De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BELIJDENIS DOEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BELIJDENIS DOEN

10 minuten leestijd

II.
In den regel wordt de droeve toestand, waarin kerk en theologie verkeeren, gezien als vrucht van de geestesontwikkeling der vorige eeuw en van de onrechtmatig aan de kerk opgelegde synodale organisatie. Dit is ten eenenmale onjuist. Reeds in de achttiende eeuw is men vrij algemeen het spoor bijster. De verwarring ten opzichte van de verschillende aanhangige vragen blijkt reeds zeer groot te zijn. Zij, die de waarheid wenschen te verdedigen tegenover haar bestrijders, blijken in hun verdediging van de waarheid reeds zooveel afwijkingen en dwalingen aan te hangen, dat hun werk daardoor met vruchteloosheid geslagen is. Het profetisch getuigenis der kerk wordt ingeruild tegen een separatistische eensgezindheid, die de kerk met machteloosheid geslagen heeft tegenover de heerschende dwalingen der negentiende eeuw en velen hun heil heeft doen zoeken in conventikel en afscheiding.
De huidige verwarring is geen vrucht van de synodale organisatie, maar wel is die synodale organisatie te zien als de beschermvrouwe van die verwarring, omdat zij ten doel had een kerkelijke oplossing van de verwarring voor goed onmogelijk te maken.
De lezing en het onderzoek van de geschriften van Appelius deden mij dezen zomer weer bij vernieuwing zien, hoe hopeloos verward de theologische situatie reeds in de achttiende eeuw was. En het moet gezegd, dat men toen reeds met elkander streed over vragen, waarover het geschil onder ons nog altijd gaat, zonder dat men eigenlijk kan zeggen, dat men der oplossing naderbij is gekomen. Het zijn dezelfde vragen, waarvoor men komt te staan, als men zich indenkt, welke de beteekenis is van het belijdenis doen. Om deze reden meen ik, dat het goed is iets uit dien strijd van vroeger dagen in herinnering te brengen.
In 1761 schreef Appelius, predikant te Zuidbroek en Muntendam, zijn Vervolg van Aanmerkingen over het recht gebruik van het Evangelie. Gelijk dat bij tal van oude schrijvers het geval is, is de voorrede van dit werk veel belangrijker dan het werk zelf. Zij beslaat dan ook niet minder dan 172 pagina's. Terwijl in het werk zelf, dat uit verschillende verhandelingen of preeken bestaat over onderscheidene teksten, de opmerkingen of aanmerkingen, gelijk Appelius ze noemt, hier en daar verspreid liggen, zijn ze in de voorrede meer stelselmatig verwerkt, zoodat het daardoor veel gemakkelijker valt om na te gaan, welk doel de schrijver met zijn aanmerkingen beoogt en welk het verkeerd gebruik van het evangelie is, dat hij wenscht te bestrijden. Uit den titel is reeds duidelijk, dat de vraag, welk gebruik van het evangelie, dat God ons laat prediken, gemaakt moet worden, oorspronkelijk het punt is, waarover gehandeld wordt. Omdat Appelius zeer terecht bij de behandeling van die vraag de beteekenis van de sacramenten en het recht gebruik daarvan aanroert, wordt hij in een strijd over de sacramenten gewikkeld, die tot zijn dood heeft geduurd. In een volgend artikel hopen we op dien strijd wat nader in te gaan.
Er is niets nieuws onder de zon. Reeds in Appelius' dagen blijken velen reeds een verkeerd gebruik van het evangelie te maken, ja, de prediking van het evangelie wordt voor hen zelfs een pleisteren met looze kalk, zoodat getrouwe evangeliedienaren zich blootstellen aan de aanvallen en beschuldigingen van deze menschen, die in hen handlangers zien van de valsche profeten, die immer roepen vrede, vrede en geen gevaar. Appelius ziet het gevaar, dat van deze zijde allerwegen dreigt en waarschuwt ten ernstigste daartegen. Hij doet dat uit liefde tot Gods volk, dat anders van den troost des evangelies beroofd wordt en niet meer kan opwassen in geloof en liefde, ook geen gebruik meer kan maken van het sacrament des Avondmaals. Omdat deze verderfelijke geest zijn ondergrondsch vernietigingswerk in onze dagen onder ons nog altijd voortzet, geven we hier enkele aanhalingen uit de woorden van Appelius.
