KERKELIJKE RONDSCHOUW
FLINK ZOO !
Uit Duitschland komt het bericht, dat de z.g.n. Ariër-paragraaf voor het kerkelijk leven voorloopig buiten werking is gesteld op last van den Rijksbisschop Muller, die hierin overleg gepleegd heeft met de hoogste kerkelijke colleges. De vreemde houding die men als christen ging innemen tegenover de christenen uit de Joden — bijzonder tegenover predikanten die van Joodsche familie afstammen — is dus voorloopig gewijzigd. Men zal later over deze zaak nog nader besprekingen houden.
En een tweede bericht geeft ons „Flink zoo !" in de pen. Dat bericht is n.l. dat dr. Krause, een van de leiders der Duitsche Christenen in Berlijn eenvoudig door den Rijksbisschop uit z'n ambt is gezet, omdat deze voorman en leider 't O. en het N.T. op 't scherpst becritiseerde en veroordeelde en het kruis van Golgotha met filosofische redeneeringen van z'n heerlijke beteekenis beroofde en het maakte tot een symbool van lijden, zonder meer. Dr. Muller verklaarde in zijn protest: „ik zal nooit of nimmer toelaten, dat zulk soort dwaalleer in onze Kerk wordt verspreid". Met voorbeeldige doortastendheid heeft hij een eind gemaakt aan het werk van een radicale groep, welke binnen de organisatie der Duitsche Christenen al maanden lang achter de coulissen aan den arbeid was, in weerwil van het dringend verzoek met dit verwoestend werk op te houden.
Neen — wij begeeren in Nederland geen Rijksbisschop. In ons Gereformeerd Kerkrecht hebben we andere en betere wegen tot welzijn van de Kerk ! Geen Rijksbisschop ! Maar gezien de toestanden in Duitschland verheugen wij ons hartelijk over dit optreden en ingrijpen van dr. Muller. En wij wilden voor een lief ding; dat men in ons Vaderland in het midden van onze Hervormde Kerk óók eens mocht opwaken, om aan de ruwe en fatale afbraak door allen die het kruis van Christus met hun filosofische drogredeneeringen verijdelen in de Kerk het zwijgen op te leggen. Bij den grooten afval onder ons volk zou het des te meer te wenschen zijn, indien de Kerk weer Kerk begeerde te zijn. Kerk van Christus naar de Schriften !
Natuurlijk zouden de radicale afbrekers van het huis des Heeren dan wel een grooten mond opzetten. Maar daarvoor moeten we niet al te bang zijn.
Recht is recht.
DE PROTESTANTSCHE KERK IN NED. INDIE (4).
Dr. N. A. C. Slotemaker de Bruine heeft verder beweerd, dat hij geen programma zou ontwikkelen in zijn openingswoord, want dat het doel van de vergadering was de meening der afgevaardigden te hooren.
„Wel", zoo sprak hij, „is het gewenscht nog een enkel woord te zeggen, over de financiëele scheiding en over de positie der Inheemsche complexen.
Het ligt voor de hand, dat bij de voorbereiding voor deze vergadering de gedachten ook zijn bezig geweest met den financieelen band tusschen kerk en staat. Men heeft gevreesd, dat in den een of anderen vorm toch zou worden vooruitgegrepen op de losmaking van den financieelen band, zonder dat de kerk zich dit bewust was. Daarom is het nuttig enkele woorden aan de werkelijke situatie terzake te wijden.
Zooals ik reeds opmerkte heeft de financiëele scheiding bij alle vroegere voorstellen tot reorganisatie geen rol gespeeld, met uitzondering van een geïsoleerd advies van mr. Keuchenius in 1865. Dit vraagstuk is vooral opgekomen na de instelling van den Volksraad. In 1918 en 1919 is van Mohammedaansche zijde de aandacht gevestigd op bet groote verschil tusschen de landstoelagen voor den Christelijken en Mohammedaanschen eeredienst. Men heeft toen o.m. twee verschillende oplossingen aan de hand gedaan om dit verschil weg te nemen.
