De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

DE PROTESTANTSCHE KERK IN NED. INDIE. (3)
Ten slotte bereikte in 1931 een nieuw voorstel van de Regeering het Kerkbestuur en hiermede zijn we — aldus dr. Slotemaker de Bruine in de Groote Kerkvergadering van 10 Mei j.ï. — gekomen tot den nieuwen toestand van 't oogenblik, voor de Protestantsche Kerk in Ned. Indië van zoo groote beteekenis.
We kunnen constateeren, dat het initiatief tot wijziging in de verhouding van Kerk en Staat steeds is uitgegaan van de Regeering. Er werd echter nooit overeenstemming bereikt; en in verband met art. 176 Indisch Reglement kon er dan niets gebeuren. Eenzijdig slaken van den band v/as uitgesloten. Het is der vermelding waard, dat in 1891 de Indische Regeering heeft voorgesteld dat artikel — toenmaals art. 122 — uit het Regeerings-Reglement te verwijderen, ten einde den Staat de vrijheid te geven wèl eenzijdig tot scheiding over te gaan. De Nederlandsche Regeering wilde daar echter niet aan en in 1925 is het art. in de nieuwe Staatsregeling overgegaan. Geen veranderingen dan met wederzijdsch goedvinden!
Het is wel van beteekenis hier in 't algemeen aan te geven, wat de motieven — sedert 1864 — zijn geweest, welke zoowel het Kerkbestuur als die organen der Kerk, die zich terzake geuit hebben, tot hun afwijzijnde houding hebben gebracht ten aanzien van een „administratieve scheiding”.
Bij alle hier bedoelde voorstellen der Regeering is uitdrukkelijk verklaard, dat de financieele verhouding dezelfde zou blijven en dat het recht op uitkeering uit 's Lands kas gewaarborgd bleef. Ook nog in 1904 noodigde G. G. van Heutsz het Kerkbestuur uit, van zijn gevoelen te doen blijken o.a. nopens een wijziging in de bestaande verhouding tusschen Kerk en Staat in Indië in dien zin, dat de band beide losser zou worden gemaakt en aan de Kerk als zoodanig, met behoud van hetgeen zij thans van Gouvernementswege geniet, meer zelfstandigheid zou worden gegeven”.
In 1864 noemt het Kerkbestuur, — hoewel in 't algemeen doordrongen van de wenschelijkheid der toepassing van het beginsel van scheiding van Kerk en Staat „een levensbeginsel van de Protestantsche Kerk" — als argumenten tegen de scheiding : 1 het verspreid wonen der leden over grooten afstand zonder behoorlijke „mid­delen van gemeenschap" ; 2. de financieele afhankelijkheid van den Staat; en 3. het feit, dat uit de gemeenten niet een stem was opgegaan tot uiting van de behoefte of van den wensch naar verandering.
In 1891 werd voorts genoemd de vrees, dat reorganisatie strenger dogmatische belijning en daardoor scheuring der Kerk zou meebrengen.
Hiernaast moet als oorzaak vermeld worden, dat, wanneer het Kerkbestuur wijziging in de bestaande verhouding gewenscht achtte, geen overeenstemming werd verkregen over den inhoud der wijzigingsvoorstellen.
Het rapport van het Kerkbestuur van 1920 drukt dit als volgt uit : „De geschiedenis dezer pogingen heeft ons geleerd, dat een der voornaamste oorzaken van mislukking gezocht moet worden in het ontbreken van een scherp omlijnd beeld van wat men zich voorstelde, dat de Kerk met betrekking tot haar bestuur en inrichting zou worden — terwijl daarnevens mag worden genoemd, dat de Kerk in die dagen nog niet rijp was voor een „reorganisatie". En nog in 1916 verklaarde een der gezaghebbende leden ter Groote Vergadering : „Indien wij niet "geroepen werden om de bestaande regeling te herzien, zeker zouden wij dan zeggen : Laat alles blijven zooals het is. In de Kerk is wezenlijk geen drang naar reorganisatie”.
