken hoe het geweest is. Alles hangt even los aan elkander. Elk moment kan de draad, die het uiterlijke nog samenhoudt, breken.
Waaruit dit nu voortkomt, kan o zoo gemakkelijk worden verklaard. Men heeft de fundamenten omgestooten. De ordinantiën Gods, ons in Zijn Woord voorgehouden, werden losgelaten. Zoo komt dit verschijnsel als een noodwendig gevolg zich aandienen. Alle individuen zijn als losse korrels op één hoop geworpen. Wat hen samenbindt hangt af van wat men hen voorhoudt. Dat is de corporatie, waar zij lid van zijn, of de Staat, op wiens steun zij teren.
Dit laatste is het verschijnsel, dat in onze dagen zoo sterk naar voren treedt. De gemeenten steunen op den Staat. Wanneer er tekorten dreigen of reeds zulk een omvang hebben genomen dat men er zelf angstig onder wordt, zoo wordt een beroep gedaan natuurlijk op den Staat. En wanneer van dezen kant een wenk gegeven wordt om hier te bezuinigen en daar een schrapje door te zetten, zoo hoort men een verdacht geluid en een nietszeggend gebaar wordt gedaan, met het beweren, dat men haar zelfstandigheid in gevaar gaat brengen. Alsof deze niet reeds lang teloor was gegaan.
Alles teert op den Staat.
Of schuilt daarin ook maar eenige overdrijving ? En die de zee bevaren, én die het land bewaken, landbouw en visscherij, ja, noem maar op wat ge wilt, alles vraagt om steun.
Ge zult zeggen : „Wie zal het anders doen ? Van wie mag anders hulp worden ingewacht ? Wanneer deze niet helpend tusschenbeide treedt, komt alles om. Het zinkt weg in het moeras van onze moeitevolle dagen".
We zullen hiertegen weinig inbrengen. Wij zien de wereld als één kluwen van verwarring voor ons. Ge weet werkelijk niet waar de begindraad is te vinden om dit raadsel tot oplossing te brengen. Hieromtrent, dunkt me, mag wel twijfel worden geuit, of de Staat op den duur dezen geweldigen last zal kunnen torsen zonder zelve te bezwijken.
In het algemeen gesproken, wordt in onzen tijd veel eerder en met veel minder tegenzin de hand uitgestoken met het gebaar : kom, leg daar eens in, wat ik meen noodig te hebben. Vragen doet men zooveel gemakkelijker dan voorheen.
Om maar te blijven bij mijn eigen terrein. Wij bieden ook steun aan hen, die dezen steun behoeven. Uit enkele feiten, ook nu nog, treedt soms naar voren hoe het voorheen placht te geschieden. Zoo was ik voor eenigen tijd getuige van het volgende feit. 'k Was bij een stervende geroepen. Het kon misschien nog een halven dag duren, iets korter of langer, doch de dood was in het zicht. Wij zaten met z'n drieën, vader en moeder en mijn persoon, rond het bed. 'it Was hun eenig kind, hun eenige zoon. Alles hadden zij aan hem ten koste gelegd. Vader had in figuurlijken zin zeker minstens één keer zijn jasje gekeerd en zijn uiterste best gedaan, om van moeders 'toewijdende en alles opofferende zorg te zwijgen, om hun beider kind die loopbaan te zien voleinden, waarop allen gehoopt hadden. Wanneer 't was voorgekomen dat het touwtje te kort bleek, zoodat men de eindjes niet aan elkander kon knoopen en de vraag rees bij een van drieën : zullen wij niet de hulp van een vreemde inroepen ? zoo werd dit door de anderen afgeweerd met „wij zullen met uiterste inspanning zelf het werk zoeken te volbrengen, dat wij met Gods hulp zijn begonnen".
De dood sprak. De ouders waren troosteloos. Al was hun de troost, de eenige troost niet vreemd, toch zaten zij in gebrokenheid neder. De Heere gaf ons dit kind. 'Wij waren er rijker mee dan rijk. Gods hand nam hem van ons. Wij dienen Gode te zwijgen, want Hij heeft het gedaan.
Wat ik hierbij in heldere belichting zag gesteld, was de ouderliefde niet alleen, maar ook het bewustzijn dat het de taak is van de ouders om alles bij te brengen, zich zelven de zwaarste offers te getroosten om hun kind te brengen tot het voorgestelde doel. In onze dagen wordt dit zoo hoogst zelden gezien. Hoe vaak wordt niet een beroep gedaan op de steun-biedende hand van anderen, zonder dat in eigen omgeving wordt gezocht naar middelen om het doel te bereiken. Dat stoere, dat niet willen vragen, treft men zoo zelden meer aan. Gelooft het vrij, dat in vroeger jaren menig ouder het allernoodigste zich alleen liet welgevallen, al het andere werd vanzelf nagelaten, om toch maar hun zoon of dochter te brengen op die stee, waar zij geloofden dat God hun had gewezen. Aan kinderen, zoo opgevoed, , kunt ge het later ook altijd weten. De aanhankelijkheid aan ouders en familie wordt door al te gemakkelijken steun van anderen ondermijnd. Vandaar dat wij telkens den raad ook geven : zoek eerst die plaatsen op en klop aan die deuren, waarvan ge redelijkerwijs bijstand moogt verwachten. En wanneer alles is nagespeurd, klop dan aan bij 'ons. Eerst in eigen kring, eerst in eigen omgeving, en dan bij derden. Zoo is het van God gewild. Wie anders handelt, kiest eigenwillige paden, waarvan te voren de vrucht reeds is geweerd. En wie vraagt, èn wie steun toezegt, heeft in dezen wel toe te zien.
