MEDITATIE
De Heere regeert; dat de volkeren beven. Psalm 99 vers la.
Reeds vele eeuwen oud is niet slechts de vraag : vanwaar het ontstaan ? maar ook : vanwaar het voortbestaan der wereld ? Zeer verschillende antwoorden worden niet slechts op de eerste, maar ook op de tweede vraag gegeven. Er zijn er, die zóó dwaas zijn, dat ze zeggen in hun hart: Daar is geen God. Zij houden het er voor, dat alles afhangt enkel en alleen van het bloote toeval, of ook van de wetten der natuur. Hoe geheel anders leert ons Gods Woord in het algemeen, en onze psalmist in het bijzonder, zeggende : De Heere regeert.
En ja, zoo is het. Het onmetelijk heelal heeft niet slechts zijn ontstaan, maar ook zijn voortbestaan te danken aan den Heere. Reeds de geschiedenis van Gods oude volk Israël, zooals die in Gods Woord beschreven staat, leert ons zulks allerduidelijkst. Zelfs nog tot op den huldigen dag kunnen we, met het oog gericht op dat zoo gansch merkwaardige volk, opmerken de besturende hand van den Heere, Israels God. Alles zins was dan ook gepast het antwoord : „Sire, de joden", hetwelk eenmaal een Pruisisch hofprediker zijn vorst gaf, toen deze hem vroeg om een kort en klaar bewijs, dat God regeert. Hoe kennelijk leert zulks ook de geschiedenis van ons eigen volk, zoo in menigerlei opzicht op die van het zaad Abrahams gelijkend, zoodat we dan ook mogen spreken van den God van Neêrland en Oranje.
Zelfs, goed beschouwd, gaat het Godsregeer over alle volkeren der aarde, ja, over al wat Zijn almacht wrocht. Reeds meer dan negen en vijftig eeuwen wilde Hij te doen hebben met Zijn schepsel, en ook nu nog heeft Hij Zijne hand niet onttrokken aan de volkeren. Doch waar dit zoo is, daar is het zoo allernoodzakelijkst dat de volkeren hunnerzijds nu ook willen te doen hebben met den Heere. Met opzet en met grooten nadruk schrijf ik : willen te doen hebben, want dat zij met Hem te doen hadden in het verleden, te doen hebben in het heden, en zullen te doen hebben in de toekomst, is ontwijfelbaar zeker.
Vooral in den tegenwoordigen tijd bewijzen de oordeelen en de gerichten, die er gaan over de volkeren der aarde, dat zij te doen hebben met een God, Wiens Koninkrijk gaat over alles, zoodat Hij waarlijk blijkt te zijn de Koning der koningen en de Heere der heeren.
Dat Zijne hand niet nog zwaarder drukt op de volkeren, en hen nog niet ganschelijk verplettert vanwege zoo groote, uitbrekende goddeloosheid, ja, die zelfs nog opent om te zegenen in meer dan één opzicht, het is niet, omdat Zijne hand niet zou zijn vol sterkte, ook niet, omdat Zijn alziend oog al die boosheid niet zou gadeslaan, maar alleenlijk vanwege Zijn taai geduld. Doch ééns neemt Zijne lankmoedigheid een einde en zal Hij op geduchte wijze doen ervaren, dat Hij een driewerf heilig God is, met Wiens liefde het gaat als met het vuur, weldadig alleen voor wie het rechte gebruik er van maken, maar schadelijk voor wie het komen te misbruiken. De Heere is, voor wie ten einde toe Hem tegenstaan, dan ook als een verterend vuur. We lezen er van in Nahum 1 vers 2 : „Een ijverig God en een wreker is de Heere, een wreker is de Heere, en zeer grimmig ; een wreker is de Heere aan Zijne wederpartijders en Hij behoudt den toorn Zijnen vijanden". En waar ook onze psalmist zeer wel weet, dat de Heere is een heilig, alsook een alwetend en almachtig God, daar voegt hij dan ook aan de woorden : „De Heere regeert" nog toe het vermaan : „dat de volkeren beven”.
En wel terecht. Waar de leer van Gods voorzienigheid voor Gods volk mag zijn tot een aansporing om in voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig te zijn, en om, wat de verdere toekomst aangaat, een blij toevoorzicht te hebben op den Heere als hun trouwen verbonds-God, daar hebben de volkeren te beven, nu het de Heere is, die regeert.
De Heere toch is de allerhoogste Majesteit, bekleed met mogendheên, van Wien een Jesaja betuigt in Jesaja 59 vers 17 : „Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en den helm des heils zette Hij op Zijn hoofd, en de kleederen der wraak trok Hij aan tot kleeding, en Hij deed den ijver aan als een mantel”.
Hoe betaamt het daarom den volkeren om te beven en om te zijn „bevend op 't gezicht van Zijn vermogen”.
