De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE RIVIER GODS IS VOL WATER.......

12 minuten leestijd

DE RIVIER GODS IS VOL WATER.
Psalm 65 vers 10 m.
Waar het in ons leven op aankomt is dit: of de genade Gods een werkelijkheid is. Ieder ontdekte, die in het duister komt te zitten omdat hij God mist en vol zonde zit en diep onder de schuld, gaat roepen : O God, is uw genade echt een werkelijkheid ? Zoolang een mensch niet verloren raakt, heeft hij daar niet zoo'n behoefte aan. Maar als hij afgebroken wordt en hoe langer hoe verlorener zich bevindt, dan groeit de vraag om iets van de genade Gods te mogen proeven. Het is niet te beschrijven hoe hulpeloos een mensch wordt in het stuk der ellende. Het is onbegrijpelijk voor ieder die het niet uit eigen ervaring kent, hoe machteloos en hopeloos het hoe langer hoe meer met zulk een wordt. Zijn zonde wordt sterker, zijn schuld grooter, zijn zoeken minder, zijn hart banger. Het gaat alles verkeerd, meent hij. Eerst dacht hij : ik krijg genade, want ik word er werkzaam om. Nu denkt hij : v/at zal dat een wonder wezen als het in mijn ziel licht wordt, als mijn schuld vergeven wordt, als Christus komt in mij.
Hij kan nergens bij. Hij gelooft alles, maar heeft er niets aan. Het is rondom duisternis, rondom zonde, rondom verdorvenheid, rondom machteloosheid, rondom onwil.
Wat moet deze doen ? Naar 't woord der Schrift: roepen, kloppen, komen tot God. Nader bepaald tot Christus. Ieder werkelijk ellendige doet dat. Helpt dat ? Meestal niet. Hij gaat toch achteruit inplaats van vooruit onder al zijn bidden, roepen en kloppen en werken. Wat is het doel van dit alles ? Dat hij zichzelf heelemaal los zou laten. Zichzelf heelemaal doemwaardig zou leeren kennen. Zichzelf heelemaal zou veroordeelen, om zijn zaak in handen te geven van den Borg, van Jezus Christus. Echt in handen te geven. Niet probe eren dat te doen. Niet probeeren alles los te laten. Maar dóen. Alles in handen geven van den Voorspreker bij den Vader, om zich met God te laten verzoenen. Want alle schuldigen, alle ellendigen, kunnen gerust zichzelf loslaten, daar Gods genade groot genoeg is om verlorenen te redden. Denk er om : verloren gaan is nog niet heelemaal en rondom verloren zijn. Daar mankeert maar al te veel aan. En als een mensch verloren is, werkelijk en geheel en onredbaar, wat gebeurt er dan ? Dan stroomt Gods genade op z'n onverwachts naar hem toe. Laat u daarom Gods genade voorstellen, opdat gij wat vlugger verloren zoudt gaan, om heelemaal in Christus over te gaan.
Onze tekst ziet allereerst op Gods genade in de natuur. Maar gezien het heele hoofdstuk, mag ik hem zeker gebruiken als een beeld van Gods genade voor de ziel.
Deze genade wordt afgebeeld als een rivier. Geen stilstaande plas, geen meer. Een rivier verschilt van stilstaand water hierin, dat een rivier op u afkomt. Hij stroomt naar u toe. Troostrijk beeld. Wanneer uw ziel zich zoo heel erg schuldig gevoelt en duister en nergens bij kan, dan zegt dit woord : Gods genade komt naar u toe. Wij behoeven er zelf niet heen. 't Wordt ons alles klaar gemaakt. Het stroomt naar ons toe. Het komt vanzelf.
Waar komt een rivier vanzelf ? Op de laagste plaatsen. Een rivier loopt niet tegen bergen op. Zij loopt altijd van de bergen af en zoekt het dal. Kunt gij de genade moedgevender voorstellen? De rivier der genade Gods stroomt naar de laagste plaatsen. Hoe dieper de dalen zijn, hoe sterker de stroom er heen. Hoe lager een mensch gebogen ligt, hoe geringer, hoe nederiger in zichzelf, des te sneller zal de gunst des Heeren hem overdekken. Een mensch is soms zoo bevreesd vanwege zijn kleinheid. Laat hij stil uitzien en hopen op het heil, dat vloeit naar de lage plaatsen.
Het water van een rivier is altijd nieuw. Dacht ge, dat het met deze genade anders was ? Waar zij komt, daar komt wat nieuws in den mensch. De naam-christen zegt: 't is lederen Zondag hetzelfde. De levende zegt: genade is evenmin oud als het water, waarmee ik mijn dorst lesch. Genade brengt altijd wat nieuws. Zoowel in de ontdekking als in de verlossing. Nieuwe behoeften, nieuwe verlangens, nieuwe vergezichten. Genade maakt den mensch van binnen geheel anders. Bevreesder, bedroefder, .banger. Maar in den voortgang vervult zij de ziel met hemelsche blijdschap, die telkens weer nieuw is. Genade is lederen dag nieuw als het water der rivier, die langs onzen voet stroomt.
