De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BELIJDENIS DOEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BELIJDENIS DOEN

9 minuten leestijd

I.
Onlangs werd mij ter beantwoording in de vragenbus van De Vaandrager de vraag voorgelegd, welke de beteekenis is van het belijdenis doen. Daarmede werd dan bedoeld, zooals de meesten duidelijk zal zijn, die kerkelijke acte, waardoor men in de volle gemeenschap der kerk wordt opgenomen en toegang verkrijgt tot het Avondmaal.
De overdenking en beantwoording dier vraag overtuigde mij opnieuw zeer klaar van de hedendaagsche kerkelijke en godsdienstige verwarring.
Bij de beantwoording van deze vraag blijkt toch onmiddellijk, dat wij deze vraag niet kunnen isoleeren van de andere ker­kelijke en theologische vragen ; het eene stuk blijkt ten nauwste met de andere samen te hangen, zoodat 't spraakgebruik dat ons doet spreken van „de waarheid" niet onjuist is, wijl de afzonderlijke leerstukken niet onafhankelijk van elkander en naast elkander bestaan, maar tezamen een sluitend geheel vormen. Daarom is iedere dwaling zoo gevaarlijk, omdat een afwijking in een bepaald leerstuk altijd het geheel der geopenbaarde waarheid aantast Wie zich een oordeel vormt over het belijdenis doen, mag dit wel in gedachtenis houden. Het gaat hier niet om een practisch onderwerp van ondergeschikt belang ; het gaat hier om een vraag, die ons verplaatst midden in de meest beteekenisvolle theologische vragen. Dat wij als gereformeerden hier lang niet allen één lijn volgen, is bewijs, dat er geschillen in eigen boezem liggen, die in de toekomst moeten worden uitgestreden ; anders zal er nooit eenige kracht van ons kunnen uitgaan in kerkelijk en theologisch opzicht.
De vraag naar de beteekenis van het belijdenis doen brengt onmiddellijk in aanraking met de vraag naar den zin van het Avondmaal en het wezen van de kerk. Van daar naar het verbond en de sacramenten als zoodanig is maar één stap. Tenslotte blijkt, dat ook deze vraag weer samenhangt met de verhouding van het subjectieve en objectieve, geloof en openbaring, het voornaamste geschilpunt in heel de nieuwere theologie. En het zou dwaas zijn te meenen, dat wij als gereformeerden met die geschilpunten niet te maken hebben, dat wij ons kunnen terugtrekken op de belijdenisschriften onzer kerk. Immers zoozeer zijn ook wij kinderen van onzen tijd, dat onder ons, ofschoon de meesten nooit gehoord hebben van de theologische geschil punten onzer dagen, dezelfde strijd is te merken, dezelfde vragen aan de orde zijn. Natuurlijk nemen die vragen in het practische kerkelijke leven een anderen vorm en gestalte aan, maar de worsteling de geesten is in den grond der zaak dezelfde.
Ook onder ons gaat het in de prediking en in heel de ontwikkeling van het godsdienstige leven om de verhouding tusschen het onderwerpelijke en voorwerpelijke. De verschillende beantwoording van deze vraag doet de geesten ook onder ons uiteengaan. En de stand der kwestie onder ons als kerkelijke groep is volkomen dezelfde als die op het gebied der theologische wetenschap.
Zooals in heel de vorige eeuw het subjectivisme op theologisch terrein gezegendvierd heeft van de zeldzaam gematigdste vormen af tot de felste consequentie toe waarbij dan de verhouding van geloof en openbaring zoó scheef werd getrokken, dat van de openbaring als voorwerp van het geloof niets overbleef en openbaring en geloof eigenlijk samenvielen, zoo heeft in de vorige eeuw het subjectivisme ook de belijdenis van hen, die zich op de belijdenis : beriepen, gedurig ontwricht, zelfs zoo, dat in tal van kringen het bevindelijke leven geen vrucht meer was van het geopenbaarde Godswoord, maar bevinding en openbaring samenvielen ; de bevinding was dikwijls de kenbron der openbaring.
Ten allen tijde werden er ook in de vorige eeuw onder hen, die de belijdenis onzer kerk liefhadden, gevonden, die tegen deze ontwikkeling van het godsdienstig leven verzet aanteekenden. Tal van namen zouden hier genoemd kunnen worden. Hun waarschuwing werd echter door de meesten in den wind geslagen. Toen is dr Kuyper gekomen. Wetenschappelijk gevormd, heeft hij de draagkracht der dwaling gepeild. En wijl hij door zijn persarbeid een groot deel van ons gereformeerde volk bereikte, heeft zijn gedurig positie kiezen tegen het genoemde gevaar van subjectivisme velen de oogen geopend. Helaas, heeft de doleantie spoedig het proces der genezing verstoord. Een groote gereformeerde groep is afzonderlijk gaan staan. Zij hebben gemeend alle vragen alleen zonder de anderen, die niet waren meegegaan, te kunnen oplossen. Dat daardoor de oplossing niet vrij zou blijven van eenzijdigheid, was haast van te voren te voorzien. De vrees voor het subjectivisme is in de Gereformeerde Kerken zoó groot, dat men meer en meer een prooi van het objectivisme dreigt te worden. Men keert zich niet alleen tegen ziekelijke afwijkingen van het leven des geloofs, maar alle spreken over de bevinding en over de verborgen leiding des Geestes wordt vaak contrabande. De verhouding van het subject tot het object des l geloofs schrompelt bij velen hunner in tot de nuchtere verstandelijke overreding, dat Gods Woord de waarheid is.
