VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 5 : 2. Man en vrouw schiep Hij hen en zegende ze en noemde hunnen naam Mensch, ten dage als zij geschapen werden.
2e Serie.
LI.
Langzaam maar zeker is onder den invloed eener evolutionistische wereldbeschouwing de zedelijke grondslag van het leven der Westersche volkeren onderwoeld. Zoolang dit evolutionisme onder de geleerden als een soort werk-hypothese gold, dus als een middel, waardoor aan de natuur hare geheimen ontwrongen konden worden, was de evolutionistische beschouwingswijze tamelijk onschuldig. Maar anders werd dit, zoodra zij ging gelden als eene ievensphilosophie, waarin zij het wezenlijke in de schepping ging worden. Toen verkreeg zij de strekking de erkenning van het eeuwige weg te bannen uit de levens-en wereldbeschouwing, want het eenige eeuwige voor de evolutie kan slechts zijn, dat alleen het worden eeuwig is en er dus geene eeuwige dingen zijn. En daarmede was aan het zedelijke leven de onveranderlijkheid zijner normen ontvallen, werden ook deze als vruchten van het worden gewaardeerd en met alle religieuse waarheid beschouwd als de begeleidende verschijnselen van dat alomvattende proces van evolutie. Wat aan de voorgeslachten eeuwige, door God geopenbaarde waarheden toeschenen, waren slechts de resultaten, verworven in een eeuwenlangen evolutionistischen strijd, resultaten, die uit den aard der zaak vervangen werden, wanneer de evolutie andere levensvoorwaarden en andere levensomstandigheden voortgebracht had.
Zoo werd dus alles eene schepping van den zich evolveerenden menschheidsgeest en werd ook alle geestelijk goed door diezelfde evolutie weder verteerd, wanneer zij slechts ver genoeg was voortgeschreden. En nu behoeft; het geen betoog, dat toen deze oppervlakkige leer in de massa was doorgedrongen en voor velen tot eene Ievensphilosophie was geworden, zij daarmede allen zedelijken grondslag verloor. Alles wat de voorgeslachten als-goddelijke inzettingen hadden geëerbiedigd, en wat zij als scheppings-ordinantie hadden beleden en in de wetgeving tot erkentenis hadden gebracht, was slechts voortbrengsel van den mensch zelven, die het in zijn levensstrijd onder den druk van het economisch leven zich als goddelijk van oorsprong voorgesteld had. Maar het gevolg was, dat de gedachte post vatte, dat zooals het in die evolutie van eeuwen door menschen voortgebracht was, het ook weder kon worden veranderd niet alleen, maar kon worden vervangen zelfs door het tegenovergestelde. En het lag voor de hand, dat langs dezen weg er een zedelijk leven moest geboren worden, dat naar den maatstaf der voorgeslachten als onzedelijk moest worden veroordeeld.
Het is deze geestelijke strooming, die met name voor het sexueele leven in het algemeen, voor de waardeering van het huwelijk in het bijzonder, de verderfelijkste gevolgen heeft gehad. En naarmate haar invloed wies, naar die mate nam de ontzedelijking toe, nam zij zelfs vormen van verdierlijking aan. Voor de volksgezondheid werd alzoo deze leer een ramp, voor het volksgeluk werd zij een vloek, voor de sociale ontwikkeling een ontzenuwende factor. Er is nauwelijks een gebied aan te wijzen, waarop deze levensbeschouwing geen verwoestende uitwerking heeft gehad. In het licht van de vreeselijke feiten is het begrijpelijk, dat in Amerika er soms eene beweging opkwam om deze leer te verbieden. Natuurlijk heeft men hier te lande over de daardoor ontstane rechterlijke processen lachend de schouders opgehaald en deze als vrucht van domme reactie bespot, maar in het wezen der zaak hadden zij, die er zich tegen verzetten, de waarheid aan hunne zijde. Zij waren vooral niet dwazer dan de duizenden evolutionisten onzer dagen, die den strijd der tegenwoordige Duitsche regeering tegen het gehate Marxisme met luid applaus begroeten. De ervaring heeft onbetwistbaar zeker geleerd, dat niet alle leering der wijsbegeerte, niet alle daaruit geboren idealisme, als een zegen kan worden beschouwd en dat de Vaderen nog niet zoo dwaas waren, toen zij aan de Overheid de roeping oplegden ook over de geestelijke ontwikkeling des volks haar wakend oog te laten gaan.
