De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GRETSKE „DE FREULE”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRETSKE „DE FREULE”

EEN LEVENSTRAGEDIE

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. K. Kok, Kampen
Hoofdstuk I. OP LANDLUST.
Het was warm.
Dagen lang straalde van uit een wolkenloozen hemel de zonnegloed en blakerde het aardrijk.
In geen weken had het geregend. Alleen de nachtelijke dauw bracht aan het teere groen eenige lafenis, welke echter in de hitte van den dag spoedig was opgeteerd. Daar lag over heel de natuur-een zekere matheid. De bloemen lieten hunne kelkjes hangen en de kleuren waren niet frisch. De vogels zaten in de weinige boomen, die het landschap nog had, of op de daken, te gapen en schenen ook geen lust te hebben hun vroolijk lied te doen hooren. En ook de menschen hielden zich zooveel mogelijk binnen, of zochten een schaduwrijk plekje op, om daar te rusten en beschut te zijn voor de zonnehitte. Eerst bij het vallen van den avond kwam er een weinig meer vertier.
Op het platteland waren bijna al de regenbakken leeg, tot groot ongerief voor de huismoeders, die nu niet konden wasschen en plassen zooals zij het wenschten. Terwijl het voor de boeren niet minder een bron van voortdurende ergernis was, dat door het uitdrogen van de slooten de grensscheidingen tusschen de eigendommen waren weggenomen en het domme vee, dat zich niet zooals de menschen vaak om het mijn en dijn bekreunde, al grazende, op den wandel ging.
„Je zoudt het geduld er bij verliezen", zei Theun, de knecht van boer Grondsma, die bovendien al niet bekend stond vanwege zijne groote lankmoedigheid, en wiens luid geschreeuw van „hui ! hui !" in het vroege morgenuur, als de natuur nog uit haren slaap ontwaken moest, tot in wijden omtrek gehoord werd. Dat schreeuwen had hem onder de knechten der andere boeren den bijnaam van „hui, hui" bezorgd. Trouwens, daar was eenige aanleiding om kort aangebonden te zijn; Want het was nog midden in den hooioogst, en dat beteekent zooveel, dat er geen minuut verloren mocht gaan.
Zoodra bij 't aanbreken van den dag de koeien gemolken waren en het brood achter de kiezen zat, zoo men het noemde, (waarbij het Friesche spek niet gespaard werd), ging het de hooilanden in. Eerst om te machine-maaien, zoodat het „ge-rik-ke-tik" niet van de lucht was, tot groote ontsteltenis van de kieviten en grieto's en leeuwerikken en tureluren, en hoe ze verder mochten heeten, de vogels van diverse pluimage, die hier tusschen het hoogstaande gras hun woonplaats hadden.
Verder op den dag werd het rijpend hooi gekeerd, waarbij soms ook het vrouwvolk te pas kwam, vooral wanneer alles zoo vlug moest gaan als thans, nu in een paar dagen tij ds de vrucht werd gestoofd, en waarop dan het inhalen in de schuren volgde.
Een vorig jaar was het heel anders gegaan. Toen, regen en altijd regen, vergezeld van koude Noordewinden, zoodat de drassige bodem niet in staat was het noodige voedsel te geven voor mensch en beest, en dit laatste voornamelijk met krachtvoer gevoed moest worden. Wat nog al binnenkwam, was half rijp en peperduur, tengevolge waarvan bij lange na niet de huur voor de landerijen gemaakt kon worden, laat staan van winst.
„Kan je d’r van 't jaar nog wat komen, Grondsma? " — had de Baron gevraagd, wien de hoeve behoorde, en die intusschen al doodsbenauwd was dat hij de huurpenningen niet op tijd ontvangen zou.
Maar Grondsma, kort aangebonden als hij was, had geantwoord : „Kunnen of niet kunnen, maar u krijgt op tijd uw geld". Omdat hij afhankelijk was en wel begreep dat „betalen" de boodschap zou zijn, wilde hij tenminste bewoner van de zathe blijven. En aan dit laatste was voor hem veel gelegen. Niet alleen met het oog op zichzelf, mar ook voor de kinderen, die later toch ook weer aan den slag moesten; komen. Want het boerenbedrijf was wel niet oneer wat het vroeger was, toen men meer als heer en meester kon optreden, maar 't lag toch voor de hand, dat althans de zoons hunnen vader opvolgden.
Dit jaar scheen evenwel alles te zullen meeloopen. Reeds vroeg in het voorjaar kwamen de zachte lentedagen, die de vrucht spoedig deden ontkiemen, zonder dat deze door nachtvorsten v/eer vernield werd. Theun had al tegen Stien, de meid, en Albert, de arbeider, gezegd, dat de magere jaren voorbij schenen te zijn en de vette thans waren aangebroken, en het was ook den boer aan te zien, dat het hem thans naar den vleesche ging. Gelukkig maar, dat hij voor vijf jaar de boerderij gehuurd had, van welke nog drie te wachten waren. Tot zóó lang was hij in ieder geval zeker dat de pacht niet opnieuw verhoogd werd, waartoe de vrucht bare. jaren anders gemakkelijk aanleiding konden geven. Was de schuur niet bijna tot den nok gevuld, zoodat men genoodzaakt zou zijn op het erf een hooiberg te bouwen ? Stond de rogge en het koolzaad niet op de stengels, zooals het in geen tijden gezien was ? Beloofde het vlas niet een flink gewas, terwijl de prijzen op een volgend jaar vrij zeker hoog zouden zijn, juist omdat een vorig seizoen dit product mislukt was; en gaven de aardappels niet overvloedig ?
En dan — in geen jaren had het vee zich in zulk een beste conditie bevonden. Heelemaal geen mond-of klauwzeer, zooals een paar jaar geleden, 't Vetgehalte van de melk van dien aard, dat er hooge sommen gemaakt werden als iets verkocht werd. Nog kort geleden aan een buitenlandsche commissie een twenterstier verkocht voor over de twaalfhonderd gulden, en op de jongste tentoonstelling met een pink den eersten prijs gehaald, waarop hem aanstonds een fabelachtige som geboden werd voor het beest.
„Kerel, wat bof je !" — hadden de andere boeren gezegd, die het maar ternauwernood konden hebben dat Grondsma zoo voordeelig fokte, en een ander dacht dat er ook wel wat kwaad geld onder; zitten zou, omdat de commissionairs, die de vreemdelingen meestal rondleiden, gewoonlijk ook wel zorgden dat zij niet aan het kortste eind trokken. Men moest nu maar eenmaal in den smaak vallen bij de heeren
Maar Grondsma trok zich van al die praatjes niets aan, en zei alléén: „zulke maar meer".
Geen wonder dus, dat hij in deze dagen goed gemutst was. 't Volk dat bij hem in dienst was, waaronder eenige Groningerlanders, die al sinds jaren hier kwamen helpen in de dagen van den hooioogst, merkte het.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GRETSKE „DE FREULE”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's