De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN GODDELIJK VERMAAN.

15 minuten leestijd

„Zoekt Mij en leeft". Amos 5 vers 4b.
Amos, de eenvoudige herder, is door God gezonden uit in de woestijn van Juda naar het tienstammenrijk, dat leefde in een toestand van lichtzinnige gerustheid. De macht van het Goddelijk bevel is over den profeet gekomen. Hij zegt daarvan zelf : „de leeuw heeft gebruld, wie zou niet vreezen, de Heere Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteeren”?
Waartoe moet echter Amos gaan naar Israël ? Is er zulk een gewichtige boodschap over te brengen ? Schort er iets aan Israels dienen van Jehovah ? Is er soms een losweeking gekomen van den door God ingestelden eeredienst ? Oppervlakkig beschouwd, neen immers. Israël is in deze dagen alleszins meer dan godsdienstig. Houdt het zich niet angstvallig aan de verbodsdagen ? Brengt het niet in overvloed brandoffers en spijsoffers, zij het dan bij eigen gekozen heiligdommen ? Hebben wij niet te doen met een orthodox volk, een vroom volk ? Ja, maar een volk, verstard in formalisme, met eigen geliefde theorieën over den weg tot het Godsbezit. En dan, dan gaat onbekeerlijkheid gepaard met het zich stellen op een voetstuk. Dan huwt eigengerechtigheid zich aan gekunstelde vroomheid, waaraan men zich warmt, zooals men dat doet aan schier uitgedoofde spranken, die men 'telkens weer moet oprakelen. Dan is men echter vreemd aan dien nood, die doet schreeuwen naar God, zooals het hert schreeuwt naar de waterstroomen, staat men ver van die alles verterende begeerte om Zijn verborgen omgang te vinden, om te mogen rusten met het bonzend hart in de zoo lang verguisde armen des Eeuwigen, stil, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder.
Amos moet daarom gaan op Gods bevel naar het tienstammenrijk, om het Godswoord te slingeren, als een strijdhamer. midden in dit innerlijk in doodsslaap neerliggende volk. Dwars door hun vormendienst heen, dwars door hun orthodoxie heen, moet dit Woord beuken op de wèlgepantserde deuren van hun hart, en dit als de levensbron trekken onder het meedoogenlooze zoeklicht van den Majesteitelijke, Die het doorgrondt tot in de meest verborgen krochten. Doch midden in dien aanval van den levenden God, klinkt de bede der verguisde liefde : „Zoekt Mij en leeft”.
Zij hooren echter die in 't geheel niet. Wanneer men een bepaald doel voor oogen heeft en zegt: langs dien weg zal ik het vinden, dan mag een roepstem uitgaan, helder en krachtig, die doet hooren, hier is de weg, in hardnekkige eigenwijsheid zal men volgen dat wat men zich zelf heeft voorgesteld. Er ligt toch altijd eene vernedering in, zich den weg te laten wijzen. Moge men het met den mond doen, innerlijk onderschat men zich waarlijk niet zoo spoedig. Daarom kunnen velen voorwenden God te zoeken en bezig zijn met veel en velerlei, wat daar wel op lijkt, maar ze zijn stokdoof voor het Goddelijk vermaan, dat een einde wil maken aan ons redeneeren en ons naar voren treden, aan dat spel der huichelarij, waarbij het allerminst gaat om den prijzenswaardigen levenden God, den Waarachtige, tegenover Wien alle mensch leugenachtig is.
Houdt dan dat „Zoekt Mij en leeft" zoo veel in ? Ja. Waarom? Omdat wij van nature die gunst niet begeeren. Velen, die . zeggen te zoeken, hebben die ontdekking nog nimmer gedaan. Zijn nog nimmer bezweken onder de beschuldiging die daarin ligt.' Eigenlijk moest toch immers dit vermaan geheel overbodig zijn. We zouden zeggen, 't ligt toch geheel in de lijn van onze diepste verlangens Hem te zoeken. Leert de geschiedenis der menschheid het niet, leert die van ons eigen leven het niet, op welk een hooge waarde we stellen de gunst van hen, die boven ons staan ? Letten wij slechts op het naburige Duitschland, dan merkt men daar op, welk een eer men het vindt den leider te mogen dienen. Hoeveel te meer aandrang moest er dan wel niet zijn om den Koning der koningen te zoeken, van nabij te kennen, het leven te stellen in Zijn dienst. Hij is het immers, die alleen heerlijk is. Die de wateren vat in de holligheid van Zijn hand. Die Zijn stoel op starren sticht en grondvest op de wolken, van Wien de onbespraakte schepping reeds een luid getuigenis geeft. Wanneer de wateren opzwellen, de orkanen losbarsten, de bliksem door het luchtruim flitst — dan voelt toch een ieder het, dat het waar is, wat men wel eens zoo uitdrukt : als God spreekt, zwijgt de mensch. Doch, waarom blijft het dan bij vreeze en ontzag ? Waarom richten de gedachten zich daarna weer zoo spoedig van Hem af ? Waarom is er niet een begeerte Hem anders te kermen. Hem vertrouwelijk te kennen. Zijne gunst deelachtig te worden?