Van de algenoegzaamheid van Christus' offerande spreekt hij aldus :
„De goddelijke gerechtigheid en heiligheid is door haar zoozeer verheerlijkt geworden, dat zij niet in het allerminste verduisterd zouden worden, wanneer alle zonden van allen zonder de minste straf van den zondaar vergeven en wanneer zij aUen overtuigd, bekeerd en gezaligd werden. Alles wat zij tot hunne zaligheid noodig hebben, overtuiging, geloof, bekeering, heeft Christus voor zulke zondaren als zij zijn, verdiend. Wanneer zij allen tot Hem kwamen, zoo zouden zij gewis zalig worden. Alle menschen, die onder het evangelie leven, hebben vrijheid en zijn verplicht deze genoegzaamheid en gepastheid voor hen in het bizonder te erkennen en tot Hem te komen, gelijk wU straks nader hopen te zien. En allen, die - dadelijk tot Hem komen- hoedanigen of hoevelen zij ook zijn, zullen gewis volkomen zalig worden”.
Van deze vrijheid en dit recht om van Christus gebruik te maken zegt hij later : „De grond nu, waarop de menschen, die onder het evangelie leven, recht en vrijheid hebben om Christus met al zijn goederen aan te nemen, is niet in eenige gestalte van armoede, licht, overtuiging of iets anders, maar enkel en alleen in de vrije roeping, aanbieding en noodiging van het evangelie gelegen. Zonder dezelve kan of mag niemand, hoe arm hij zij, maar op dezelve mag en moet hij, hoe verstokt hij zij, tot Christus komen".
Hoe een deel van de Gemeente hiertegenover stond, teekent hij in woorden, die doen zien, dat dit geslacht onder ons nog niet is uitgestorven. „Hooren zij, dat een dienaar van het evangelie naar den hem gegeven last het evangelie aan alle creaturen zonder onderscheid verkondigt, zoo denken zij niet alleen, maar zeggen het ook menigmaal zeer trotslijk uit: de man is al te gemeen. Zou hij in den grond wel zuiver zijn aangaande de bizondere genade ? Of wanneer men zeer zacht en bescheiden wil zijn, zoo beklaagt men hem, dat hij zoo duister is, geen licht heeft, al te goedaardig is, de zielen al* te zacht pleistert en halfgebakken christenen maakt. Doch zij denken niet, dat zij al deze beschuldigingen tegen den Heiland, die zulk een verkondiging van het evangelie geboden heeft, tegen het evangelie en tegen de geheele Hervormde Kerk, die deze waarheid gelooft en openlijk belijdt, inbrengen. Maar hoe handelen z i j dan ? Ontmoet hen iemand, zoo onderzoeken zij, of hij recht ontdekt, overtuigd en verootmoedigd is; en zij meten naar hun gemaakten graadstok, hoe vele trappen hij gekomen is en hoe ver hij nog van de eigenlijke diepte moge zijn. Bespeuren zij, dat die ellendige nog niet recht overtuigd en verootmoedigd is, of nog niet zoo diep, als zij denken, dat hij zijn moet, zoo zijn zij zeer zorgvuldig, dat zij hem niets van het evangelie of van Christus of van de verzoening voorspreken. Zij denken, dat past voor zulke nog niet. Men moet niet pleisteren, eer men wonden heeft. Hy mocht gerust worden of wat praten leeren, indien wij hem van het evangelie spraken. Wij willen getrouwer handelen dan andere. Hoe moet men dan doen ? Men moet de menschen ontdekken, overtuigen en verootmoedigen. Waardoor ? Door de wet of liever door een harde behandeling, zonder juist den eisch der wet medelijdend en vriendelijk open te leggen en aan te dringen. Men stelt hen hun onbekeerden staat met uitdrukkingen, die naar verachting, toorn en onbarmhartigheid gelijken, streng voor oogen. Men schildert hen Gods toorn, de hel en de verdoemenis onder vreemde uitdrukkingen en gelijkenissen af. Men roept hen toe, dat zij arm, overtuigd en verootmoedigd moeten worden. Spreekt men over Schriftuurplaatsen, daar over belaste, beladene en vermoeide gesproken wordt, men maakt van die uitdrukkingen zoo hooggaande bepalingen, welke de spreker zelf of eenig mensch nooit naar waarheid ondervonden heeft. Men voegt daarbij : zoodanig moet gij ook bestaan, of het evangelie raakt u niet. Wie moet hier niet verschrikken over zulk een onbedachtzame tegenspraak tegen het evangelie?
