STAAT EN MAATSCHAPPIJ
WIJZIGINGEN GEVRAAGD.
Het was te verwachten, dat verschillende onzer lezers met bijzondere aandacht de beide artikelen in ons blad zouden lezen, handelende over de belasting van de goederen in de doode hand.
Bij het wetsontwerp betreffende de heffing van zulk een belasting zijn toch belangrijke en gewichtige zaken betrokken. Het gaat in het wetsontwerp toch over niet minder dan over het in de belasting aanslaan van de goederen, die de Kerk bezit en welke tot op heden van het betalen van belasting vrij waren.
Dat de belangstelling bij velen in deze dingen groot is, blijkt uit de brieven, die wij naar aanleiding van deze aangelegenheid ontvingen en het adres, dat nu reeds — terwijl het wetsontwerp pas op 26 October werd ingediend — door de Vereeniging van Kerkvoogden in de Ned. Hervormde Kerk, gesteund door de Algemeene Synodale Commissie, bij de Tweede Kamer werd ingezonden.
Wat laatstgenoemd adres betreft, moge er aan worden herinnerd, dat het wetsontwerp eene vrijstelling van belasting inhoudt van kerkgebouwen en andere tot den openbaren eeredienst bestemde zaken.
De Vereeniging van Kerkvoogden is nu van oordeel, dat deze vrijstelling niet ver genoeg gaat en dat zij behoort te worden uitgestrekt tot den inventaris der gebouwen, benevens tot de bezittingen, welker opbrengst bestemd is om de gebouwen te onderhouden en den openbaren eeredienst daarin te bekostigen, met inbegrip van de bezoldigingen der personen, die bij dien openbaren eeredienst optreden.
De bedoeling der Vereeniging is dus, dat behalve de kerkgebouwen en dergelijke lokaliteiten, welke het wetsontwerp reeds vrijstelt, ook de andere kerkvoogdij goederen, uit welker opbrengst de openbare eeredienst moet worden mogelijk gemaakt, buiten de belasting te houden.
Eveneens is de Vereeniging van Kerkvoogden van meening, dat bij de berekening van het zuivere vermogen van de instellingen van de doode hand, de gelden buiten aanmerking moeten blijven, welke verkregen worden uit de plaatsverhuringen in het kerkgebouw en uit de opbrengst van den Hoofdelij ken Omslag, omdat dit tweetal middelen de voornaamste bronnen van inkomsten zijn, die de kerkvoogden genieten en dus noodig zijn voor de uitoefening van den eeredienst.
Wat de Vereeniging hier vraagt, lijkt ons voor inwilliging alleszins billijk.
Reeds in ons laatste artikel over het belasting-ontwerp van de Regeering, wezen wij op de nadeelen, die de Kerk van de belastingheffing zal ondervinden. Daaraan voegden we toen toe, dat de Regeering voor die nadeelen niet blind zal mogen zijn, aangezien het belang van de Kerk ook het belang van den Staat is.
Op dien grond zijn ook wij van oordeel, dat bij de behandeling van het wetsontwerp ook wel terdege rekening zal moeten worden gehouden met het verzoekschrift van de Vereeniging van Kerkvoogden.
Intusschen is er een ander punt, waarover nog iets moet gezegd worden. Het is ons toch gebleken, dat wat wij schreven over de positie der Diaconieën in het wetsontwerp, niet al te duidelijk was en tot misverstand heeft aanleiding gegeven.
In het nummer van ons blad van 9 November werd opgemerkt, zodat als instellingen i? an de doode hand niet worden beschouwd o. m. instellingen van weldadigheid, bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a der Armenwet. Daaruit concludeerden wij toen, dat op grond van deze bepaling de vermogens der Diaconieën buiten het wetsontwerp vallen.
Die conclusie was niet alleszins juist. Wij hadden de Armenwet niet bij de hand en gingen af op hetgeen de Minister van Financiën in de Memorie van Toelichting nopens het wetsontwerp schreef.
Het Ie lid van artikel 2 houdt onder a. zich bezig met de gemeente-instellingen, door de burgerlijke Overheid geregeld, en door haar of van harentwege bestuurd.
