De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

7 minuten leestijd

DE RAAD VAN BEHEER.
Een heet hangijzer. En dan moet men altijd voorzichtig zijn. Maar dat is niet 't zelfde, als dat men er onverschillig voorbij moet loopen. Er zijn zoovele „heete hangijzers". Dat bemerkt men wel ten opzichte van het volkerenleven. En dan kan men lang zeggen „laat zitten wat zit". Maar er komt óok een oogenblik, dat iemand zegt: „nu is 't uit". En dan komt er ook wel eens verandering en verbetering. Duitschland heeft b.v. gezegd : „ik ga uit den Volkerenbond". En nu is men tenminste aan 't praten geraakt. En men gaat „verklaringen" geven en „eischen" stellen. In de hoop, dat er „klaarheid" zal komen. Frankrijk b.v. moet nu spreken. De kwestie van het Saargebied moet aan de orde worden gesteld. En als men verstandig is, zal men liever met elkaar praten, dan dat men 't hoofd in den wind gooit en den trotschen kop er tegen in zet! Intusschen zou 't ook dwaas zijn, wanneer de groote mogendheden voortgaan om zich tot de tanden te wapenen en na te laten „zaken" te doen, om tot overeenstemming te komen. Mussolini heeft nu een eisch gesteld : „De Volkenbond dient binnen zoo kort mogelijk tijdsbestek principieel en radicaal hervormd te worden. Geschiedt dit niet, dan zal Italië het voorbeeld van Japan en Duitschland volgen en 't lidmaatschap opzeggen ! De Volkenbond moet het dan maar zonder Duitschland, Rusland, Amerika, Japan en Italië doen !
Wat dit alles nu met „de Raad van Beheer" te maken heeft ?
Och, eigenlijk niets. Wat heeft „de Raad van Beheer" te maken met Italië, met Duitschland, met Spanje, met Ierland ? Niets.
En toch „De Raad van Beheer" gaat iets doen wat ons zéér, zéér bedenkelijk voorkomt. Waarbij we vóór de Classicale Vergaderingen onze waarschuwende stem hebben doen hooren. En we willen daar nu even op terug komen. Want 't loopt mis.
Wat is 't geval ? De predikanten zullen minder tractement gaan ontvangen. De tweejaarlijksche verhoogingen gaan met ƒ 40.— naar beneden. Een predikant met 25 dienstjaren gaat dus met ƒ 480 achteruit, ingaande 1 Januari 1934. Dat is dus waarlijk geen kleinigheid. Temeer, waar gewoonlijk het tractement bij het minimum van het Reglement is blijven staan.
Die vermindering van tractement is aanvaard. Natuurlijk ! Ieder moet bezuinigen. De dominees ook.
Maar wat is nu de kwestie ? Als nu met 1 Januari a.s. op een dorp een dominee met 12 dienstjaren 6 maal ƒ40.—, dus ƒ240.— achteruit gaat, dan moet dat zijn, omdat de gemeente dat niet kan betalen. En dan is 't zoo erg niet. We lijden dan met elkaar.
Doch de werkelijkheid wordt, dat de gemeente niet minder moet betalen aan den Raad van Beheer. De dominee krijgt ƒ 240.— minder, maar de gemeente moet dan toch precies 't zelfde blijven betalen aan den Raad van Beheer.
Dat is niet toelaatbaar.
Natuurlijk zegt men dan wel : dat brengt de aard van „den Raad van Beheer" mee. Maar dat heeft de Volkenbond ook zoo dikwijls en bij zoovele dingen gezegd. Totdat verschillende volkeren geantwoord hebben : „Vaarwel! Wij groeten u !"
De Raad van Beheer zal voorzichtig moeten zijn en zal de plaatselijke gemeenten niet méér moeten gaan „knijpen" dan tot nu toe. Want we weten wel, dat „de Raad van Beheer" een „allermachtigste" instelling is. Maar overal zijn ten slotte grenzen.
Waarbij nog dit komt: wanneer eventueel een belangstellende gemeente, als haar dominee geen bovenmatig tractement heeft, de korting op z'n salaris zou willen „bijpassen", de Raad van Beheer er aanstonds bij is om die „beter gesitueerde" gemeente hooger aan te slaan, en dan krijgt de plaatselijke gemeente dus de slagen van twee kanten tegelijk !
Voor deze dingen willen wij hier ernstig waarschuwen.
Het komt ons voor, dat het tijd is, dat men zich van verschillende kanten ernstig, héél ernstig beraadt op deze dingen, die allerbelangrijkst en hoogst gevaarlijk zijn.