Waarom ? Omdat de mensch is uitgegaan van het aangezicht zijns Scheppers. Omdat het leven der ziel is ondergegaan in geestelijken dood. Onder die ontluistering van Adam en Eva worden alle menschen geboren. Hun bedenken, als uit vleesch geborenen, is vijandschap tegen God. Zoo moeten wij zelfs belijden, dat onze kinderen in Adam der verdoemenis onderworpen zijn. Deze sterke bewoordingen willen wij ontzenuwen en verzwakken. Maar niets (wanneer wij rondom ons zien en eenigermate ons eigen hart kennen) wettigt ons tot die vrijmoedigheid, waardoor we een streep zouden kunnen halen door hetgeen in den Romeinenbrief geschreven staat: „daar is niemand rechtvaardig, ook niet één ; daar is niemand, die verstandig is, daar is niemand, die God zoekt; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand, die goed doet, daar is ook niet tot één toe; hunne keel is een geopend graf ; met hunne tong plegen zij bedrog ; slangenvenijn is onder hunne lippen, welker mond vol is van vervloeking en bitterheid ; hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in hunne wegen, en den weg des vredes hebben zij niet gekend, daar is geen vreeze Gods voor hunne oogen”.
Hoe schrompelt hier al de heerlijkheid des menschen ineen!
Ook de uwe?
Hoe wordt hier blootgelegd de heimelijke ondergrond van al zijn doen en streven ! Zoo baant hij zich een weg door het leven, terugduwend, die hem trachten tegen te houden, en tracht hij uit te werken het plan van die verborgen wereld van binnen, waarin hij niemand laat blikken.
En het einde ? Hij denkt aan geen eind. Of, zoo hij er aan denkt, schuift hij deze gedachte spoedig van zich af, of hij ontwerpt voor zich zelf eene Godsvoorstelling, waarbij hij niets te vreezen heeft. Zijn hoogste streven is echter, om zich in het groote ballingsoord dezer wereld, in den tijd van opgang tot nedergang, goed in te richten. Moge ook al het ledige der ziel door haar Godsvervreemding hem eenigermate iets doen zoeken wat gewaagt van God en goddelijke zaken, moge ook al opvoeding en gewoonte dien band nog ietwat versterken, moge ook al heimelijk er een stille hoop zijn op Gods barmhartigheid, om zoodoende uiteindelijk nog goed uit te komen, moge ook al zoo af en toe eenige aandoeningen en merkwaardige gevoelens hem een eenigszins vrome stemming geven, moge ook al meer of mindere malen een tekst of versje hem gegeven worden (waar is dat vrucht van? ), dit alles heeft op zich zelf nog niets, maar dan ook niets uit te staan, met dat zoeken, waarvan ons tekstwoord gewaagt, dat zoeken, dat noodzakelijk is om God weer" als God te kennen en te erkennen. Hem te genieten. Zijne gemeenschap te smaken, in Zijne gunst te deelen en eenmaal deelgenoot te zijn van die onvergankelijke glorie, om daar te baden in de zeeën van eeuwige lofprijzing van den Onverderfelijken, Onzienlijken, Eeuwigen God.
Hoe noodzakelijk is derhalve, dat het Goddelijke vermaan Hem te zoeken, tot ons uitgaat! Baat dit echter, waar de toestand van den mensch zoo is, dat de Schrift dien vergelijkt met een doodsslaap ? Dit zou zoo zijn, wanneer Gods Woord eens menschen woord was. Maar Gods Woord is levend en krachtig, zooals wij dat lezen bij Jeremia : „is Mijn Woord niet alzoo als een vuur, spreekt de Heere, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat ? " Het Woord Gods is immers het zwaard des Geestes. Het blijft niet zonder uitwerking. Het is of ter zaligheid of ter verdoemenis, of ten leven of ten doode. Daarom is de bediening des Woords van zoo hooge waarde, welke geen aandacht heeft te vragen voor den prediker of voor dezen of genen, maar voor God Zelf en de majesteit van Zijn Woord. We komen daar zoo nog op terug.
„Zoekt Mij en leeft". Een bazuinstoot Gods in een van Hem afgedoolde wereld, evenzeer bestemd voor Waarheidsvrienden als „die tegenstaan”.
Klinkt het door in uw ooren, in uw hart?