Hierin is nu verandering ten goede gekomen.
Het Kerkbestuur ziet nu de dingen anders. Het ziet niet alleen, dat de gebrekkige communicatiemiddelen geen beletsel meer zijn voor samenhang en verband van de deelen, waaruit de Kerk behoort te zijn opgebouwd nl. de gemeenten met haar Kerkeraden — maar het heeft óók waargenomen, dat hoe langer hoe meer begeerte en vermogen gegroeid is bij haar leden, om de behartiging harer geestelijke belangen zélf ter hand te nemen. In zeer vele plaatselijke gemeenten is dit reeds geschied ; de band met den Staat heeft in dit opzicht veelszins niet belemmerend gewerkt. Maar óók voor het groote geheel, het complex der gezamenlijke gemeenten geldt dit.
Deze gedachten zijn gegroeid en sterker geworden bij de Europeesche gemeenten — hoewel de begeerte en de mogelijkheid van zelfstandigheid in dit opzicht niet mag worden overschat —; en ook bij de Inheemsche leden der Kerk zijn deze gedachten gegroeid.
Uitgaande van deze overtuiging heeft dan ook het Kerkbestuur in 1931, toen het van de Regeering het verzoek ontving, zich over een administratieve scheiding uit te spreken, welke Inhouden zou, dat de Kerk geheel door haar eigen gekozen organen bestuurd en geleid zou worden en haar eigen dienaren zou kunnen benoemen, van standplaats doen verwisselen en ontslag zou verleenen — verklaard, dat het een dergelijke scheiding zou toejuichen en gaarne de Kerk zelve zou uitnoodigen zich uit te spreken en de voor een dergelijke scheiding op haar weg liggende daden te verrichten.
Dr. N. A. C. Slotemaker de Bruine, voorzitter van de Groote Vergadering, waarop de Protestantsche Kerken in Indië vertegenwoordigd waren (10 Mei 1933) heeft in dit verband aldus gesproken tot de afgevaardigden, die toen waren opgeroepen om een beslissing te nemen :
„Daarvoor nu zijt gij allen hier gekomen ! Ik ben er van overtuigd, dat gij allen de diepe verantwoordelijkheid gevoelt, waaronder wij staan. Verantwoordelijkheid voor de geestelijke belangen, die op 't spel staan. Verantwoordelijkheid, die, kennende het verleden, zich richt op de toekomst. Verantwoordelijkheid tegenover en met die 110.952 Europeanen, die bij de volkstelling van 1930 op hun biljet hebben ingevuld, dat zij tot de Protestantsche Kerk behoolen, verantwoordelijkheid ook tegenover en m, et die 580.000 Inlandsche leden der Kerk”.
(Wordt voortgezet).

HOE HET HONDERD JAAR GELEDEN IN DE HERVORMDE KERK WEL TOEGING.
In verband met hét feit, dat het nu welhaast 100 jaar geleden is dat de Afscheiding plaats had, èn in verband met de uitbreiding van het aantal Nieuw-Testamentische liederen in de Gereform. Kerken, die uit het Nieuwe Verbond mogen leven en bij het tiental Evangelische liederen een twintigtal andere heeft aangenomen, wordt er hier en daar uit de oude doos een en ander te voorschijn gehaald, dat zeer interessant is. 't Kan ook een kijk geven op de „verlichte" dagen en „verlichte" daden van het oud-Liberalisme en het Modernisme in de tweede helft van het eerste gedeelte der vorige eeuw!
Zoo lezen we in de Officieele Stukken van de Afscheiding, Deel II, bladz. 263—287 een geschiedenis (waaraan „De Wachter" herinnert) uit de dagen van ds. Gezelle Meerburg, toen hij predikant werd en was te Almkerk.