Laat me thans u het overzicht van deze week voorleggen. De posten zijn niet zoo heel veel. Toch ben ik niet ontevreden. Daar zijn er onder, die te denken geven, 't Komt voor, dat er jaren over heen gaan voor de dammen worden doorgestoken, waardoor de stroom loskomt. En dan is dit het verrassende, dat de aanleiding, het beginpunt, vaak ligt daar, waar wij het heelemaal niet hebben gezocht.
1. Het eerste kwam weer uit eigen gemeente. In de Oranjekerk werd gecollecteerd niet minder dan 30 gld. van N. N. ƒ 30.—
Den milden gever zij allerhartelijkst dank gezegd, 't Is niet voor den eersten keer, dat ik briefjes krijg van dezelfde hand, evenwel is 't mij niet mogelijk persoonlijk mijn dank te betuigen. Onthoude de Heere hem persoonlijk den zegen niet.
2. In De Bilt is in den laatsten tijd 'n heele verandering ingetreden. Waar voorheen niet de minste medewerking was te vinden, daar werd het, zonder dat wij er persoonlijk iets aan konden toedoen, geheel anders. Telkens kwamen er giften binnen, 't Was net als het gaat in de natuur, eerst enkele druppels om daarna een overvloedigen regen te doen volgen. Waar de regendruppelen ons heenwijzen, n.l. naar Boven, daarheen wendt zich ook ons oog. Wij brengen eerst ootmoediglijk onzen dank aan den Heere. Zijn wegen zijn altijd wondervol. Waar wij zeggen: „kan er iets goeds uit komen? " daar treedt Hij naar voren met manden vol. Doch ook mag dank worden geweten aan hen, die zich allen arbeid en moeite hebben getroost om tot dit heerlijk resultaat te geraken. Vooreerst kwam er binnen van de contribuëerende leden 50 gld. En daarmee tegelijk bracht de heer Overeem me de opbrengst van de collecte, gehouden bij een spreekbeurt, waarbij ds. V. d. Berg, van Amersfoort, voorging. Deze bedroeg de prachtsom van f 72.04. Samen alzoo „ 122.04
Is het niet om er klein onder te worden ?
3. Dicht bij De Bilt ligt Zeist. Ook hier wordt voor onzen arbeid niet weinig moeite gedaan. Niet alleen dat van hier voor kort bijna 100 gld. aan contributie werd opgezonden, doch ook nu werd reeds weer een spreekbeurt gehouden voor den Gereformeerden Bond. Ds. Remme, van Amsterdam, ging hierbij voor. De opbrengst was „ 47.62
Wij danken onze Zeister vrienden hartelijk en houden ons aanbevolen. Tegelijk nemen wij deze gelegenheid waar om al de Kerkeraden waarvan wij gewoon zijn steun te ontvangen, vriendelijk te verzoeken om in de komende weken ons met een collecte te verblijden. Onze uitgaven aan studie-steun zijn buitengewoon geklommen, 'k Maak me wel eens een weinig angstig en ik stel me zelven telkens de vraag of zoo wel mag en kan worden doorgegaan, 't Hangt af mede van wat onze menschen ons toezenden. Daar schuilt in onze kringen een latente kracht, die, goed aangewend, tot groote dingen kan leiden. De bede klimt op tot God, dat Hij met Zijn genade niet wijke uit ons midden.
4. Vanuit Harderwijk zond de Penningmeester van de Afdeeling mij de contributie. Deze bedroeg „ 56.75
Ook aan de vrienden alhier onzen welgemeenden dank. Ook hier kan 't niet onbekend zijn hoe de Gereformeerde Bond, waar geholpen moet worden, zijn steun verstrekt.
Daar is een spreekwoord : onbekend maakt onbemind. Waar 't omgekeerde nu hier het geval is, zoo vragen we een weinig wederliefde. Helpt ons, opdat wij anderen mogen helpen.
5. Door ds. Bruijn, van Heteren, ontving ik van een familie uit Katwijk a/d Rijn voor het Studiefonds „ 10.—
6. Uit den collectezak van Rijssen zond ds. Van Voorthuizen, aldaar, me „ 2.50
7. Uit den collectezak van „Calvijn" te Baarn zond de heer Boelhouwer me „ 2.50
8. De Kerkeraad te Den Ham deed evenzoo. Hier werd in de collecte gevonden een rijksdaalder voor den Geref. Zendingsbond en een rijksdaalder voor het Studiefonds. De beide Penningmeesters van de beide Benden zullen het eerlijk deelen. Ik heb den eersten rijksdaalder al naar Den Haag gezonden.
Te verantwoorden heb ik alzoo van uit Den Ham „ 5.—
9. Van N. N. uit Nijverdal ontving ik voor het Studiefonds „ 1.50
De warme sympathie, waarvan het bijschrift getuigde, heeft ons goed gedaan.
'k Zeg voor al deze losse giften zeer hartelijk dank en houd me in de komende dagen aanbevolen.
Tezamen geteld is het bedrag van deze week
f 277.91.
utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's