Reeds wanneer het oog gericht is op den bangen tijd van heden, nu tronen waggelen, de revolutiegeest onheilspellend rondwaart, het eene volk het andere bejegent met haat, en tevergeefs gezocht wordt naar herstel van het verbroken evenwicht, is er alle reden toe voor de volkeren om te beven, vooral met het oog op de toekomst. De oordeelen en de gerichten des Heeren kunnen, ja, zullen nog wel zwaarder worden, wanneer men blijft spreken, denken en handelen, alsof niet waar ware : De Heere regeert, en nu zelf wil regeeren, ja, weigert onderdanig te zijn aan de machten, die daar van God gesteld zijn.
Ongetwijfeld, wel mag vooral in onzen zoo opstandigen tijd het vermaan klinken : dat de volkeren beven, inzonderheid als gedacht wordt aan den grooten dag der toekomst, waarop alle volkeren der wereld zullen staan voor den rechterstoel van Christus. Welk een beven zal er dan zijn ! Dan een verlangen, om sidderende te ontvluchten aan de straffende hand des Rechters, aan Wien al 't oordeel door Hem, die regeert, is overgegeven, maar tevergeefs, te laat! Dan slechts ervaren de zoo ernstige waarheid : het zal vreeselijk zijn te vallen in de handen van den levenden God. Dan het eeuwig verderf. Ja, reeds terstond na het sterven treedt in het eindelooze wee.
Een ontzettend eindgericht, helsche pijn en smart zijn de onverbiddelijke eischen van de gerechtigheid van Hem, die regeert. Niet zullen nog eenmaal de verdoemden uit den hellekerker worden vrijgelaten. „Laat varen alle hoop, die hier binnentreedt" — zoo roept dan ook de Italiaansche dichter Dante uit, heenwijzende naar de hellepoort. Doch waar dit alles zoo is, hoe noodzakelijk moet het nu worden geacht, om ter harte te nemen het vermaan: „dat de volkeren beven”.
O, indien het daartoe eens kwame, in plaats van als nu te spotten met alle Godsregeer, hoe zou dan blijken, dat het als een voorrecht, zeer groot, moet worden geacht, dat de Heere regeert.
Och, dat daarom de nu zoo verblinde oogen eens er voor geopend wierden, dat er een God is, die regeert, vóór het voor eeuwig te laat is. Dan zal ook niet kunnen wegblijven een beven voor Hem. En daartoe toch dient het te komen, en dan niet slechts tot een beven vanwege de oordeelen des Heeren, als zijnde de bittere gevolgen der zonde, maar vooral vanwege de zonde zelve, uitroepende met een David : ik ben bekommerd vanwege mijne zonde.
Het moet worden tot eene zonde, zeer groot, dat men, inplaats van te erkennen dat de Heere regeert, en eerbiedig te gehoorzamen aan Hem, als zijnde onze groote Koning, Wetgever en Rechter, zelve heeft willen regeeren, zoodat de Heere wel herhalen mag het woord, eenmaal tot Samuel gesproken omtrent het volk Israël : Zij hebben Mij verworpen.
Voorzeker, het moet worden tot zonde, zeer groot, zoodat het komt tot eene heilige vreeze en beving, dat men God heeft verlaten en Zijne wetten en rechten overtreden heeft en alzoo schuldig staat aan schennis van de allerhoogste Majesteit.
Welk een zegen zou het zijn, zeer groot, indien het nog eens kwam bij de volkeren, bij overheden en onderdanen, tot dat beven, door onzen psalmist bedoeld, zoodat gezien werd niet langer een vluchten van den Heere af, maar naar Hem toe, in de ware Esther's gestalte, besluitende : alzóó zal ik tot den Koning ingaan. Wanneer ik dan omkom, zoo kom ik om.
Zie, dat zou nog eens mogen heeten eene bevinge Gods, zegenrijker dan die, van welke we lezen in 1 Sam. 14 vers 15. Ongetwijfeld, indien het aldus eens kwam tot een beven, voortaan den Heere erkennende als Koning, zich eerbiedig onderwerpend aan Zijn gezag, zoo zou de Heere bewijzen dat Hij is een gaarne vergevend God, die mildelijk schenkt en niet verwijt.
Gewis, heilzaam mag heeten het beven, in onzen tekst bedoeld. Heilzaam vooral voor de ziel, dewijl ze vermag te leiden tot waarachtige bekeering. Zoo was het eenmaal bij den apostel Paulus op Damascus' weg, gelijk we lezen van hem in Hand. 9 vers 6 : En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide : Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Aldus was het ook eenmaal bij den stokbewaarder te Philippi, van wien we lezen in Hand. 16 vers 29 : „en werd zeer bevende”.
Hoe blijkt hieruit ten duidelijkste, dat er is eene beving, zeer zegenrijk, zich openbarend in eene droefheid naar God, uitwerkende eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid.
