De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRETSKE „DE FREULE"

EEN LEVENSTRAGEDIE

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Maar zie, dat was 't 'm nu juist, en dat liet Gretske niet los, en dat zou zij nooit loslaten, 't kwam zóó 't kwam, maar dat hield haar zélf niet minder vast. Als zij thuis was, en op den weg liep. Als zij zaken deed en op haar schamel bed lag. Altijd en overal. Ook, nu zij in deze hitte, waarover bij den aanvang gesproken werd, van „Landlust" terugkeerde, 't gerimpeld gelaat beschaduwd door een zwarte hoed met breeden rand, haar door de boerin gegeven, om beschut te zijn tegen de brandende zonnestralen .
Zij had daar niet om gevraagd. Zij vroeg nooit ergens om. Noch de snerpende winterkou, als de sneeuwvlokken haar in 't gelaat joegen of de hagel haar striemde, nóch de gloeiende zonnehitte, scheen eenigen invloed op haar te hebben, en altijd was zij even dik of even dun, — zoo men het noemen wilde — gekleed ; alleen droeg zij bij slecht weer een wollen muts over het oorijzertje ; maar nog meer ter bescherming van dit eenigste sieraad 't welk zij d'r op na hield, dan omdat het haar zelf te bar was. Gretske was gehard in den levensstrijd.
Vrouw Grondsma had evenwel gezegd : „het kan zoo niet meer Gretske, d'r komen nog ongelukken. Je hebt een hoofd als vuur en het zweet staat op je gelaat. Hier, zet dezen hoed op ; dan ben je tenminste niet zoo vatbaar voor een zonnesteek."
En toen heeft Gretske dat afgedankte hoofddeksel van de boerin aanvaard, omdat het haast wel niet anders kón, doch allerminst uit medelijden met zich zelf. Och heden neen ! Want dit laatste kende zij niet. Omdat het leven haar wel iets anders had geleerd. Het harde leven, dat een mensch soms in een heel andere richting stuurt dan oorspronkelijk verwacht werd. En ook van Gretske iets anders had gemaakt, dan voor dertig, veertig jaren was gedacht. En de moeder, die haar baarde, had gehoopt.
Daarom heeft zij flauw geglimlacht toen vrouw Grondsma zich zoo bezorgd over haar maakte, en zonder een woord, zelfs een „bedankje" te spreken, dien hoed over het oorijzertje gezet, en de keelbanden met een lus onder de kin vastgemaakt.
De quaestie was, dat Gretske eigenlijk niemand vertrouwde, — we zullen later wel hooren hoe dat kwam. Als er nog al waren in wien zij eenig vertrouwen had, dan waren dat de boerin van „Landlust", de dominee en de armmeester.
De eerste, omdat zij altijd even vriendelijk tegen haar sprak en geregeld een kommetje koffie of iets anders voor haar had, en nooit verzuimde iets te koopen van de veelsoortige artikelen, die Gretske, altijd zonder veel te praten, aanbood.
De tweede, — nu ja, omdat hij een dominee en een heer was. Niet, omdat zij zooveel met hem in aanraking kwam, o neen ! Zij kwam nooit met den dominee in aanraking, want voor geen geld toe zou zij het wagen bij de pastorie aan te bellen. En de dominee kwam van zelf nooit bij haar. Omdat zij op Lombok woonde, en geen lidmate van de kerk was.
Alleen kon 't gebeuren dat de dominee haar eens tegen kwam, als hij ergens een zieke had te bezoeken, of om een andere reden de gemeente dóór ging.
Gewoonlijk zag zij hem dan al van verre aankomen. Omdat de dominee een hoogen hoed droeg, zoo'n mooien, glanzenden, zijden hoed, die men zoo gewoon bij niemand anders zag, of het moest op eene begrafenis of bij het trouwen wezen, en 's Zondags bij de ouderlingen en diakenen, omdat zij dan vlak bij den preekstoel zaten en bij den dominee toehoorden. En voor welken hoed Gretske altijd een bizonder respect voelde.
Dan haalde zij handig haar zakdoek van tusschen de rokken, veegde haar gelaat en snoot den neus, nam dan een rechte houding aan, en wachtte zoo, gaande weg op de dingen die komen zouden.
Want zij wachtte iets. Van zélf. Omdat het de dominee was en een mijnheer die daar naderde.
Gelukkig niet te vergeefs. Nooit te vergeefs. Omdat de dominee zijn volkje óók kende, en óók nog, omdat hij iets anders kende. Iets van de liefde van Jezus Christus, die Zich ook altijd gevoelde aangetrokken tot het eenzame en het verlatene en hetgeen geen helper had. En die zeker Gretske evenmin stilzwijgend zou zijn voorbijgegaan, wanneer Hij nog op aarde was geweest, en haar ontmoet had op den weg, als zij met hare negotie den boer op ging.
„Dag Gretske !" — zei dominee dan gewoonlijk. En dan kwam er iets over haar gelaat, dat veel leek op het doorbreken van de zon door een grauw wolkenfloers op een triesten herfstdag, en dan was haar antwoord, gesproken op een toon waar eerbied en hooge achting uit sprak : „dag dominee !"
Altijd, voor zoover zij dat woord kon uitbrengen, want Gretske had een spraakgebrek, wat mede oorzaak was dat zij niet veel sprak. Omdat de menschen en vooral de kinderen haar daarom wel eens uitlachten. Alsof zij voor haar pleizier zou stotteren.
Maar de dominee lachte haar niet uit. Omdat hij medelijden met Gretske had, en wist, dat de mensch zijn eigen maker niet is, en alles wat hij heeft, ontvangen moet. Oók het woord der lippen en de spraak der tong.
Doch daarom vertrouwde zij hem en was heelemaal niet bang voor hem. 't Bracht een weinig variatie in haar eentonig leven, hem te mogen ontmoeten, en als het dan eens gebeurde dat de prediker een paar minuten bij haar staan bleef om nog een klein praatje te maken over 't weer, of over haar vol geladen korven of over hare flinkheid, waardoor zij niettegenstaande hare bijna vijf-en-zestig-jarigen leeftijd nog zulke tochten deed, of ook wel eens een enkele maal met een enkel woord haar sprak van die dingen, die voor geen geld te koop zijn, maar alleen door genade verkregen kunnen worden, — dan was Gretske rijk en gelukkig, en dan had zij weer dagen lang iets om over na te denken en weg te leggen bij dat zoete geheim, daar diep onder haar jak.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's