De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GRETSKE „DE FREULE”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRETSKE „DE FREULE”

EEN LEVENSTRAGEDIE

6 minuten leestijd

 Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
’t Was werken van waar ben je. Van den vroegen morgen tot de zon in 't westen dook. Ze moesten er niet van praten den arbeid in het boerenbedrijf aan banden te leggen, zooals bij de verschillende vakken gebeurde, want dat zou de dwaasheid gekroond zijn, — had de boer onlangs nog gezegd. Het ijzer moest gesmeed als het heet was en de brij gegeten als zij was opgeschept, maar ook het koren gezicht of de tarwe gemaaid of het vlas gerepeld, of het hooi binnengehaald als het rijp was. „Laten de menschen 's nachts gaan slapen, maar als God de zon aan den hemel doet staan, dan is het tijd om wakker te wezen en de handen uit de mouw te steken".
Zoo sprak hij, en gaf daarbij zelf een voorbeeld, doch zorgde ook dat de arbeid beloond werd. 't Geen op den disch kwam was van dien aard dat er op gewerkt kon worden. In de eerste dagen van den oogst scheen het wel eens alsof de vreemdelingen die zooveel spek en vet niet gewoon waren, ter nauwernood verzadigd konden worden, doch gewoonlijk bekwam die honger al spoedig, „'t Was zware kost", zooals Bouke zei, die ook van boven Groningen kwam, en een mensch moest zijn eigen daar wél bij kennen".
Doch niet alleen dat de tafel hier goed was, doch het loon dat werd uitgekeerd was ook niet karig. Als alles afgeloopen was en de hooiers per rijtuig naar het naaste station gebracht werden om naar hunne woonplaats terug te keeren, kregen zij gewoonlijk altijd iets extra mee. Een paar pond tabak voor zich zelf en een kaas als „welkom thuis" voor de huisgenooten, waarop dan gewoonlijk een hartelijk „tot weerziens op een volgend jaar" volgde.
Ook ditmaal was de boer bizonder in zijn hu­meur. „D'r zit wat aan jongens, als wij de volgende week klaar komen" — heeft Grondsma gezegd, en dat was voldoende om meer dan anders de handen te reppen. Elke middag kwam Stien geregeld met een groote ketel koffie het land op, en als het tegen den avond liep haalde de boer een flesch met zoo'n klein wippertje te voorschijn om het volk een hart-sterking te geven, zooals het genoemd werd. Voor sommigen was dit het glanspunt van den dag. Dan werden de harken en vorken een oogenblik neergelegd en groepeerde men zich om den schenker, om bij beurte het glaasje te ledigen. Enkelen deden het in eene teug. Anderen hielden het scherpe vocht zoo lang mogelijk in den mond om er zooveel mogelijk van te profiteeren. Alleen Bouke, die van de blauwe knoop was, bedankte, maar kreeg daarvoor per dag een dubbeltje meer uitbetaald.
In het begin had hij hierover nog al eens iets moeten hooren. 't Was toch niet voor de ganzen gebrouwen en een mensch zou zich toch niet bezondigen door een enkel borreltje te nemen. Maar Bouke had zich niet van zijn stuk laten brengen, „'k Heb genoeg ellende van den drank gezien en ondervonden, " — zei hij. „Die het nemen wil, die neme het, maar ik hoop het er zonder te doen". En Grondsma had gezegd : „wij zijn in een vrij land menschen, als Bouke liever pompcognac dan een Berenburgje of een klein Catzke heeft, dan is dat zijn zaak, en mag niemand hem daar hard over vallen."
Alleen Theun kon het zich niet begrijpen dat er zulke dwaze menschen waren. Vooral niet bij zoo'n hitte als op dit oogenblik. Dan was zoo'n glaasje immers een geneesmiddel, en als de boer d'r niets tegen had, dan wilde hij Bouke zijn deel er nog wel bij hebben. Hij lustte er wel twee. Wat echter Grondsma minder wenschelijk voorkwam, daar hij vreesde dat Theun dan nog meer begon door te slaan en er in 't geheel geen land met hem te bezeilen viel.
Zoo ging het dag aan dag, tot de hitte zoo groot werd, dat men noodgedwongen besluiten moest in de middaguren langer te pauseeren. Reeds waren in de naaste omgeving een paar voorbeelden gekomen van menschen, die te veel van de warmte hadden gekregen, en voor nóg zooveel zou Grondsma niet willen dat dit bij hem gebeurde. Al was het alleen maar om niet den naam. te krijgen dat hij het volk boven vermogen werken liet.
„Piano-aan, volk" — zei hij. „En geen koud water drinken. De 'boerin zal zorgen voor voldoende koffie, en voor de rest nemen jullie maar karnemelk. Wat vandaag niet kan afgedaan, blijft dan maar voor morgen liggen".
Daarmee won hij het personeel. „Een beste boer" — werd er van hem getuigd. Iemand, die nog iets voor een mensch over heeft, al is hij dan ook arm. En waardoor later des te harder gewerkt werd.

Hoofdstuk II. GRETSKE.
Het was dus stil in velden en wegen. Af en toe mocht eens een auto of motor den weg langs tuffen, maar voor de rest was buiten het landvolk geen levend wezen op pad.
De wereld scheen wel uitgestorven. Alleen in de richting van „Landlust" ging, met moeizamen tred, een gebogen gestalte, de handen op de heupen, soms ook aan de kettingen van het juk, 't welk zij op de hoekige schouders droeg en waaraan een paar korven hingen, gevuld met allerlei snuisterijen en eenige huishoudelijke artikelen.
Dat was Gretske. Gretske van Lombok. Bij oud en jong uit de heele grietenij en nog verder welbekend, omdat zij geregeld lederen dag er op uit trok, weer of geen weer, teneinde hare koopwaar aan den man te brengen.
Een klein, smal zilveren oorijzertje over het zwarte mutsje; een paars jakje, nauw gesloten om de magere leden ; een blauw katoenen schort over de zwart-wollen rokken ; een paar stevige riemschoenen met dubbele zooien aan de plompe voeten — zóó gaat Gretske nu al sinds eenige jaren met de regelmaat van een uurwerk in den omtrek rond om haar kostje te verdienen, en ook......?
Ja, maar dat was nu juist haar geheim, haar zoet geheim, dat zij diep onder het jak in haar hart verborg, en waar geen mensch iets van wist of ooit iets van zou komen te weten. Niet eerder, dan wanneer zij niets meer te verbergen had, omdat......
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GRETSKE „DE FREULE”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's