De rivier Gods is vol. 't Is geen moeras, 't Is geen uitgedroogde beek. 't Is een volle rivier. Een alles wegspoelende en reinmakende genade. Diep is de nood van den gevallen mensch. Nood die bijkans radeloos en wanhopig kan maken. Nood die geweldige spanningen in de ziel schept. Nood die niet weg te nemen schijnt.
Wacht op den Heer, gij vromen : de rivier Gods is vol. Zijn genade neemt uw schuld weg. Heft de spanning op. Brengt u in hemelsche heerlijkheid.
Wat is dat water waar Gods rivier vol van is ? Dat is Christus en al Zijn weldaden. Eerst Christus. Zijn lichaam dat voor u verbroken is. Zijn bloed dat voor u vergoten is. Dat is alles volbracht werk. De Zone Gods is naar de aarde gekomen. Al het medelijden met een wegstervend hulpeloos volk, al de ontferming van den lijdenden Heiland zijn besloten in deze rivier. Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen ja toch. Een zondaar zal 't gewis verderf ontkomen, want het gericht is voltrokken aan den Borg.
De rivier van Gods genade is vol van Jezus. Verlossing is : in Hem ingeplant te worden. Vereeniging met den Zoon. Niet de weldaden los van den Persoon. Neen eerst Christus. Eerst alles in Zijn handen. Eerst verbinding met Hem en dan de vergeving en dan de vrijspraak des Vaders en de aanneming tot kind en al de weldaden. Door Hem is deze rivier ook vol van den H. Geest. De Geest stuwt het water der genade naar z'n plaats. En mij hiertoe door U bereid. Dat is het werk des Geestes. Laat u maar vernederen. Laat u maar ontdekken. Laat u maar klein maken. Het is opdat de rivier bij u zou kunnen komen. Het is uit diezelfde genade waar de rivier vol van is. Wordt maar een leeg mensch, een onreine, een doode, een verloorne. Toe maar. Wordt maar goddeloos.
De rivier Gods. Een rivier heeft een bron. Deze bron bepaalt de hoeveelheid en hoedanigheid van het water. De rivier der genade heeft haar bron in God. Niet in ons. In geenerlei wijze, maar wij maken de schuld nog dagelijks meerder. Alle putten die wij graven om genade in op te wekken, in te verzamelen, drogen uit. Neen, genade welt op uit het hart Gods. Een mensch kan niets doen dan niet verhinderen dat het komt. Wonen in het dal der vernedering. Maar dat niet als een houding. Niet om daar eventjes te gaan staan. Niet als een vroom gebaar. Neen, zoo, dat hij daar neergeworpen is. Dat hij met alle moeite zich daar niet vandaan opwerken kan. Zoo, dat hij daar moet blijven zitten, omdat alle uitwegen afgesloten worden. Genade stroomt naar het dal der gansch schuldigen, der rondom zondaars, die — ja 't is eenvoudig niet te zeggen en voor iemand die er zelf niet in leeft ongelooflijk — veel harder, veel kouder, veel meer liefhebbers der zonde zijn, veel vijandiger tegen God en Zijn werk, veel goddeloozer, veel biddeloozer, veel schuldiger dan wie ook en die daardoor wegzinken. Maar dit is het ongeluk van alle tijden. Er zijn „geloovigen", er zijn „bekommerden", maar waar zijn de goddeloozen die wegzinken voor God vanwege hun schuld ? Die zich met hun geloof en hun bekommernis niet kunnen redden, maar God moeten hebben. Waar zijn ze ? Laten ze dit weten. Als gij rondom ingesloten zijt door uw zonde, door uw boosheid, als uw hart niet meer dorsten kan naar God en toch verlangt, als gij de minste zijt van alle menschen en doemschuldig in de schande uwer naaktheid voor God staat, weet dan dat de rivier Gods vol water is voor verloren menschen. Houdt u nergens aan vast wat van u is. Laat u zinken. Opdat de vrije gunst toegang tot u zou krijgen. Houdt alleen daaraan vast: Jezus Christus is gekomen om te zoeken — Hij zoekt u — en zalig te maken wat verloren was. Blijf maar stil liggen, er is een zoekende Borg. Als gij niet meer zuchten of bidden kunt, blijf maar stil liggen : Jezus zoekt u. Klaag u zelf maar aan om alles. Zoolang er nog één gebed en één zucht uit uw benauwd hart voort kan komen, breng het voort. Geef u zelf te kennen aan den Heiland. Maar als dat alles niet helpt en gij niets meer kunt, zit dan stil totdat deze Man alles zal volbracht hebben. De rivier Gods wordt niet aangetrokken door uw wil, maar — 't is vrije gunst en wat is dat vernederend — komt, omdat God het wil.
