STAAT EN MAATSCHAPPIJ
HET DOODEHANDS WETSONTWERP.
Zooals wij de vorige week reeds schreven, is een wetsontwerp tot heffing van eene belasting van goederen, die toebehooren aan instellingen van de doode hand, bij de Staten-Generaal ingediend geworden.
Over den inhoud van dat wetsontwerp, dat ook voor de verdere ontwikkeling van het kerkelijk leven in ons land van beteekenis is, willen wij thans het een en ander zeggen.
De Minister begint met in de Memorie van Toelichting het beginsel aan te geven, dat aan het heffen van de belasting ten grondslag ligt.
Naar bekend is, verkeeren de goederen in de doode hand, tengevolge van het feit, dat zij in den regel het eigendom blijven van dezelfde corporaties en dus zoo goed als nimmer vererven, in eene bevoorrechte positie.
Men kan aannemen, dat dooreengerekend de particuliere vermogens eens in de dertig jaar van eigenaar veranderen, zoodat eens in de dertig jaar een overgangsrecht van deze vermogens in den vorm van successiebelasting aan den Staat wordt betaald.
Dit geschiedt uit den aard der zaak, niet van goederen in de doode hand. Van deze derft de Staat, nevens alle andere inkomsten uit belastingen, ook het overgangsrecht der successie.
De Minister van Financiën meent nu, dat, mits het tarief der thans voorgestelde belasting matig blijft, in ieder geval bij den huldigen toestand van de schatkist de invoering van eene heffing van goederen in de doode hand gerechtvaardigd en zelfs noodig is. Waarom, zoo wordt gevraagd, zou de opgetaste draagkracht van deze goederen, bestemd tot het nut van enkelen of van velen, thans niet in geringe mate bijdragen tot het nut van allen?
Ziehier het beginsel, dat naar het oordeel van den steller der Memorie van Toelichting van het wetsontwerp aan eene belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand ten grondslag ligt.
Welke instellingen van de doode hand zullen nu by de heffing der belasting worden getroffen?
Het wetsontwerp bepaalt zich niet alleen tot het heffen eener belasting van de goederen van kerkelijke instellingen : bij de Protestanten van de kerkelijke gemeenten en kerkvoogdijen, en bij de Roomsch-Katholieken van de parochiën, orden en congregatiën, doch het gaat veel verder. Het wetsontwerp betrekt in de belasting ook de vermogens van voorzieningsfondsen, vakcentrales, vereenigingen van bedrijfsgenooten, loges, pensioenfondsen, sociëteiten, reisvereenigingen, toeristenbonden, vereenigingen tot het behouden van natuurmonumenten of dierentuinen, wetenschappelijke genootschappen enz. Al deze instellingen zullen, wanneer zij een niet vrijgesteld vermogen bezitten van ƒ 11000.— of meer — aldus de Minister — hun bescheiden bijdrage hebben te leveren voor de instandhouding van den Staat.
Als instellingen van de doode hand worden niet beschouwd o.m. instellingen van weldadigheid, bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a der Armenwet. Dientengevolge vallen de vermogens der diaconieën buiten het wetsontwerp.
Van belasting zijn vrijgesteld kerkgebouwen en andere tot den openbaren eeredienst bestemde zaken.
En wat ten slotte de heffingsvoet van de belasting naar het vermogen van de instellingen van de doode hand betreft, deze wordt in het wetsontwerp, in afwijking van het percentage der vermogensbelasting van particuliere eigendommen van 2.35, gesteld op 2 procent van elke geheele som van ƒ 1000.—.
De Minister acht deze heffing relatief zeer gematigd.
Tot zoover het wetsontwerp van Minister Oud.
Gelijk wij hierboven reeds opmerkten, is de belastingheffing van de goederen in de doode hand ook van beteekenis voor de verdere ontwikkeling van het kerkelijk leven in ons land, dus ook voor dat in de Ned. Hervormde Kerk.