„Die gemeente" — zoo vertelt ds. Rietberg in „De Wachter" — was over 't algemeen gehecht aan de verkondiging van de zuivere leer der waarheid ; in die gemeente was ook een groot aantal, hetwelk de evangelische gezangen nooit zong of gezongen had; ja zelfs is mij verhaald geworden, dat in de dagen der Fransche overheersching een mijner voorgangers, wilde hij zijn bezoldiging uit de gemeente trekken, genoodzaakt was het opgeven der gezangen na te laten”.
Reeds vóórdat Gezelle Meerburg er kwam, was in die gemeente dus een antipathie tegen de gezangen ; het is derhalve niet waar, dat Gezelle die antipathie er gebracht heeft.
Hij verhaalt verder, dat spoedig na zijn komst in de gemeente een broeder bij hem kwam om hem te vragen geen gezangen meer te laten zingen. Op die vraag heeft hij geantwoord : „dat, wanneer ik dat om zijnentwil liet, ik het dan laten zou om menschen te behagen, en dat ik dat niet konde, niet mogt doen”.
Wel was hij „geen voorstander of beminnaar der Evangelische gezangen", maar toch zocht hij steeds uit dien bundel een goed gezang uit, en gaf hij dit zonder eenig gewetensbezwaar op. Eerst later begon hij te begrijpen, dat het gebruiken van een enkel gezang uit den bundel in zekeren zin was het goedkeuren van den bundel zelf, en ook het goedkeuren van den dwang, waarmede de bundel was ingevoerd.
Hieruit blijkt wel, dat het hem niet ging om gezangen als zoodanig, maar om den bundel van de Hervormde kerk.
Hoe hij ten slotte er toe gekomen is geen gezangen meer op te geven, verhaalt hij ons ook.
Als hij een gezang vers opgaf, waren er velen, die niet wilden meezingen, sommigen hielden zelfs opzettelijk hun hoofd gedekt. Dit werd door Gezelle Meerburg niet goedgekeurd. De Commissaris der provincie had echter gehoord wat er in Almkerk gebeurde bij het opgeven van een gezangvers. „Door tusschenkomst van den burgemeester" — zoo schrijft Meerburg — „kreeg ik last van Zijne Excellentie, de ongeregelden te vermanen, hetwelk ik op mij nam en van den predikstoel gedaan heb ; tevens beloofde ik den Burgemeester, de overtreders der wetten van het Hervormd Kerkgenootschap voor den Kerkeraad te zullen roepen, hetgeen al mede volbracht werd”.
Het Classicaal bestuur bemoeide zich er ook mee ; het drong aan op maatregelen tegen hen, die geen gezangen wilden zingen, zij moesten n.l. van den preekstoel vermaand en voor den Kerkeraad bestraft worden, terwijl, zoo noodig, de politie te hulp geroepen moest worden.
Aan dit classicaal bevel kon de dominé van Almkerk niet voldoen ; hij kon er niet toe overgaan om met behulp der politie menschen uit de kerk te verwijderen, die hij hield voor broeders en zusters in Christus. Door den Kerkeraad werd aan het bestuur geschreven : „hij brengt bij dezen ter kennis van voornoemd bestuur, dat de predikant, toen het getal diergenen nog zeer klein was, van den predikstoel onder meer andere woorden gezegd heeft; „voor zoover ik slechts eenigen invloed op u heb, verzoek ik ernstig en vriendelijk, datgeen wat gij tot nu toe gedaan hebt, na te laten, en ongedekt onder het zingen der evangelische gezangen te blijven zitten". Doch hun getal is integendeel toegenomen, en ook niet verminderd, nadat onze predikant j.l. Zondag (15 Maart) voor het zingen der gezangen nogmaals ernstig en vriendelijk verzocht heeft hunne hoofden ongedekt te houden, hen bepaald heeft bij de ergernis, welke door hun doen gegeven en uit hetzelve genomen werd, zoowel als bij de gevolgen, welke daaruit zouden kunnen voort komen ; doch vruchteloos, ten minste, wij konden niet opmerken, dat hun getal minder was dan op den voorgaanden Zondag. De predikant heeft daarop in den namiddaggodsdienst het gezangvers op het nagebed laten volgen, waarop het grootste gedeelte de kerk verliet; drie echter zijn stil blijven zitten met gedekte hoofden, zonder verder eenigen aanstoot te geven”.