Na in den breede gewaarschuwd te hebben tegen de gevaren, die hier dreigen, besluit hij met deze woorden, die wij om de belangrijkheid van de zaak, waar het hierover gaat, zonder verkorting willen weergeven. „De onpartijdige lezer gelieve toch te oordeelen, of de ruimste verkondiging van het evangelie aan allerlei soorten van menschen met de bovengemelde voorzichtigheid toegediend, wel zoo onbedachtzaam, gevaarlijk, schadelijk en duister zij, als vele menschen zich en anderen pogen wijs te maken. Of het niet integendeel dezelfde handelwijs zij, welke Christus en Zijn apostelen zelve gehouden en aan alle verkondigers van het evangelie ter navolging voorgeschreven hebben ? Of het niet de veiligste, voorzichtigste en krachtigste weg zij om een zondaar alle uitvlucht te benemen, hem zijn boosheid op het grondigste te ontdekken, in de engte te drijven en zoo de H. Geest er onder werkt, tot een allerdiepste verootmoediging, tot een levend geloof en waarachtige bekeering voorspoedig te leiden ? Is het dan niet een teeken van een beklaaglijke duisternis, geesteloosheid en onbedachtzaamheid om het op het allerzachtste te noemen, wanneer men voor zulk een handelwijs schrikt en dezelve zoekt tegen te gaan? ”
De gevolgen van zulk een onevangelische handelwijze bleven in de Gemeenten niet uit. Velen, zegt Appelius, storten in een moedelooze werkeloosheid neer. In plaats van met het evangelie te werken houden zij zich op met allerlei gissingen aangaande de verborgen dingen van Gods besluit en de bizondere bedoeling van Christus' voldoening. Wordt hen de liefelijkste uitnoodiging van het evangelie voorgehouden, zoo luisteren zij liever naar de trouwelooze getrouwheid van hen, die hen ongelukkig pogen te overreden, dat de verkondiger van het evangelie een algemeen man is, die geen licht heeft of door onbedachtzame goedaardigheid er los overheen loopt en met looze kalk pleistert. Zij zoeken zich zelf te verbreken zonder iets te vorderen. Zij hebben nergens een vasten grond, waarvan zij beginnen kunnen. Zij zijn voor het evangelie meer bevreesd dan voor den ijselijksten leugen van den aartsleugenaar. Doch al deze zwarigheden zouden aanstonds en ten eenenmale vervallen, wanneer men maar een duidelijk begrip van den doop had en naar behooren daarmede werken kon".
Van het evangelie is geen recht gebruik te maken, als men geen rechte voorstellingen heeft van de sacramenten, waardoor ons de beloften des evangelies worden beteekend en verzegeld. Wie het evangelie niet waardeert, waardeert ook de sacramenten niet; wie voor de sacramenten terugschrikt, schrikt voor het evangelie terug. Dat heeft Appelius goed gezien en daarom kan hij aan de bespreking van de bondszegelen niet voorbijgaan. Hij gaat tot deze bespreking over uit liefde tot de zielen om ze te leiden op den weg des levens. Zie hier een proeve van zijn schrijven. „De gedoopte kinderen, tot rede-gebruik gekomen zijnde, moeten zich gedurig herinneren, dat zij het merk en zegel van God dragen, en dat zij de allerverschrikkelijkste zonde zouden doen, wanneer zij dit merkteeken van den Allerhoogste van zich scheuren en het merkteeken des satans, der wereld en der begeerlijkheden liever dragen wilden. Zij dienen gestadig te bedenken, dat zij niet alleen recht en vrijheid hebben maar ook verplicht zijn om te gelooven, dat hen de belofte toekomt, in dien zin, welken wij meermalen gezien hebben. Zij behooren daarvan een spoedig, vrijmoedig en verstandig gebruik te maken tot overtuiging, geloof, bekeering en zaligheid. Wanneer hen de satan, onverstandige menschen en het ongeloof in verwarring willen brengen, of zij ook tot den Heiland komen mogen, zoo moeten zij o p de verklaring van God, in hun doop gedaan, pleiten, en zij zullen het geding in het goddelijk gericht winnen”.
Deze woorden van Appelius hebben wij eenigszins uitvoerig aangehaald om straks geen verkeerd oordeel bij onze lezers van hem te verwekken. Hij wist, in onderscheiding van tal van zijn tijdgenooten, nog wat evangelieprediking is.
Ouderkerk a/d IJ.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

BELIJDENIS DOEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's