Waarom zou de Heere het ooit kunnen willen, dat Zijn genade onze ziel zou verkwikken? Dat is de ongelooflijkste zaak voor ieder, die werkelijk afgebroken is en niets aan deugd of vroomheid meer over heeft. Het eenige antwoord is : omdat God zich een gemeente heeft uitverkoren en die gemeente liefheeft. Zwart, zondig, schuldig, moedeloos, ellendig, goddeloos mensch, die liefde is voor u. Natuurlijk gelooft ge dat niet. Maar gij zult het ondervinden. Genade is altijd nog bewezen aan zulke verloren menschen als gij. Alle genade vloeit voort uit de liefde Gods voor ellendige zondaren, die daaronder vernederd en verbrijzeld zijn en geen grond meer hebben onder hun voeten. Voor wie de staat der ellende ook geen grond meer is.
Meer nog. De rivier der genade welt op uit Gods besluit. Het is geen bron, die vandaag vloeit, maar morgen stilstaat. God heeft Zich voorgenomen dat alle uitverkoornen aan hun zonde en ellende zouden worden ontdekt en daarna verlost. Onze gebeden bewegen den Heere niet tot dat voornemen. O neen. Dat eeuwig besluit ligt vast. Daarom houdt Gods goedertierenheid nooit halverwege op.
Mag ik nu nog iets zeggen over de werking der genade. In onzen tekst is gedacht aan een rivier, die de velden overstroomt en daardoor vruchtbaar maakt. De genade Gods werkt vruchten. De vrucht der vernedering, der verbrijzeling, der verslagenheid. Een kostelijke vrucht. Maar het is alles : begeerig maken. O, wat wordt het hart begeerig : Heere, als dat toch nog eens kon, dat gij afdaaldet in de ziel, o als dat eens kon. Zoo begeerig maakt dat eerste werk. Ongelooflijk klein, ongelooflijk uitziende, ongelooflijk hopende en o zoo hongerig wordt een mensch. Maar probeer niet hem met z'n honger te vertroosten. Want hij is zoo begeerig vanwege z'n doodelijke ziekte, vanwege z'n alles te bovengaande schuld. Het is begeerte vanwege gemis. Het is allebei. Er schuilt een zekere genegenheid tot God achter dat gevoel van gemis, maar hij wordt zich veel meer bewust van de vijandschap zijner natuur. Wat moet dat worden? God moet komen. En dat gebeurt. De ploeger ploegt niet den ganschen dag. Den oprechten — die eerlijk voor God komen — gaat het licht op in de duisternis. Er is een toepassing van Christus, een openbaring in het hart. Gods beloften worden vervuld ! Izaak wordt geboren ! Ja zeker. Verneder u maar onder de krachtige hand Gods. Alle schuldige, verloren gaande, verbrijzelde menschen zullen Hem zien, gelijk Hij is. Gij zult den Koning in zijn schoonheid zien. Als het u maar echt om dien Christus ite doen is. Mochten de dammen en dijken, die gij rondom uw leven hebt gebouwd, maar eens wegvallen, opdat Gods rivier uw land zou overstroomen. Jezus komt om uw hart te troosten. Onzegbare genade. Houd aan, grijp moed, uw ziel zal vroolijk leven. Ja, dat is wat: uw ziel ! Die ontzettend verdorvene ziel. Jezus komt! Er is echt een uitstorting van den Heiligen Geest, die als Trooster Christus brengt in het hart. Brengt! En door de gemeenschap met Christus, als gij al het uwe aan Hem geeft en Hij u het Zijne meedeelt, is er verzoening met den Vader. Ja zeker, wij zullen die vrije gunst zien. De Heere heeft het Zijn ellendig volk beloofd, 't Ellendig volk zal op Hem wachten. Zonder Hem blijft het een ellendig volk. Maar met Hem wordt het hersteld in den vorigen staat. Vrede met God. Wegneming van het gemis in de ziel. De Heere zal het hart overstroomen, dat het wegsmelt onder Zijn liefde. Hij maakt de opgeploegde aarde dronken. „Gij bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt gij het grootelijks". Geloof uw oordeel en houd u vast aan de belofte. Zoo heeft Noach aan de ark gebouwd en Abraham op Izaak gewacht. De "werkelijk ellendige weet, dat hij zichzelf niet verlossen kan. Nergens mee. Met werken of bidden of gelooven niet. Het geloof doet het niet. God doet het. Gelooft gij dat? Is daar uw wachten op ? Worden uw harten brandende als gij hoort van de rivier Gods, die vol water is ? Indien gij gelooft, gij zult de heerlij'kheid Gods zien.
Nog eens, geen ellendige kan zich redden met zijn geloof. Het blijft ook daarmee even duister, even melaatsch, even schuldig. De melaatsche is niet genezen door zijn geloof, de geraakte kreeg geen vergeving door zijn geloof. Het geloof is de ladder waarlangs Jezus afdaalt. De sprekende Jezu.s, op het geloof, die geneest, die redt, die doet in de ruimte gaan. Daarom en daarnaar welle uw verlangen op :
Geef dat mijn oog het goede aanschouw, 't Welk Gij uit onbezweken trouw Uw uitverkoornen toe wilt voegen.
Wilnis,
L. Vroegindeweij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's