Het classicaal bestuur drong er nogmaals op aan, de hulp der politie in te roepen ; hierop antwoordde de Kerkeraad: „dat nog maar één man in onze gemeente, onder het zingen der Evangelische gezangen tegenwoordig zijnde, zijn hoofd gedekt heeft gehouden, die echter aan den predikant reeds den 30sten Maart j.l. beloofd heeft, zulks niet meer te zullen doen, en ook 1.1. Zondag met de anderen de kerk heeft verlaten”.
Prachtig zag het er toen in Almkerk uit! De classicale bevelen waren stipt uitgevoerd, en er was niemand meer, die in de kerk zijn hoofd gedekt hield, als er een gezang werd opgegeven, want dan liepen ze allen, tot den laatsten man toe, weg !
Maar Gezelle Meerburg had hierbij geen vrede : hij besloot geen gezangen meer te laten zingen. In zijn verantwoording aan het Classicaal bestuur zegt hij, dat hij dit besluit met de volgende bewoordingen aan de gemeente heeft bekend gemaakt: „Ik betuige voor God en de gemeente, dat ik het opgeven der gezangen heb nagelaten, om de eere Gods en de stichting der gemeente te bevorderen : immers indien ik ook een voorstander der gezangen was, dan nog zoude ik om de wanorde en ontstichting, welke alhier plaats had, de gezangen niet mogen laten zingen”.

KERKOPBOUW-GESCHRIFTEN.
Prof. Grosheide, tijdelijk redacteur van „De Heraut", schrijft in een uitvoerig artikel over de „Geschriften van Kerkop­bouw", waarvan we hier een paar dingen overnemen :
„Een der teekenen van het ontwakend kerkelijk besef was 't oprichten van Kerkherstel en de indiening van het reorganisatievoorstel. Nu is dat In zooverre niet zoo wonderlijk geweest, als men van de Confessioneelen, die altijd voor de Kerk gepleit hebben, en die in Kerkherstel de leiding hebben, niet anders kon verwachten. In zooverre was het van meer belang, dat de oprichting van Kerkherstel gevolgd is door die van Kerkopbouw, dat vooral de Ethischen onder zijn leden telt. Immers juist onder de Ethischen waren er velen, die met organisatie niet te veel op hadden en die daarom ook nu niet in de eerste plaats aan de Kerk hun aandacht besteedden. Het is inderdaad verheugend, dat dit anders is geworden. De oprichting van de Ethische Vereeniging was reeds het bewijs, dat er onder de Ethischen iets aan het veranderen was, en in Kerkopbouw heeft die verandering, althans voorloopig, een eindpunt bereikt”.
„Nu heeft Kerkopbouw zich nog niet zoo beslist en duidelijk uitgelaten als Kerkherstel, maar men doet toch ongetwijfeld zeer prijzenswaardige pogingen om voor zichzelf tot klaarheid te komen en ook buitenstaanders nader in te lichten. Een nieuw bewijs daarvan vinden we in een aantal kleine geschriften, die bij Bosch & Keuning te Baarn zijn verschenen en die, juist omdat ze het kerkelijk standpunt nader uiteenzetten, wel verdienen hier te worden genoemd”.
Het eerste deeltje van de serie is van dogmatischen aard, het is van de hand van prof. dr. G. van der Leeuw en getiteld: Het geloof in God. Deze brochure wil den weg wijzen voor de bespreking van het Kerkopbouw-Rapport A 1, dat eveneens getiteld is : Het geloof in God, en tot ondertitel heeft: de Belijdenis des geloofs. Nu is dit rapport zeker merkwaardig. Het wil geven eenige hoofdlijnen van het Christelijk geloof in God, waarbij men er van uitgaat, dat men in den Gereformeerden tak van de Christelijke Kerk staat en dus haar leer op geen enkel punt nieuw kan beginnen. Het rapport stelt zich op den grondslag van de oecumenische belijdenissen en van de Gereformeerde belijdenisschriften”.
