De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

10 minuten leestijd

Genesis 5 : 3. En Adam leefde honderd en dertig jaren en gewon eenen zoon naar zijne gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijnen naam Seth.

2e Serie.
LIV.
De groote, de beste, ja de eenige ware opvoeder van het menschelijk geslacht is de Heilige Geest, want Hij leidt de menschheid naar hare eindbestemming in de voleinding aller dingen. In het geslacht van Gods kinderen schept Hij een eigen geestelijk leven, van dat der kinderen dezer wereld onderscheiden. En dit leven baart ook eene geheel eigen beschaving, want het wordt gedragen door eigen idealen. Het geniet van een eeuwig licht en zijn gezichtseinder is niet beperkt tot de dingen dezer aarde. En het is daaruit verklaar-. baar, dat in het boek van Adams geslacht eene tijdrekening wordt aangetroffen, die met de lijn des verbonds blijkt saam te hangen. Deze telling gaat uit telkenmale van de geboorte van een nieuw verbondshoofd.
Het ligt voor de hand, dat de geweldig lange levensduur, die deze oudste geslachten kenmerkt, de aandacht heeft getrokken, omdat in latere perioden het woord van Mozes bewaarheid wordt: Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren of zoo wij zeer sterk zijn tachtig jaren". Tweeërlei moet daarbij in het oog worden gevat. In de eerste plaats, dat de oude wereld, waarin ons het boek van Adams geslacht verplaatst, volgens het boek Genesis van de ons bekende historische periode is afgescheiden door den zondvloed. Deze is gepaard gegaan met groote veranderingen in den toestand der aarde. Genesis 8 : 22 wijst er op, dat na den zondvloed de Heere besloot: Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiïng en oogst, en koude en hitte en zomer en winter en dag en nacht niet ophouden". Wanneer wij daarbij in aanmerking nemen, hoe ons in Genesis 2 de geboorten des hemels en der aarde worden beschreven en daarbij gezegd wordt: want de Heere God had niet doen regenen op de aarde en er was geen mensch geweest om den aardbodem te bouwen, maar een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde den ganschen aardbodem", dan wordt het duidelijk, dat er onder het licht van Gods bijzondere openbaring in Gods gemeente langs den weg der traditie de herinnering is bewaard aan geheel andere geologische en climatologische toestanden dan die wij kennen. Ook de diepgaande veranderingen, die er na den zondvloed zijn ingetreden en waarvan de Schrift ons spreekt in de woorden uit Genesis 8 : 22, wijzen daarop. Er waren vóór den zondvloed geheel andere toestanden op deze aarde, dan die thans op haar heerschen. En deze geheel andere toestanden gingen ook gepaard met een geheel andere planten-en dierenwereld. De geologen weten te verhalen van de geweldig groote dieren, die in die oude wereld geleefd hebben op de aarde, van de „dinosauriërs" uit den Jura-en krijt-tijd, van geweldige wormen, van de groote zeeslangen, van de ijstijd-olifanten, de Mammout, van de schrikwekkende hagedissen. Zeer geweldige zoogdieren leefden in die oude wereld, in vergelijking waarvan hedendaagsche walvisschen, giraffen, olifant en rhinocerossen maar klein zijn. De herinnering aan deze voorwereldlijke dieren heeft de oude menschheid bewaard. Men heeft uit den aard der zaak gedacht aan fabel­achtige voorstellingen en mythologische verdichtingen. Het is daarmede gegaan als met den vloek over de slang, die gedoemd werd „op haar buik te gaan", welke verandering men als een natuur-sage ging beschouwen. Toch is de slang, die op den buik kruipt, naar het oordeel der deskundigen een der laatste reptiel-typen, die op de aarde zijn verschenen. Zij is, zooals anatomisch kan worden aangetoond, een latere teruggegane vorm van een voorheen vier-beenig reptiel, dat zijne ledematen verloren heeft, waarvan het nauwelijks waarneembare overblijfselen in de innerlijke structuur heeft behouden. De slang in den vorm, waarin zij ons bekend is, verschijnt op de aarde blijkens de gevonden fossielen in eene periode, toen ook de mensch verscheen. Zeer terecht wordt er dan ook door geleerden op gewezen, dat wanneer in de sagen, die de menschheid ongetwijfeld bezit, reeds eene wetenschap blijkt van dergelijke voor-historische natuurwezens, hoewel er bij de verdichting dezer sagen toch van geene studie der fossielen, noch van anatomische wetenschap sprake is geweest, wij hier niet met de scheppingen eener onbeteugelde phantasie van doen hebben, maar met herinneringsbeelden. De moderne menschheid stamt ten slotte toch ook uit dien tijd en zijn levenswortel betrok de levenssap uit de periode der oude wereld en der herinneringen, die zij naliet. Wij stammen uit de oude, voor-historische tijden en zijn begaafd met een erfelijk goed niet alleen naar het lichaam, maar ook naar den geest. Latere eeuwen hebben maar al te dikwijls bij alle phantastische inkleeding natuur-waarheden overgeleverd, zoodat zij zich verplaatsten in tijden, waarin de alleroudste voorgeslachten hebben geleefd. De overlevering gaat inderdaad op de alleroudste perioden terug. En afgezien van phantastische vormen, ligt er eene waarheid aan ten grondslag, die de wetenschap bevestigt en erkent.