De instellingen eener kerkelijke gemeente (de Diaconieën) vinden echter een plaats onder b van hetzelfde lid van het artikel.
Nu bepaalt artikel 4 van het wetsontwerp, dat bij het berekenen van het zuiver vermogen buiten aanmerking blijven : „uitgaven van armenzorg door instellingen, als bedoeld zijn in artikel 2, lid 1, letters b, c en d der Armenwet”.
In deze bepaling ligt de vrijstelling van belasting der Diaconieën. De conclusie, die wij eerst trokken, behoeft dus — en dit wisten wij reeds uit de Memorie van Toelichting — niet te worden teruggenomen.
En daarmede zal de zaak voor een ieder duidelijk zijn geworden.
Echter dient nog vermeld te worden, dat achter de bepaling, dat uitgaven voor armenzorg door instellingen, als bedoeld zijn in artikel 2, lid 1, letters b, c en d dei Armenwet, bij het berekenen van het zuiver vermogen buiten aannmerking blijven, nog een voorbehoud volgt. Dit voorbehoud luidt : „mits die instellingen voldoen aan de voorwaarden, gesteld bij artikel 14, lid 3, letters a en c tot en met e, van die wet (de Armenwet)”.
Welke die voorwaarden zijn ?
'Zij zijn deze, dat, de verzorging der armen en het toezicht op de ondersteunden op doelmatige wijze geschiedt; er op redelijke wijze is en wordt bijgedragen door hen, van wie overeenkomstig haar aard in den regel bijdragen verwacht kunnen worden ; het bestuur der instelling (de Diaconie) overeenkomstig haar aard en bestemming aan zijne verplichtingen naar vermogen voldoet en eindelijk de instelling (de Diaconie), indien een Armenraad bestaat, en zij tot vertegenwoordiging daarin gerechtigd is, van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
Aan al deze voorwaarden voldoet natuurlijk de Diaconie. Er is dus geen twijfel aan of de Diaconieën zullen vrijstelling van belasting genieten.
Inmiddels kan op één punt nog een moeilijkheid rijzen.
Het staat vast, dat vrijstelling van belasting wordt genoten voor datgene, wat de Diaconieën uitgeven, doch deze vrijstelling schijnt niet vast te staan voor datgene wat de Diaconieën opleggen, dus voor wat zij in de goede jaren sparen voor de slechte jaren.
Ook deze twijfel zal ten gunste der Diaconieën moeten worden weggenomen.
Zoo blijft er in het wetsontwerp nog wel iets te wijzigen, wil aan de gerechtvaardigde wenschen van de Kerk en de Diaconie worden voldaan.
SPORTVERWILDERING.
Er wordt in den laatsten tijd heel wat gesproken en geschreven over de zedenverwildering.
Ook wij maakten over dit kwaad de vorige week een paar opmerkingen.
Maar niet minder erg dan de zedenverwildering is de verwildering en de verdwazing in de sport.
De tweede Hollandsche Zesdaagsche wielerrennen is, nu wij dit artikeltje schrijven, in vollen gang.
Zes heele dagen achtereen jagen de renners elkaar op in een moordend tempo.
En als er een renner valt of uit de baan schiet, met een harden plof tegen de balustrade, speelt, zooals de bladen schrijven, de muziek vroolijke wijsjes.
Reeds den eersten dag smakte een renner tegen den grond en brak het sleutelbeen. Toch was dit voor dien man geen reden om van het verder deelnemen aan de rennen af te zien.
De duizenden toeschouwers verlustigen zich in het wreede spel en moedigen de renners aan, die snakken naar lucht. Zij drinken de sensatie met wellustige teugen in.
Zoo verdierlijkt de mensch in de hedendaagsche sport.
En dit gaat zoo voort — gelijk wij schreven — zes dagen achtereen, dag en nacht, in het R.A.I.-gebouw te Amsterdam.
Zou de Regeering tegen deze verwildering en verdwazing in de sport geen maatregelen kunnen treffen ?
Het kwaad grijpt steeds verder om zich heen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's