„Nadat zoo het uitgangspunt is bepaald, wordt er door een „aan den anderen kant" toch weer iets aan toegevoegd, of wil men liever, iets van afgenomen. Er volgt een formuleering, die niet geheel duidelijk is, die wij, Gereformeerden, misschien ook nog wel voor onze rekening zouden willen nemen, maar die, juist omdat ze door het „aan den anderen kant" wordt ingeleid, een tegenstelling vormt met de aanvaarding van de oude belijdenisschriften. In dien zin is dan ook het rapport ingericht. Uit de Nederl. Geloofsbelijdenis worden afgedrukt de artikelen 1, 8, 9, 12, 13, dus niet die over de Schrift, hoewel daarnaar in het begin van Artikel 8 duidelijk wordt verwezen en het rapport volhoudt, dat God alleen door Zijn openbaring kan worden gekend. Uit den Catechismus worden genomen Zondag 9 en 10”.
„In het rapport, dat dan volgt en dat zich bij het uit de belijdenis meegedeelde aansluit, staat veel, waar we het van harte mee eens kunnen zijn. Maar er ontbreekt ook veel, dat we hoopten te vinden, en er komen dingen in voor, die zeer zeker een afbuigen zijn van de goede lijn. De Triniteit wordt beleden, maar er is geen sprake van drie Personen, noch van hun verhouding tot elkander". Of de Heilige Geest een Persoon is, blijft duister. Van de Schepping heet het, dat ze uit het wezen Gods, d.i, uit Zijn liefde, voortvloeit. Het verband tusschen Schepping en verlossing is niet duidelijk. Wanneer ik het goed begrepen heb, wordt niet van één val in zonde, maar van een zich telkens herhalende gesproken. Eenige malen wordt, om dit nog te vermelden, op den inhoud der belijdenisschriften kritiek uitgeoefend. De leiddraad, door prof. Van der Leeuw bij het rapport geschreven, maakt verschillende dingen eer erger dan beter.
Daarom moet dit eerste, grondleggende rapport van Kerkopbouw, voor ons een teleurstelling zijn”.
„Het tweede nummer van den cursus schreef prof. dr. A. M. Brouwer over : De Richtingen in de Ned. Hervormde Kerk. Een veelszins lezenswaardig boekje. Dat de sympathie van den Utrechtschen hoogleeraar voor de Ethischen is, is bekend genoeg en blijkt ook uit dit boekje. Enkele zinnen zijn merkwaardig. B.v. deze : En toen de Synode, volgens de Hooger-onderwijswet van 1876, in 1877 geen strengrechtzinnigen, maar meerendeels evangelische en moderne kerkelijke hoogleeraren benoemde, begon dr. Kuyper zijn actie voor de Vrije Universiteit, die in 1880 opgericht werd en waarop in 1886 de Doleantie volgde. Een dergelijk kunstproduct is waard aan de vergetelheid te worden ontrukt. Het is een meesterwerk van alles zeggen en niets zeggen. We geven overigens prof. Brouwer gaarne de eer, die hem toekomt. Hij heeft een boekje samengesteld, dat, mits met de inderdaad noodige voorzichtigheid gebruikt, ook in onze kringen dienst kan doen”.