Dat in de oudste tijden, waarin ons Genesis verplaatst, er geheel andere levenstoestanden op de aarde bestaan hebben, dan die wij kennen, wordt niet betwijfeld. Ook voor de levensomstandigheden der menschen heeft dit beteekenis gehad. Zooals er in de wereld der dieren levensvormen voorkwamen, waarvan de overblijfselen getuigen, dat zij niet slechts in grootte, maar ook in lichaamsbouw anders waren dan de dieren in latere tijden zijn geworden, zoo kan ook de levenstoestand der menschen een andere geweest zijn, waarbij langere levensduur hun deel was. Dat de herinnering daaraan eeuwen later leefde, wordt ons uit Jacob's woorden duidelijk. Als Joseph zijn vader Jacob voor Pharao's aangezicht stelt, dan vraagt Pharao aan Jacob: hoevele zijn de dagen der jaren uws levens? " En dan luidt het antwoord : „de dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren ; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen in de dagen hunner vreemdelingschappen" (Genesis 47 : 8, 9). Hij wist dus van een veel hoogeren leeftijd, door menschen bereikt. Trouwens Abraham was 175 jaren oud, toen hij stierf en Izaak 180 jaren. In vergelijking met de groote getallen, waarvan het boek van Adams geslacht spreekt, zijn de levensjaren der patriarchen Israels gering, al leefden ook zij veel langer dan de menschen van latere eeuwen. Maar wijst dit niet op een langzame daling van den levensduur ? Al kunnen wij in onzen tijd ons geen mensch voorstellen, die zoovele eeuwen leeft, dan is dit toch geen bewijs, dat onder de geheel andere levensvoorwaarden der eerste wereld en van zeer oude tijden er geen langer levensduur aan den mensch beschoren is geweest.
Daarbij komt, dat er ook buiten de Heilige Schrift tradities bewaard zijn, die zeker gekenmerkt zijn door eene mythologische phantasie, maar die, hoe fabelachtig zij ook mogen schijnen, toch ook in dien vorm nog wijzen op een herinnering aan een veel langer levensduur dan wij nu gewoon zijn. Merkwaardig is uit dit oogpunt de lijst der „Koningen voor den vloed", die door Berosos, een priester van Bel in Babel, tevens geschiedschrijver, bewaard werd in een geschrift, dat hij aan den Syrischen koning Antiochus Soter, 280—261 voor Christus, opdroeg. In de Grieksche taal geschreven, behandelde het in drie boeken de Babylonische geschiedenis van den beginne tot Darius, waarvoor hij gebruik maakte van de in den tempel van Bel bewaarde priesterchronieken. Brokstukken van dit geschrift werden voornamelijk door Josephus en Eusebius bewaard. Deze Berosos ving zijn geschrift aan met een verhaal over de wording der wereld, eene kosmogonie, die aan de oudste bewoners van Babel zou zijn meegedeeld door een monster, dat de gedaante had van een in het lichaam van een visch uitloopenden mensch, en door hem Oannes wordt genoemd. Dit monsterachtig goddelijk wezen had aan de menschen de beschaving geleerd. Allerlei uitvindingen, schrijfkunst, stedenbouw, landmeting, akkerbouw, had dit wezen aan de oudste Babyloniërs geleerd. Behalve nu een oud-Babylonisch scheppingsverhaal, gaf Berosos nu ook een lijst van koningen. De eerste dezer vorsten, Aiorus, zou 36.000 jaren geregeerd hebben, diens zoon, Alaparus, 18.000 jaren, en na dezen Amelon 46.800 jaren en na dezen Ammenon, die 43.200 jaren geregeerd had en onder wiens heerschappij dan het monster Oannes uit de zee was opgedoken. En zoo komen er nog een reeks andere koningen, die eveneens vele tienduizendtallen van jaren zouden geregeerd hebben. Onder de inscripties heeft men een parallel van deze koningslijst gevonden, waarin het koningschap van hemelschen oorsprong wordt verklaard en waarin koningen worden genoemd, waaronder de tweede, koning Alacagar, die 36000 jaren geregeerd zou hebben, andere koningen, die 64800 jaren regeerden. De lijst telde alle jaren dezer koningen samen tot een som van 241200 jaren. En daarna kwam de vloed. Berosos heeft zelfs 432000 jaren.