In ons moderne leven is met name het huwelijk als goddelijke instelling in gevaar. Het wordt bedreigd van alle zijden, niet het minst door de geleerd en ideaal schijnende theorieën, waardoor de zinlijkheid wordt gestreeld, aan het jonge geslacht eene vrijheid wordt voorgespiegeld, die schandelijke losbandigheid is. En de ervaring leert, tot welke vreeselijke uitspattingen deze gruwelijke levensphilosophie de massa voert. Wat de badplaatsen in Europa te aanschouwen geven, gaat, wat van het heidendom bekend is, zelfs te boven, terwijl bijkans nergens de regeeringen den moed toonen met krachtige hand de gruwelen te onderdrukken. Zoo gaat de Westersche beschaving met rassche schreden haren ondergang tegemoet, want de geschiedenis leert, dat alle volken, die zoo leefden in dierlijkheid, de kracht misten om staande te blijven, daar zij te ellendig waren en te slap om den strijd om het bestaan nog te voeren.
Zoo blijkt echter duidelijk, hoever de volken, en ook ons volk, zijn afgeweken eerst en daarna afgegleden in het verderf. Dat is zoo geweest in de eerste oude wereld, die haar oordeel heeft ontvangen, en dat zal ook zoo zijn met deze wereld, waaraan het nog voltrokken worden zal. In die eerste wereld verschijnt Gods Kerk als de drager van eene andere levensbeschouwing, in deze wereld mag zij niet ophouden datzelfde ideaal te doen blinken in den nacht van deze duisternis.
Reeds terstond openbaarde de Heilige Geest aan de gemeente Gods, die uit Adams geslacht, zooals het over Seth en Enos zich had ontwikkeld, de juiste verhouding tusschen man en vrouw en daarmede het gezin, zooals het krachtens Gods ordinantie behoorde te wezen. Zooals reeds werd opgemerkt, worden man en vrouw hier saamgevat onder het ééne woord mensch, en blijkt daaruit, dat de menschelijke natuur, zooals zij in het licht der openbaring verschijnt, niet weten wil van eene waardeering der vrouw, waardoor zij als een minderwaardig wezen aan de willekeur van den man wordt onderworpen. Zij is niet een mensch van mindere orde en daarom niet gedoemd tot eene slavernij, waartoe zij, zooals de cultuurgeschiedenis leert, bij lal van volken, eigenlijk bij alle volken, die buiten het licht der openbaring leefden, was vervallen. Van den beginne staat de vrouw voor het bewustzijn van de uitverkoren geslachten als de gelijkwaardige van den man, al beteekent dit niet, dat zij zijns gelijke mag geacht. Alle onderscheid in gave en roeping, door Gods scheppende daad der vrouw toegekend, en dus door de natuur zelve veroorzaakt, wordt ook van meet af door de eerste gemeente gekend en in acht genomen. De kennis van deze onderscheidenheid der gaven en krachten en dus ook in de roeping, die man en vrouw te vervullen hebben, kwam haar reeds toe in hetgeen de Heere zelve haar over de schepping des menschen geopenbaard had. „Man en vrouw schiep Hij hen", zoo stond het in den aanvang van het boek van Adams geslacht. Zoo leefde het in deze oudste van alle gemeenten eeuwen, voordat er van eene Heilige Schrift kon worden gesproken. Zoo was het overgedragen in de geslachten des verbonds, opdat de gansche menschheid na dezen als met gouden schrift het lezen zou, dat alleen in zulk eene levensverhouding tusschen man en vrouw de .grondslag voor het sociale leven was bereid.
En daarmede staat nu ook deze tak van Adams geslacht met een principieel onderscheid tegenover dat van Kaïn. In Kaïn's geslacht kon er een Lamech opstaan, die door weeldezucht en wellust gedreven de polygamie invoerde, daar zij leefden buiten Gods genadeverbond en dus ook buiten Zijne bijzondere openbaring. Van dat geslacht gold het Paulinische woord : „Daarom heeft hen God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid". Het leefde zonder God in de wereld en volgde dus de begeerten des harten en de vleeschelijke idealen, waardoor zij geleid werden. Maar het uitverkoren geslacht had het licht der goddelijke openbaring voor oogen en kon dus de polygamie niet invoeren als levensregel. Al waren ook zij van nature kinderen des toorns en geneigd tot alle kwaad, al konden ook de nakomelingen daarvan vallen in diepe afgronden van ongerechtigheid, als levensnorm zou toch gelden de ordinantie Gods, waarvoor de Heere zelve hunne oogen geopend had. En mochten dan ook in latere tijden in Israël de zonde haar verderfelijken invloed zóó machtig doen gelden, dat Mozes gedrongen werd tot eenen vorm van aanpassing aan de zondige levensomstandigheden des volks, dan was het de Heere Jezus zelve, die hen terugwees naar de allereerste openbaring Gods, aan de oudste uitverkoren geslachten bereid. „Mozes", zoo zeide Hij, „heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten, maar van den beginne is het alzoo niet geweest". Van den beginne had dit als Gods zedelijke norm voor het leven gegolden: „die van den beginne den mensch gemaakt heeft, heeft ze gemaakt man en vrouw". En daarmede is dus de onveranderlijke zedelijke grondslag voor het menschelijke samenleven geopenbaard aan Gods Kerk. De schijnbare aantasting van dit beginsel door Mozes, wordt gerechtvaardigd met eene heenwijzing naar de hardigheid der harten des volks, die Mozes wel bestrafte, maar toch niet bij machte was geweest door dwang te overwinnen. De Heere had Mozes ook daarin bij Zijne wetgeving onderwezen en hem geleerd de waarheid Gods hoog te houden, opdat het volk niet te verontschuldigen zijn zou en toch bij de wetgeving de grenzen van het mogelijke en bereikbare in het oog te houden. Boven heel de levensontwikkeling, gelijk zij onder het licht van Gods openbaring werd gekend, bleef geschreven : „Man en vrouw schiep Hij hen”.