Ook geldt zulks aangaande de beving, die aangrijpt zulken, die zich overweldigd en overstelpt gevoelen door de zoo groote liefde en goedertierenheden des Heeren, en dat bewezen aan hen, onwaardigen. Aanvankelijk dan trachten ze nu voortaan den Heere te behagen door een uitwendig vroom leven. Doch wat ondervinden ze tenslotte ? Dat het al ijdelheid is, en een zichzelven dood werken. Hoe grijpt nu beving hun aan en vreeze, dat de Koning der koningen hen wel zal afwijzen, hetwelk zij ook wel zouden billijken. Doch wat ervaren ze, als zij, door den nood gedreven, 't wagen tot Hem de toevlucht te nemen ? Wel, dat bange vreeze wordt beschaamd gemaakt. Want, o wonder van vrije ontferming, zulken nooddruftigen komt de groote Hemelkoning in Christus, den Zoenborg, den genadeschepter toe te reiken. Eerst evenwel ziet een bekommerde en heilzoekende dien niet. O ja, wèl beluistert hij gaarne de blijde boodschap, dat Christus is de eenige en algenoegzame Borg en Middelaar, maar dat Hij het ook zou zijn van hem, onwaardige, hij acht het al te groot te zijn. Evenwel kan en wil. hij niet nalaten te roepen uit de diepte, zij het ook met een sidderend hart : Heere, wees Gij mijn Borg!
En wanneer nu eindelijk door den Heiligen Geest hem de vrijmoedigheid geschonken wordt om in den geloove dien genadeschepter, Christus, hem toegestoken, aan te roeren, al zij het dan ook bevend, en den Zoon te kussen, zie, dan wordt het hart met vrede en vreugde vervuld. Dan toch ervaart hij, dat de Heere regeert, niet als een toornend God, maar als een verzoend Vader, en acht hij het als eene genade, zeer groot, dat hij van dien Koning der koningen een onderdaan, ja, een kind mag zijn. In die stonde kan ook hij wel betuigen:
Mijn ziel is immers stil tot God ; Van Hem wacht ik een heilrijk lot.
Dan weet hij, hoe nu ook de storm van onspoed zijn levensscheepje moge heen en weer slingeren, geen nood, want Vader, zijn Vader, zoo getrouw als sterk, houdt het roer omkneld. En daarom mag er blijdschap zijn in zijn hart. O zeker, ook is er wel weer beving, als hij bij vernieuwing bepaald wordt bij de grootheid en heiligheid des Heeren eenerzijds, en bij eigen nietigheid en zijn zondige Adamsnatuur anderzijds, alsmede bij de macht van satan en wereld, zulke geweldige doodsvijanden, maar toch mag hij somwijlen grootelijks in den Heere zich verheugen.
En, blij vooruitzicht : eenmaal geen beven meer, maar huppelen van zielevreugd. Dan geen zaaien meer met geween, maar een maaien met gejuich.
Doch waar alzoo het beven, waarover we het heden hadden, zoo heilzaam is, daar hebben we wel ons zelven af te vragen, of het door genade daartoe reeds kwam bij ons zelve.
Is dat zoo, mijn waarde lezer, hoe hebt ge dan rijke stof om den Heere groot te maken en te toonen, door belijdenis en leven, dat het uw lust is om als een gehoorzaam onderdaan den Heere te vreezen.
Maar indien het nog niet bij u kwam tot dat beven voor den Heere, och, dat dan nog eens door den Heiligen Geest op uw ziel gebonden wierd het vermaan, zoo ernstig :
Vreest 's Heeren macht, en dient Zijn majesteit : Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen. En kust den Zoon, van ouds u toegezeid. Eer u Zijn toorn verdelg voor aller oogen.
Nog is het de wèlaangename tijd, de dag der zaligheid, het heden der genade. Doch hoe moet dat zijn tot eene aansporing om zich te haasten om zijns levens wil. Misschien, mijn waarde lezer, verkeert gij thans zoozeer onder den indruk van Gods grootheid en heiligheid, en van uwe kleinheid, zonde en ellende, dat ge zijt vol beving en bange vreeze, dat het voor u wel te laat zou zijn. Is dat zoo, welnu, dan vraag ik u, zou dan misschien aangaande den Koning der koningen niet waar zijn het woord : In de veelheid der onderdanen is des Konings heerlijkheid?
Ja, ik vraag u, heeft de Heere wel ooit een tot Hem zuchtende en vluchtende ziel voor immer afgewezen ? Heeft Hij dan niet zelve beloofd : Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk : die zullen op den Naam des Heeren betrouwen ?
Gelooft ge dan niet, dat er is een rijke Christus, en wel juist voor een arm zondaar ? Och, dat ge dan ook maar het wagen mocht, om den Heere te voet te vallen, opdat Hij met den schepter Zijner genade heersche ook in uw harte, en beving verwissele in zaligen vrede en alzoo ook nog eens uwe betuiging worde :
Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen ; Die Zions Vorst erkennen voor hunn' Heer'? Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen !
Moge daartoe nog deze meditatie u ten zegen zijn. Amen.
Harmelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's