Nu ligt het voor de hand, dat wij hierin van doen hebben met phantastische cijfers en met mythologische figuren, welker beschouwing nu in dit verband kan worden daargelaten. Het eenige, waarop wij nu de aandacht vestigen en waardoor het bijzondere karakter van Gods openbaring in het licht treedt, is, dat wij in dit boek van Adams geslacht een zeer oude traditie voor ons hebben, die getuigt van de alleroudste herinneringen van het menschelijk geslacht. En deze oudste ons bewaarde traditie komt daarin met de gedenkstukken van oud Babylonië overeen, dat zij ook spreekt van een menschenleeftijd, die verre uitgaat boven den normalen levensduur der menschen in latere tijden. Het blijkt, dat aan die vroegere levensverhoudingen de herinnering werd bewaard. En gegeven de geheel andere levensvoorwaarden in deze oude, dikwijls als voorwereld aangeduide periode, is er geen gegronde reden, waarom aan dezen ons onbekenden levensduur eene historische waarde zou moeten worden ontzegd. Zooals er door de wetenschap van latere eeuwen bevestigde, langs den weg der traditie tot ons gekomen, berichten ons werden meegedeeld over de geheel andere geologische en climatologische toestanden op deze aarde, waarvan men oppervlakkig beschouwd zou kunnen zeggen, dat het nauwlijks mogelijk is, dat de menschheid er heugenis van heeft kunnen bewaren, zoo is er ook in deze gegevens der traditie een grond om te erkennen, dat de menschheid onder geheel andere levensvoorwaarden een veel hooger leeftijd bereikte.
Maar, en ook hier blijkt nu ook weder het eigen karakter van de Godsopenbaring : Is bij de oud Babylonische voorstelling er van eene mythische uitbeelding sprake, waarin met fabelachtige getallen wordt gewerkt, met koningsfiguren, die met goddelijke monsters in contact treden, in de Heilige Schrift is daarvan geene sprake. In haar gaat ook hier weder een geheel eenig licht op, dat de wereldbeschouwing, die door God den Heiligen Geest gewekt wordt, onderscheidt. Het boek van Adams geslacht spreekt ons van menschen. Het verplaatst ons in een aardsch historisch leven, brengt ons in contact meit de zonen Adams gelijk zij in Seth's linie optreden en toont ons het menschelijk leven zooals het zich ontwikkelde onder den invloed van de verkiezende genade Gods. Het verplaatst ons in het leven der oudste gemeente des Heeren en laat ons zien, hoe het verbond wordt gehandhaafd in dit bijzondere geslacht, welks duur zich over eeuwen uitstrekt en dat naast en tegenover de Kaïnieten een eigen geestelijke positie inneemt. Deze uitverkorenen hebben Gods Woord bewaard, schenen in de oude wereld als lichten in eene donkere plaats, verkondigden de groote werken Gods te midden van een krom en verdraaid geslacht. De herinnering aan dit Sethitisch geslacht is niet alleen gebleven, maar aan het geslacht zelf werd eene toekomst bereid, zoodat het in de eeuwen voor Christus' verschijning ook mede het heilig zaad in zich heeft gedragen, waaruit de Heere Jezus Christus gebaren werd. Terwijl aan de Kaïnieten, die de oude wereld door hun cultuur hebben beheerscht en , haar tot verderf hebben gebracht, ondanks de groote geestesgaven, waarover zij beschikten, slechts Gods oordeel wachten kon. Hun wachtte geen toekomst. Geheel anders werd het geslacht der Sethieten door dezelfde verkiezende genade, waaruit het leefde, voor den ondergang bewaard, opdat het de spruite zou worden, waaruit, na den ondergang der eerste wereld, eene nieuwe menschheid zou opkomen als een rijsje uit een afgehouwen tronk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's