Eenerzijds heeft men verhooging bepleit van de uitgaven voor den Mohammedaanschen eeredienst en zijn daartoe strekkende amendementen op de begrooting ingediend door de volksraadsleden Schmutzer, Tjokroaminoto en Alatas. Deze amendementen zijn later weer ingetrokken en men heeft later niet meer naar een oplossing in deze richting gezocht.
Een tegenovergesteld verlangen werd belichaamd in de motie-Djajadiningrat c.s., luidende als volgt : „De volksraad, overwegende dat in een land als Indië, waar onder de bevolking zulke uiteenloopende godsdiensten heerschen, het alleen mogelijk zal zijn de billijkheid en rechtvaardigheid te dien aanzien te betrachten, indien er een volledige scheiding tusschen kerk en staat bestaat, spreekt de hoop uit, dat die scheiding ook in financieel opzicht, ten spoedigste tot stand kome". Deze motie is aangenomen met 18 tegen 6 stemmen en heeft geleid tot de instelling der commissie-Creutzberg, „voor de scheiding van kerk en staat" in 1921.
Het denkbeeld van den toenmaligen minister van Koloniën (de Graaff) was om de financiëele scheiding los van de „staatrechtelijke" of „administratieve" te behandelen. De mogelijkheid van een dergelijke afzonderlijke behandeling werd door de commissie erkend, zij heeft dan ook uitsluitend voorstellen t.a.v. de financiëele scheiding gefomuleerd. Op deze voorstellen is nog steeds geen beslissing genomen, de huidige tijdsomstandigheden laten, zoo het ooit daartoe komen zal, nu geen kapitaalsuitkeering toe.”
Merkwaardig is dat sindsdien de volgorde omgekeerd is en nu de kwestie van de administratieve scheiding voorop gaat.
„Uitgaande van dezelfde gedachte", aldus dr. Slotemaker de Bruine, „dat afzonderlijke voltrekking der financiëele en administratieve scheiding mogelijk is, heeft het opperbestuur goedgevonden de administratieve nu voorop te laten gaan. Hiermede wordt in geenen deele geprejudicieerd op de eventueel latere financiëele scheiding. Het kerkbestuur had aanvankelijk de verwachting, dat het definitieve standpunt van het opperbestuur na de accoordverklaring van het kerkbestuur in 1931 met het voorstel der Indische regeering vóór den aanvang dezer groote vergadering ons officieel bekend zou zijn gemaakt. Door verschillende omstandigheden is dit helaas niet mogelijk gebleken. Daar het echter noodzakelijk was bij den aanvang dezer vergadering nauwkeurig te weten, waarover men zich zal uitspreken en welke de gevolgen van deze uitspraken zullen zijn, heeft het kerkbestuur zich tot den gouverneur-generaair. gewend met het verzoek om een duidelijke uitspraak, indien dit mogelijk was.
Met erkentelijkheid mag ik hier vermelden, dat Zijne Excellentie, het belang der zaak ten volle verstaande, mij gemachtigd heeft om hier uit te spreken, dat minister en Indische regeering beide een zoodanige redactie van den voor de administratieve scheiding noodigen algemeenen maatregel van bestuur zullen vaststellen, dat daarbij de financiëele rechten der kerk uitdrukkelijk gehandhaafd blijven, met name door de aantallen der uit 's Lands kas bezoldigde predikanten, hulppredikers en Inlandsche leeraars uitdrukkelijk daarin vast te leggen, en dat daarin niet zonder wederzijdsch goedvinden wijziging zal worden gebracht.
Uit den aard der zaak zal de kerk toonen, dat zij den précairen toestand van 's Lands financiën in dezen tijd verstaat en de daaruit voortvloeiende lasten mede wil dragen. De regeering zal niet in staat zijn in de naaste toekomst de geheele formatie te bekostigen. Het zal een zaak van geregeld overleg moeten blijven uitmaken, op welke wijze de gelden, die de regeering in dezen tijd niet kan beschikbaar stellen, zullen kunnen worden uitgespaard met de minst mogelijke schade voor de kerk en in gelijke verhouding met andere uit 's Lands kas ter zake gesteunde kerkgenootschappen”.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's