In 't September-nummer van 't „Maandblad van de Vereeniging van Kerkvoogdijen" wijst de redactie op de verschillende factoren, welke den financieelen nood van de Kerk allengs tot het uiterste doen stijgen. Bij deze factoren — vermindering der inkomsten in alle kringen ten gevolge van de crisis — waardoor de betaling van het kerkelijk belastingbiljet steeds moeilijker wordt en de opbrengst der kerkcollecten, benevens de huur der zitplaatsen in de gebouwen, in dalende lijn gaat, komt nu weer de belasting op de goederen in de doode hand. De redactie van het „Maandblad" merkt op, dat de belangen der kerkvoogdijen bij deze belasting in de hoogste mate zijn betrokken.
Hoe aan de dreigende gevaren van de vermindering aan inkomsten zal zijn te ontkomen, daarover laat het „Maandblad" zich niet uit. Het ziet de toekomst donker in.
Nieuwe bronnen van inkomsten om de financieele moeilijkheden het hoofd te bieden, schijnen niet te vinden. Evenmin schijnt het voor vele kerkvoogdijen niet mogelijk te zijn, om meer dan reeds gedaan werd, te bezuinigen.
Zoo komt de belasting op het vermogen van de instellingen van de doode hand wel op een zeer ongelegen tijdstip, althans voor wat de kerkelijke instellingen betreft. Vermindering van inkomsten en verhooging van uitgaven.
Ongetwijfeld zal de Regeering hare aandacht aan de moeilijkheden moeten schenken, waarin de Kerken ten gevolge van de belastingheffing op de goederen in de doode hand zullen komen.
Belastingheffing is noodig en in tijden van crisis zeker noodzakelijk ; toch behoort er tegen gewaakt te worden, dat het geestelijke leven van het volk schade lijdt.
En in dit opzicht dreigen er gevaren, zelfs groote gevaren.
De Regeering zal daarvoor niet blind mogen zijn, maar zal de gevaren met open oogen hebben gade te slaan.
Het belang van de Kerk, wat óok het belang van den Staat is, eischt zulks.
GEZAG EN VRIJHEID.
Het Kabinet heeft in duidelijke taal zijn beleid verdedigd tegenover de Kamerleden, die in de Afdeeling en de positie der Regeering poogden te ondergraven.
Twee passages uit de Memorie van Antwoord nopens het Voorloopig Verslag op Eerste Hoofdstuk der Rijksbegrooting, mogen als staal dienen van het krachtige bewind, dat op dit oogenblik de leiding van 's Lands zaken in handen heeft.
De eerste passage betreft de hand-having van het gezag.
Te dien aanzien wordt opgeteekend :
„De Regeering ziet in de handhaving van het gezag de bij uitstek haar opgelegde plicht en roeping. Zij is er tevens ten diepste van overtuigd, dat de rechten en vrijheden, welke het Nederlandsche volk nog altijd geniet, in de verwarring dezer tijden alleen behouden zullen kunnen blijven, indien zij op dit stuk haar taak met de meeste nauwgezetheid nakomt. Niet — dit zij hier uitdrukkelijk aan toegevoegd — om haar macht te toonen, maar om de haar toevertrouwde macht te stellen in den dienst van recht en gerechtigheid en daardoor de geestelijke en stoffelijke goederen des volks, onder Hooger Zegen, doeltreffend te beschermen”.
De tweede passage ziet op het houden der vrijheid.
Daarvan heet het in de Memorie van Antwoord :
„Ook voor de beginselen, waarbij ons volk groot geworden is, met name voor den eisch, reeds door den Eersten Willem met zooveel kracht bepleit, van vrijheid van godsdienstige overtuiging en volle vrijheid in het belijden dier overtuiging, heeft het Kabinet een open oog en het stelt er prijs op tijdig te worden gewaarschuwd, wanneer het in dit opzicht van den rechten weg zou dreigen af te wijken”.
Aan deze woorden gaat nog deze opmerking vooraf:
„dat het zittend Kabinet in de Christelijke volksaspiraties, die gelukkig een sterk en bestendig element in ons volksleven vormen, een bron ziet van kracht".