In deze woorden wordt ons ook de rechte verhouding gepredikt, die de samenleving moet beheerschen. Niet de vrouw is de eerste, maar de man. Hij is het hoofd, de eerst geschapene, toegerust met die gaven en krachten, die hem in staat moeten stellen als de leidsman op te treden, het hoofd te zijn des gezins in de verhouding tot God en tot de wereld tevens. Op hem zal rusten de roeping, bij God te doen, wat bij Hem te doen is voor de nooden des gezins. Hij zal voorbidder en leidsman zijn. En de vrouw zal zijn levenssteun wezen, opdat hij mede door hare hulp bekwaam zij voor zijne taak. Er is niet slechts in physiologischen zin, maar ook oeconomisch in de verhouding van man en vrouw eene arbeidsverdeeling voor het gezinsleven ingezet, die voor het leven niet alleen, maar ook voor de levensontplooiing, dus voor de gezondheid van het menschelijk geslacht, van het grootste belang is. Daardoor toch wordt het gezin de grondcel van de gemeenschap, gaat van uit het gezin een bevruchtende invloed uit in heel het sociale leven. De scheppingsordinantie Gods blijkt ook hier de bron der hoogste wijsheid voor alle latere ontwikkeling, daar in haar de zedelijke normen geworteld zijn, die het maatschappelijk leven te gehoorzamen heeft.
Hieruit echter blijkt, hoe ver ons moderne leven reeds afgleed van den door God zei ven ver ordineerden zedelijken grondslag, dien Hij reeds aan de eerste gemeente in de oude wereld heeft geopenbaard. De geweldige cultuurweelde ging gepaard met eene zedelijke ontwrichting, die met name de positie der vrouw geheel heeft gewijzigd en nog verder dreigt te wijzigen. De zoogenaamde democratische geest, die echter in wezen een communistische is, heeft de scheidingslijnen weggewischt op schier elk gebied van het maatschappelijk leven. Onder de leuze eener gelijkheid, die toch slechts denkbeeldig kan zijn, werd het nummer instrument om alle uit de natuur zelve geboren onderscheidingen weg te doezelen. En gegeven de begeerte naar de genietingen van het moderne leven, het gebrek aan moed om de zorgen des levens te dragen, kwamen duizenden tot een leven in ongehuwden staat. De vrouw werd alzoo gedwongen de concurrente te worden van den man op de markt des levens. En dat proces moest wel eindigen met in dezen tijd van staats-albemoeiïng ook de vrouw te brengen als een nummer op de kiezerslijst. En daarbenevens nam het kwaad der echtscheiding op ongekende wijze toe. Zoo werd er uit de vroegere Christelijke maatschappij het ontkerstenende Westersche leven, dat hoe langer hoe meer de gedaante aanneemt van het eens door Christus overwonnen heidendom. Geestelijk en zedelijk is dit proces reeds zeer diep ingevreten, dieper dan velen vermoeden.
Zoo staat onze tijd als het Kaïnitisch geslacht tegenover de gemeente, die den Naam des Heeren aanroept. Zij heeft gehoord, dat die van den beginne den mensch gemaakt heeft, hem gemaakt heeft man en vrouw. Maar met de Kaïnieten leven duizenden bij duizenden in alle kringen naar het ideaal dergenen, welker God is de buik, welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken. Doch daarom geldt ook dit moderne leven het oordeel: „welker einde is het verderf". Des te ernstiger klemt voor Gods gemeente de roeping : door haar woord en door levensdaden te midden dezer wereld te prediken, dat gehoorzaamheid aan Gods ordinantie voorwaarde is voor allen waarachtigen zegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's