„De verdere nummers hebben ter bepaling van het standpunt van Kerkopbouw minder beteekenis. Daarom behoeven we er hier niet breed op in te gaan. We noemen nog dr. M. C. Slotemaker de Bruine, Kerk en Jeugd, dat nu niet bepaald dienen zal om de jeugd aan de Kerk te verbinden, en daarom in een serie, die tot Kerkopbouw helpen wil, nauwelijks op zijn plaats is. Dan ds. P. de Haas : Kerkgenootschappen buiten de Ned. Hervormde Kerk. Dit is een zeer schematisch boekje, dat ook wel litteratuur van Gereformeerden noemt, maar dat toch van de Gereformeerde Kerken een totaal verkeerde voorstelling geeft. Uit de Afscheiding is — volgens ds. De Haas — de Christelijk Gereformeerde Kerk ontstaan, die weer een e in haar titel mist, en uit de doleantie de Gereformeerde Kerken, want de Chr. Gereformeerde Kerk heet slechts het praeludium en over 1892 wordt niet gesproken. Ik denk, dat zelfs de tegenwoordige Christelijke Gereformeerde Kerk met deze voorstelling niet tevreden zal zijn. Mogen we niet vragen, dat in een cursus, die de menschen tot Kerkopbouw leiden moet, de zaken zuiver worden voorgesteld? ”
Voor ons is hoofdzaak, dat Kerkopbouw door deze geschriften duidelijk naar voren treedt. En dan moeten we zeggen : het dogmatisch standpunt is ondanks de aansluiting bij het oud-Gereformeerde, niet het Gereformeerde, maar het ethische. Daar sluit zich de beoordeeling der richtingen bij aan. Men zal zeggen : dat was niet anders te verwachten. Misschien niet, maar men mag toch vragen : wat kan er bij dit uitgangspunt van „Kerkopbouw" van reorganisatie van de Hervormde Kerk komen ? De goede grondslag ontbreekt.
Wij spraken er bij het begin van dit artikel onze vreugde over uit, dat er zich een opleving van het kerkelijk besef aan het openbaren is. En die vreugde blijft. Maar toch, ze kan nog slechts klein zijn, als we opmerken, dat Kerkopbouw zich beweegt langs paden, die zeker niet de oude, beproefde Gereformeerde zijn”.

GEESTELIJKE STROOMINGEN.
De mensch is van Gods geslacht. Maar gedegenereerd, gevallen, ontadeld.
Dat heeft tweeërlei gevolg. De mensch kan niet buiten God. De mensch is een redelijk, zedelijk wezen, dat niet buiten godsdienst, niet buiten de geestelijke, buiten de hoogere dingen kan. En, omdat hij gedegenereerd, ontaard, gevallen mensch is, zoekt hij de geestelijke dingen dikwijls verkeerd en staat hij open voor allerlei dwaalen leugenleer. Men behoeft een mensch maar te spreken over spiritisme, theosofie, occultisme, telepathie, waarzeggerij, anthroposofie, astrologie — ook over adventisme, sabbathisme, Christan Science, Buchman-.be, weging, enz.enz., en de ooren.staan open, de belangstelling is gewekt, bij jongen en ouden.
Wat moeten we nu doen?
We moeten deze dingen trachten te belichten met het schijnsel van Gods Woord. De Heilige Schrift, Gods Woord, moet hier de lamp voor onzen voet, het licht op ons pad zijn. En de Heilige Geest zal ons moeten leiden in alle waarheid, opdat we als „menschen Gods", wedergeboren door Gods Geest, bekwamelijk toegerust worden, om leugen van waarheid te onderkennen ; opdat we de leugen en de dwaling leeren verwerpen en bestrijden en de Waarheid Gods leeren kennen en liefhebben, om in het spoor der gerechtigheid te wandelen. Onze voeten moeten geen „struikelende voeten" zijn, maar moeten worden vastgemaakt in het spoor van Gods Waarheid en Zijne inzettingen en ordeningen moeten we van harte leeren liefhebben, uit innerlijke overtuiging en met een toegewijd hart.
Er is belangstelling voor geestelijke stroomingen. Laten we er ons over verblijden. God werkt ook in onze dagen onder jongen en ouden. Maar nu rust op ons de taak, om Gods gangen na te speuren, opdat we niet afdwalen in paden der duisternis en des doods, opdat we niet vallen in de strikken des duivels ; maar opdat we, door den Heere geleerd, geleid mogen worden in de wegen van waarheid en leven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's