HET RECHTSCH MODERNISME. (3)
Men kan hiermee nu wel gaan spotten, als men hoort van die oude begrippen: schuld, zonde, genade, verlossing. Men kan dan wel gaan zeggen, dat die jonge menschen van tegenwoordig toch zoo somber zijn. Maar dan praat men langs de zaak heen. Zonde en genade zijn de brandpunten, waarom het leven zich beweegt. En ziedaar die nuanceering van religieus leven, die dan rechtsch modernisme wordt genoemd (bladz. 42).
Men spreekt van het pessimisme van dit rechtsch modernisme. Maar alle Christendom is optimistisch, door alles heen optimistisch. Want in Gods hand is ten slotte alles en dat is de diepe blijheid van ons leven. Evenwel is er bij ons niet die jubel van een vorige generatie, die zoo heilig geloofde in vooruitgang in persoonlijk-en gemeenschapsleven. Bij ons is sterker onze aandacht gericht op het leven van eigen ziel, op eigen denken, willen, voelen. En wij zijn ons bewust geworden van de gebrokenheid, van het weinig glorieuse van dat innerlijk leven. Wij presteeren naar buiten misschien heel wat, maar wat zijn we eigenlijk waard, innerlijk ? Wat beteekent onze liefde, onze barmhartigheid, onze reinheid ? Onze schuld, mijn schuld spreekt hier. En dat brengt een pessimistischen trek ook in onze beschouwinig der historie.
Het is een stuk geweest van de kracht van het oudere modernisme, van de theologie van Scholten en Opzoomer, dat zij zoo wèlverzekerd van éénheid in en bij alle gebeuren durfden getuigen ; van één groote kracht, die was in alles en die in vaste wetten zich openbaarde, Gods kracht. (Monisme).
Maar wij voelen ons meer verwant met een dualistische beschouwing der werkelijkheid. Wie van uit eigen zedelijken strijd zijn wereldvisie opbouwt, komt niet zoo gemakkelijk tot Monisme. Te sterk is ons de werkelijkheid der zonde in eigen leven een kracht tegen God in, nooit te rijmen met God als eenige realiteit. En dan ontglipt ons de eenheid weer. En tegenover het modernisme eener vroegere periode zal de theologische overdenking hierbij een dualisme blijven, een tweeheid van norm en werkelijkheid, van dat wat zedelijk moet en van dat wat is, die nooit volkomen in elkaar zijn op te lossen, (bladz. 44)).
Christocentrisch noemt men ons ten slotte. Zeker geldt dat voor menigen rechtschmoderne. Kracht zoeken wij in onze religie. Kracht en blijheid om in ons leven met al z'n bitterheid, sterk en moedig te zijn. En veel wordt ons dan geboden vér buiten het Christendom, buiten Christus om. Vaak staat het Christendom daarnaast beschaamd en we missen de fijnheid, de teerheid, de geestdrift en warmte, die daarginds een kracht zijn !
Maar nu komt uit de historie, uit de traditie ook dat eene tot onze zoekende harten, dat we kunnen noemen : de kracht van Christus. Bij al de gebrokenheid en verslagenheid vinden we bij Christus : de ruimte en de wijdheid, bevrijding, moed' en vertrouwen.
Ik verwonder mij over de naïveteit, waarmee men nog in menigen kring staat tegenover de geschriften, die ons van hem vertellen. Maar ondanks de fantasieën van velen en ondanks alle kritische bezwaren, die wij hebben tegen de geschriften, komt hij uit dat oude verhaal in de evangeliën op mij toe als een werkelijkheid, als de grootste kracht, die mij ooit gegrepen heeft, als de beslissende factor in mijn geestelijk leven. En dan is hij mij niet vooral het voorbeeld, mij ter navolging gesteld ; te zeer besef ik — aldus prof. Roessingh (bladz. 45) — hoezeer onze wereld, onze problemen anders zijn dan voor 2000 jaar. 't Zijn ook niet de woorden, die hij spreekt, de vermaningen, de leeringen, die den doorslag geven.
Het is dat onbewuste, dat ondefinieerbare, dat er van een mensch uitgaat, dat beste, dat wij in ons leven elkander kunnen geven. Er gaat iets van hem uit: in hem heb ik voor het eerst Gods liefde leeren verstaan. En daaraan heb ik genoeg. En dat wil ik behouden voor onze wereld, dat wil ik prediken, die kracht, die van dien Christus uitgaat. En in onze Westersche cultuurwereld blijf ik er bij — aldus prof. Roessingh (bladz. 46) — dat dit de lijn is, die wij behoeven. Wij zouden bitter arm worden, als Christus niet meer werd gepredikt. — Zoo gaat het om „Christus en zijn Evangelie" ; en zóó gaat het in de kracht van God, die onze Vader is, naar de verwerkelijking van Gods Koninkrijk".
Tot zóóver prof. Roessingh met zijn schetsteekening van het Rechtsch-Modernisme.
Gaarne willen we nu zelf enkele opmerkingen maken.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's