Maar hoe wordt dan aan dit vermaan gehoor gegeven ? Laat u hier voor oogen staan de waarheid van het: „uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen". Geprezen zij het mysterie van het eeuwige welbehagen Gods, Zijn verkiezende liefde. Ware God het niet, Die Zijne handen uitstrekte naar verlorenen, wie zou Hem zoeken ? De vrijmacht Gods is de eenige verklaring, dat er waarlijk Godszoekers zijn. Velen zien niets van dat wonderheerlijke, dat in deze belijdenis straalt, ergeren zich er aan, zoodra ze het slechts hooren. Velen ook verbasteren deze leer, door de verkiezing te maken tot iets dat geheel op zichzelf staat. Op grove wijze wordt er zoodoende over gesproken en daaruit gemaakt een oorkussen voor het vleesch, waarop rustend men z'n onbekeerdheid rechtvaardigt.
De Heilige Schrift leert ons echter duidelijk, dat God eene gemeente heeft uitverkoren in Christus. Dat wil zeggen, dat Hij aan Zijnen Zoon een gemeente gegeven heeft tot Zijn eigendom, welke Hij moest loskoopen met Zijn bloed. De Vader heeft een band gelegd tusschen Christus en haar, zoodat zij in den honger en dorst naar Zijne gerechtigheid, naar Zijn weldaden, naar Zijne gemeenschap, het teeken harer verkiezing zou vinden. Derhalve komt deze belijdenis tot ons niet met de vraag : „zijt gij een uitverkorene", maar met déze : „wat dunkt u van den Christus ? " Dat deze belijdenis niet toelaat eigen verantwoordelijkheid terzijde te schuiven, blijke uit het Godswoord : „wie den Heere Christus niet liefheeft, zij eene vervloeking”.
God heeft Zijnen Zoon gesteld als een oorzaak der zaligheid voor Zijne gemeente. Voor haar heeft Hij voldaan aan de Goddelijke gerechtigheid, die eischte eene volmaakte gehoorzaamheid aan de den mensch gestelde wet, zoowel als het dragen van de straf op de overtreding gedreigd. Hij is voor haar tot vloek geworden, om haar tot God te brengen. Hij is daardoor de eenige Naam, onder den hemel onder de menschen gegeven, waardoor wij moeten zalig worden. Zijn werk is de eenige weg tot vinden van de versmade, maar onmisbare Godsgemeenschap. Daarom is de mensch buiten Christus de ellendigste van alle schepselen.
Maar met dat te weten, kunnen we nog niet volstaan. De zaligheid is niet enkel door, maar ook in Christus. Niet alleen het objectieve (voorwerpelijke) werk van Christus, Zijne verwerving der zaligheid door vernedering en verhooging is noodig, maar ook het subjectieve (onderwerpelijke) werk van Zijn Geest, Die levend maakt, om van kind des toorns kind der genade te worden. In en door de wedergeboorte leeren wij God in Christus zoeken. Die vernieuwing, die levendmaking door de herscheppende genade des Heiligen Geestes, hebben wij noodig, hetgeen volgt uit onze algeheele verdorvenheid. Tenzij wij wederom geboren worden, wij zullen het Koninkrijk Gods niet kunnen zien. Deze wonderlijke Godsdaad komt als de wind, wiens gangen wij niet kunnen bepalen. Wel kan in het voorafgaande leven er een voorbereidende werkzaamheid des Heiligen Geestes zijn, waardoor achteraf moet gezegd worden, dat er toen en toen reeds bemoeienissen Gods waren, soms teruggaande tot in de dagen der prilste jeugd. Zij openbaart zich echter als vrucht van de werking des Woords en des Geestes. Ook van het eerste, zooals Petrus zegt in zijn eersten brief tot zijn lezers : „Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en eeuwig blijvend Woord van God en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is". Daarom is het zoo noodig naarstig het Woord te onderzoeken en daaronder te komen, met de bede : „Zend Uw licht en Uwe waarheid, dat die Mij geleiden".
