STAAT EN MAATSCHAPPIJ
HET BELEEDIGEN VAN DE COLLECTIVITEIT.
In het wetsontwerp, waarin nadere voorzieningen worden getroffen ter bescherming van de openbare orde, van welk ontwerp wij onlangs een kort overzicht in ons blad gaven, bevindt zich onder de vijf onderwerpen, rakende de openbare orde, welke onderwerpen allen vallen binnen de sfeer van het Wetboek van Strafrecht, een voorziening, die niet geheel en al zonder bedenking is.
Wij bedoelen de strafbaarstelling van de publieke beleediging van een groep van de bevolking of van een ten deele tot de bevolking behoorende groep van personen.
De Minister van Justitie acht, blijkens de toelichting die bij deze voorziening gegeven wordt, de strafbaarstelling noodig, omdat in den laatsten tijd herhaaldelijk in het openbaar uitlatingen voorkomen, welke krenkend of kwetsend zijn voor groepen van de bevolking. Als voorbeeld wijst de Minister op de recente uitlatingen betreffende onze Israëlietische medeburgers.
Nu kent het Wetboek van Strafrecht op dit oogenblik wel het beleedigen van een persoon, maar niet die van de collectiviteit (verzameling van personen).
Dit laatste is nieuw.
Het is nu de vraag, of met de strafbaarstelling van publieke beleediging van een groep der bevolking niet te ver wordt gegaan.
Wat ons betreft, zouden wij op deze vraag, zooals wij de zaak op het oogenblik zien, niet anders dan een bevestigend, antwoord kunnen geven.
Wij willen dit ook met een enkel voorbeeld duidelijk maken.
Een dezer dagen schreef „D e Standaard" een driestar over „revolutionaire actie". In deze driestar kwam de zin voor : „Communisten, Syndicalisten, de mannen der Onafhankelijk Socialistische Partij, Anarchisten en hoe al die opruiers meer heeten" enz.
Op grond van dezen zin, waarin Communisten, Syndicalisten, enz. als opruiers worden gekwalificeerd, zou het niet onmogelijk zijn dat, wanneer een bepaling in het Wetboek van Strafrecht wordt opgenomen, die de publieke beleediging van een groep der bevolking strafbaar stelt, deze revolutionaire organisaties zich met een aanklacht tot den rechter zouden wenden om een vervolging tegen den schrijver van de Standaard de driestar in te stellen.
En welke houding de rechter tegenover zulk een aanklacht zou innemen, valt vooraf niet uit te maken.
Zoo zou het ook kunnen gebeuren, dat de Roomschen, als groep der bevolking, zich gekrenkt en gekwetst voelden over de openbare behandeling van de 80ste vraag van den Heidelbergschen Catechismus, luidende : „Wat onderscheid is er tusschen het Avondmaal des Heeren en de Paapsche Mis ? " Zij konden aan de woorden van het antwoord : dat „de Mis in den grond niet anders is dan eene vervloekte afgoderij", benevens aan den uitleg van dit antwoord wel eens zulk een aanstoot nemen, dat de rechter er bij te pas werd gebracht.
Natuurlijk wordt, voor het geval deze moeilijkheden door den te treffen maatregel zouden ontstaan, de strafbaarstelling van het beleedigen van de collectiviteit onaannemelijk.
Doch wij gelooven niet, dat het met deze voorziening zoo'n vaart zal loopen.
Echter blijft oppassen de boodschap.
Onze mannen in de Tweede Kamer zullen zich terdege rekenschap hebben te geven van de strekking en het karakter van de bepaling, dat de publieke beleediging van een groep van de bevolking wordt strafbaar gesteld, alvorens zij hun stem aan de voorziening geven.
Het strafbaar stellen van het beleedigen van de collectiviteit is nieuw, doch niet zonder gevaar.
Bovendien is hef de vraag, of deze strafbaarstelling wel noodig is.|
DE WINKELSLUITINGSWET.
Evenals het nieuwe beginsel in het Wetboek van Strafrecht, dat van de beleediging van de collectiviteit, de volle aandacht vraagt, zoo staat het ook met het de vorige week ingediende wetsontwerp tot wijziging van de Winkelsluitingswet.
Geheel in strijd met de verklaring, door het Kabinet bij zijn optreden afgelegd, dat „het toespitsen van politieke en geestelijke tegenstellingen ter wille van de noodzakelijke eendracht zal vermeden worden", is het wijzigingsontwerp van de Winkelsluitingswet ingediend, dat de geestelijke tegenstelling toespitst.
Hoe deze indiening te verklaren is, is onbegrijpelijk.
Door de indiening wordt juist de noodzakelijke eendracht verbroken.
Het doel van dit wetsontwerp — zoo zegt de Minister — is bij wijze van tijdelijken maatregel, de mogelijkheid te scheppen om ten behoeve van bepaalde bedrijven bijzondere afwijkingen vast te stellen, op Zondag betrekking hebbende. De verschillende gegevens, welke den Minister omtrent de werking der Winkelsluitingswet hebben bereikt, hebben hem de overtuiging geschonken, dat bij de tegenwoordige buitengewone omstandigheden, die uiteraard niet hebben nagelaten ook op den winkelstand haar terugslag uit te oefenen, een onverkorte handhaving van de bepalingen dezer wet betreffende den Zondag voor sommige soorten van bedrijven, met name de winkels in z.g.n. consumptieartikelen, inderdaad te bezwarend is. Ofschoon op het punt van vermeerdering van winkel verkoop zijn verwachtingen ten deze niet bijzonder hoog gespannen zijn, meent de Minister toch, dat er wel voldoende aanleiding is om, door het mogelijk maken van een verruiming der verkoopgelegenheid op Zondag, te trachten, waar noodig, de getroffen bedrijven althans eenigermate te hulp te komen.
In deze toelichting deelt de Minister niets mede over de afspraak, welke bij het optreden van het Kabinet gemaakt is.
Het is bovendien wel curieus, dat de Minister een wetsontwerp indient, waarvan hij zelf moet erkennen, dat de verwachtingen van vermeerdering van winkel verkoop niet groot zijn.
Van belang zal het zijn, dat de Minister de verschillende gegevens omtrent de werking der Winkelsluitingswet, waarvan in zijne toelichting op het wetsontwerp sprake is, publiceert.
Immers zijn tegenover deze gegevens weer andere te stellen, die van den Protestantsch Christelijken winkelstand, die wat de Minister beweert, tegenspreken.
Het is ook bij dit wetsontwerp noodig, dat onze mannen in de Tweede Kamer zich rekenschap geven van de stem, die zij over het wetsontwerp zullen uitbrengen.
Zooals het wetsontwerp thans luidt, is het onaannemelijk.
Het stukje Zondagsrust, dat bij het tot stand komen der Winkelsluitingswet in het jaar 1930 verkregen werd, mag niet verloren gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's