Het gevolg van de doleantie met de daarmede verbonden godsdienstige en kerkelijke ontwikkeling is geweest, dat de gereformeerden buiten de Gereformeerde Kerken in het subjectivisme hebben volhard en voor zoover zij bezig waren zich daaraan te ontworstelen, daartoe zijn teruggekeerd. Na de doleantie openbaart zich opnieuw in de Hervormde Kerk een krachtige gereformeerde strooming, maar deze is dan mede uit reactie tegen de doleantie zeer subjectivistisch gekleurd. Onder onze menschen legt men gaarne den nadruk op bekeering en wedergeboorte, op de noodzakelijkheid van een bevindelijke kennis van Gods genade, zelfs in zulk een zin, dat het schijn, alsof de subjectieve kennis de grond der zaligheid vormt.Evenwel niemand ontkomt aan den invloed van heerschende geestesstroomingen. Op het algemeene terrein der theologie valt in het begin dezer eeuw een kentering te bespeuren. Men keert zich meer en meer van het subjectivisme af om opnieuw naar een hechten objectieven grondslag te zoeken, waarop geloof en godgeleerdheid kunnen worden opgebouwd. Deze gedachtenwereld werkt ook krachtig onder ons als gereformeerde groep in de Hervormde Kerk na. Meer en meer beginnen velen, die vóór tien en twintig jaar aan een sterk bevindelijke prediking de voorkeur gaven, de gevaren daarvan in te zien. Het subject des geloofs, losgemaakt van het object des geloofs, wordt aan verarming en verdorring prijs gegeven. Terwijl men God bedoelde te verheerlijken, vervalt men tot menschvergoding en een heiligenvereering, die die van de Roomsche kerk gaat evenaren. Als de prediking van wet en evangelie wordt ingewisseld voor een beschrijving van der geloovigen bevinding, wordt geen nieuwe bevinding verwekt, maar een waanwijs volk geboren, dat niet meer behoeft geleid te worden door den H. Geest langs wegen, die zij nooit gekend hébben, omdat zij den ganschen weg al weten tot in bizonderheden toe en daardoor zelfs in staat zijn om den Heere vooruit te loopen.
Nog in ander opzicht weerspiegelt zich onder ons de heerschende geestesstrooming op theologisch terrein. De terugkeer van het subjectivisme is vaak maar schijn. Men legt wel den nadruk op het object des geloofs, maar construeert dit vanuit het subject. Ook dat valt onder ons op te merken. Velen willen van een leven, waarin de kenmerken van genade een ruime plaats innemen als fondeering van des christens staat voor de eeuwigheid, niet meer weten. De waarschuwing van Comrie tegen hen, die met een ladder van kenmerken over den muur denken te klimmen in plaats van door de deur Christus Jezus in te gaan, is hen uit het hart gegrepen. Zij wenschen terug te keeren tot het allesbeheerschende stuk van de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen. Maar zij keeren daartoe terug op een andere wijze dan de hervormers en onze belijdenisschriften tegenover dit stuk stonden. Deze toch predikten en prediken de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen als inhoud van het evangelie of de belofte des evangelies, maar onder ons zijn er, die tot de rechtvaardigmaking terugkeeren, zooals die door Gods volk in de bevinding gekend wordt. Dan gaat het niet meer om de rechtvaardigmaking als object des geloofs, maar om de subjectieve beleving er van, die, omdat men de rechtvaardigmaking als inhoud des evangelies op zij heeft geschoven, behandeld wordt als ware zij object. Terwijl men zich schijnt af te keeren van het subjectivisme, gaat men dit in der daad toespitsen. Men trekt zich op één punt van de subjectieve lijn terug, om daardoor sterker te staan. Alle bevinding wordt waardeloos verklaard als grond voor de eeuwigheid ; de bevinding van de rechtvaardigmaking, die men dan voor de rechtvaardigmaking uitgeeft, is de eenige, die voldoet. Het is duidelijk, dat op die wijze de gevaren, die aan het subjectivisme eigen zijn, zich vermeerderen inplaats van te verminderen. Een dergelijke prediking acht ik ziel-en kerkverwoestend. Zij kweekt een klein groepje geloovigen, die zoo hoog met zich zelf wegloopen en zoo brutaal alles, wat zich niet tot de hoogte, waarop zij staan, verheft, neerslaan en in den grond trappen, dat men zich afvraagt, of deze menschen zich zelf ooit als een goddelooze hebben leeren kennen, iets, wat toch noodzakelijk is om ook maar uit de verte de beteekenis van de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen te kunnen verstaan.
Deze inleiding bedoelde iets te laten zien van de verwarring, die niet alleen in de Hervormde Kerk als zoodanig groot is, maar ook onder ons als gereformeerde groep in de Hervormde Kerk gevonden wordt. Vandaar dat er onder ons ten opzichte van het belijdenis doen geen eenstemmigheid is. Op de eene plaats doen onder de macht der traditie alle catechisanten belijdenis ; op een andere plaats nagenoeg niemand. De eene predikant vertelt zijn catechisanten, dat het bij het belijdenis doen slechts om een uitwendige toestemming van de waarheid gaat, want hij meent toch zijn best te moeten doen om gereformeerde belijders te kweeken, willen de gereformeerden niet in de minderheid komen, en een volgende dominee wijst enkel op het groote gewicht van het belijdenis doen en hij drijft terug de groote schare, die anders maar onbedacht zou toeloopen, want hij meent toch getrouw te moeten zijn ook in dit opzicht. Waar moeten de menschen zich nu aan houden ? En als dan de menschen zien, dat zelfs hun predikant weifelt, is het dan wonder dat de verwarring al grooter wordt en dat de kerk steeds meer van haar aanzien inboet ?
Ouderkerk a/d IJssel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

BELIJDENIS DOEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's