Zoo alleen wordt het besef der Godsvervreemding geboren, waardoor veroordeeling en verlegenheid niet uit kunnen blijven. Waardoor met andere oogen eigen en anderer leven wordt gezien, waardoor men de geestelijke doodswade ziet uitgestrekt over alles, waardoor zoo wordt verstaan het woord van Christen uit Bunyan's Christenreize, die in dien toestand tot zijn huisgenooten zegt: „lieve vrouw, en gij, dierbare kinderen, ach, ik moet het u zeggen, dat ik, uw vriend, mij geheel en al verloren in mij zelven gevoel, en zeer gedrukt word door een zwaren last, dien ik te torschen heb. Buitendien ben ik te weten gekomen, dat deze plaats onzer inwoning door vuur van den hemel verbranden zal; en ik weet ook dat wij allen, ik zelf, en gij, mijne vrouw, en lieve kinderen, in deze ontzaglijke verwoesting ellendig zullen omkomen, tenzij wij een middel van behoudenis vinden, doch ik ken het niet". Maar vanwaar dan de begeerte Hem te zoeken en in dien geestelijken levensnood — als schuldige tegenover een heilig God — niet af te laten van Zijn dienst ? Omdat de behoefte drijft. O, innig zielsverlangen, hoe ook schuldig, het vredeleven met God te kennen ! Mits men dan maar bedenke, dat nu niet de weg is, van schrede tot schrede anders te worden, bemoedigende oogenblikken mede te maken. Helaas, het wordt zoo dikwijls gezien na de eerste ontwaking. Is het dan wonder, dat weldra zich weer een droeve toestand ontwikkelt, waardoor geen gebed wil opwellen, waardoor de eens ontwaakte levendigheid weer wegkwijnt, waardoor het denkleven weer zoo gaarne vatbaar is voor alle van God aftrekkende gedachten ? Tot hen kome ook de bazuinstoot : „Zoekt Mij en leeft”.
Hebt gij dat wel gedaan, gij, die voor uw eigen besef weer in het duister ronddoolt ? Bedenkt, dat ook uw eigenwillige wegen van zaligheid in u moeten gedood worden, en dat ge anders niet eer den Heere zult leeren kennen als een verzoend God en Vader, niet eer van den last, die u drukt, zult ontheven worden. Eerlijk moet ge worden voor het aangezicht van den Alwetende. Hier verschijnt voor onze oogen het nachtgezicht van Zacharia. Jozua, met de vuile kleederen bekleed, staande in het gericht voor den rechterstoel Gods. Hebt ge reeds dat gezicht leeren kennen, waardoor ge uw vonnis als een uitgestredene in zelfzaliging en in God den weg voorschrijven van uwe behoudenis — moest aanvaarden, waardoor ge geen steun meer kondet vinden in wat ge vroeger van den Heere aan leiding en leven hebt ondervonden, waardoor ge als een gansch verlorene, als een goddelooze, bij de verschrikking des rechts, de beschuldiging der wet en de aanklacht van Satan nog bovendien, niets anders dan ondergang voor oogen zaagt?
Doch dan wordt die toegerekende gerechtigheid van Christus het licht in dezen nacht. Welk eene tijding : „Wij belijden, dat wij midden in den dood liggen, doch dat wij daarom onze zaligheid buiten ons zelf weten". Buiten ons zelf. Dan wordt ondervonden dat de Rechter, door het volmaakte werk van den Middelaar voor een doemschuldige, een liefderijk Vaderhart ontsluit en den adem des vredes doet gaan over diens benauwde ziel. Dan eerst ziet het oog Immanuël volkomen in Zijne algenoegzaamheid, den eenigen grond der zaligheid. Dat is het ware zien des geloofs, en het ware geloof, dat niets in zichzelf vindt en niet op zichzelf ziet, maar alleen op Christus. Nu weet ik, dat mijne verkiezing vast ligt in Hem, door God gesteld tot een verbond des volks, waardoor ik met alles mijnerzijds, mijn tijdelijk en eeuwig lot voor Zijne rekening lig. Hij zal het volenden. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. Wat wordt dan verstaan wat „zoeken" en „leven" is ! „Zoekt Mij en leeft". Zoekt Mij, dan zult gij leven. Dat is immers de bedoeling.
Wat is eigenlijk leven ? Dat, wat in verband staat met de gunst Gods. Welnu, in dien Borg wordt de gunst Gods gekend en verstaan Jezus' woord in de hoogepriesterlijke bede : „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
Niet, dat dan zullen uitblijven kruis en lijden, druk en loutering. Niet, dan dan de vijand niet meer van allen kant dreigt. Niet, dat dan geen teleurstellingen meer komen — van het kwade licht verrast —, maar daaruit vloeit reden te meer om den Heere hartelijk te blijven zoeken, om van Hem Zijne wegen te leeren en door Zijn Woord en Geest onderwezen te worden, om het Evangelie der genade beter te verstaan, om de volheid van Christus en de heilsgeheimen van het verbond der genade meer van nabij te kermen —, totdat de moede strijder rust ontvangt, wanneer Jeruzalems poort zich ontsluit en de Koning gezien zal worden in Zijn schoonheid.
Zoo zal de heerlijkheid der vromen Op 't luisterrijkst te voorschijn komen ; Zoo schenkt Gods goedheid hun begeeren, Lof zij den Heer der heeren !
Wat werpt bij u dit Goddelijk vermaan omver ?
Zoekt Mij en leeft!
Bodegraven
J-Ch. W. Kruishoop

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's