In de beide passages, die wij hierboven lieten afdrukken, spreekt een kloek getuigenis van het Kabinet ten opzichte van het handhaven van het gezag en het hooghouden der vrijheid, de beide grondzuilen, waarop het gebouw van den Staat rust.
DE ZONDAGSVERKOOP.
Er wordt in den laatsten tijd weer een geweldige actie gevoerd om tot verruiming van den winkelverkoop op Zondag te geraken. Zelfs diende de Vrijheidsbond ter bereiking van dit doel bij de Staten-Generaal een wetsvoorstel in.
Het blijkt, dat de Minister van Economische Zaken voor de verruiming wel wat voelt. Althans deze bewindsman deelde in de vergadering van de Tweede Kamer van 20 October mede, dat' het in de bedoeling der Regeering ligt binnenkort een wetsontwerp te bevorderen, dat enkele wijzigingen van technischen aard in de Winkelsluitingswet zal bevatten en dat daarnaast in het in te dienen wetsontwerp ook enkele tegemoetkomingen op het gebied van de Zöndagssluiting zullen worden verwerkt.
„Patrimonium", die van de voornemens der Regeering reeds een week te voren lucht had gekregen, schreef over dit onderwerp in het nummer van 19 Oct.:
Naar het schijnt, wil Minister Verschuur — zij het bij wijze van crisismaatregel — komen tot eenige verruiming van het Zondagsregime voor winkels.
Er is, helaas, ook onder de Roomsche middenstanders, een aandrang om tot die verruiming te komen. Wanneer men maar ter kerke is geweest, mag men de menschen op Zondag voor zich aan het werk zetten, mag men koopen en verkoopen, reizen en trekken, cafe's bezoeken, enz. Dat is, helaas, de Roomsche Zondagspractijk, die met de beschouwingen, b.v. van den vereerden Thomas van Aquino, zeker niet harmonieert.
De Minister moge er zich van verzekerd houden, dat van onze zijde geen medewerking aan, maar slechts scherpe bestrijding van een eventueel voorstel is te verwachten.
Om meer dan één reden.
Allereerst natuurlijk uit principieele overwegingen.
Bovendien wenschen wij den bestaansstrijd niet te verzwaren van de degelijke, geloovige Protestantsche winkeliers, die, uit gehoorzaamheid aan Gods geboden, hun zaken op den Zondag steeds gesloten houden.
En eindelijk schijnt ons het streven naar vermindering van de Zondagsrust weinig in overeenstemming met hetgeen bij het optreden van het tegenwoordige Kabinet is gezegd over 't niet verscherpen van de politieke tegenstellingen.
Het beroep op de crisis is onhoudbaar. In sommige streken zou men gaarne, ook al ware er geen crisis, op den Zondag winkelen. De crisis wordt door meer Zondagsarbeid niet bezworen. En het debiet van den middenstand, als geheel genomen, zal door meer verkoopuren op Zondag weinig grooter worden. Hoogstens zal het gevolg zijn, dat de een in totaal wat meer en de ander wat minder verkoopt. Wie des Zondags meer sigaren of koekjes koopt, zal in de week van dezelfde of van andere artikelen wat minder kunnen gebruiken.
Het bezwaar, dat aan het bezigen van automaten is ontleend, moet men op andere wijze dan door minder Zondagsrust voor de winkeliers ondervangen.
Onze Protestantsch Christelijke winkeliers hebben, terecht, geweigerd om op den Zondag via automaten te verkoopen.
Mocht onverhoopt de agitatie van Jamin e.a. succes hebben, dan moet onzerzijds een krachtige propaganda onder het volk worden gevoerd, om alléén te koopen bij winkeliers, die hun zaken den geheelen Zondag gesloten houden.
Aan Roomsche en liberale winkeliers, die des Zondags hun geld willen verdienen, moeten wij dan in de week onze klandisie onthouden.
Wij zijn het met de strekking en den. inhoud van dit artikel geheel eens. Het doet ons genoegen, dat van de zijde van „Patrimonium" met kracht tegen de voornemens van den Minister van Economische Zaken wordt opgekomen.
Waar blijft de Christelijke Handeldrijvende en Industrieele Middenstand?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's