DE BRIEF VAN PAULUS AAN DE LAODICENZEN
[Deze zendbrief van Paulus aan de Laodicensen, wordt in onzen Bijbel niet gevonden, hoewel er wel melding van wordt gemaakt (Col. 4 vers 15; 1 Thess. 5 vers 27). In een ouden bijbel, te Worms gedrukt, is de volgende brief opgenomen. Voor de eigenaardigheid geven we er hier een afdruk van].
Korte Inhoud :
Na betuiging, dat zijn apostelschap niet van menschen, maar van Christus is, en na vrede-wensch met dankzegging over hun standvastigheid, volgt een vermaning tegen de verleiding. De Apostel wenscht dat zij, die door hem onderwezen zijn, dienen mogen tot bevordering der waarheid des Evangelies en dat hij zich in zijn banden daarover moge verheugen. Zijn begeerte is in blijdschap in Christus te sterven, met den wensch, dat zij dezelfde liefde mogen hebben ; dat zij 't geen zij van hem gehoord hebben, zullen behouden en in de vreeze Gods volbrengen. Dat zij hem verblijden zullen in den Heere en zich zullen wachten voor degenen, die schadelijk gewin zoeken ; dat hun gebed openbaar moge worden en zij vast mogen blijven in 't verstand van Christus en doen wat goed is; en dat zij 't gehoorde en aangenomene zouden bewaren tot vrede voor hunne harten).
1. Paulus, een Apostel, niet van menschen, noch door een mensch, maar door Jezus Christus, den broederen die daar zijn te Laodicea ;
2. Genade en vrede zij u van God den Vader en den Heere Jezus Christus.
3. Ik dank mijn God, in al mijne gebeden, dat gij standvastig blijft in Hem en in al Zijne werken;
4. En zijt wachtende op Zijne beloften, aan den dag des oordeels.
5. En laat u niet dwalende maken van sommige onnutte dappers, die beproeven u afvallig te maken van het Evangelie, dat u van mij gepredikt wordt.
6. Och, of het de wil des Heeren ware, dat degenen, die van mij onderwezen zijn, tot nut van de waarheid des Evangelies mochten dienen ;
7. En naarstig bevonden werden in goede werken des eeuwigen levens. En van nu aan zijn mijne banden openbaar, die ik om de wille van Christus lijd.
8. Waarover ik mij van harte verblijd en acht het mij tot een eeuwige zaligheid, en dat zulks geschied is door uw gebed, met werking des Heiligen Geestes, hetzij door leven of sterven :
9. Want ik heb mijn wil en blijdschap, te sterven in Christus, Die u door Zijn barmhartigheid geve dezelfde liefde te hebben, en eensgezind te zijn.
10. Daarom, lieve broeders, gelijk gij in mijne tegenwoordigheid gehoord hebt, behoudt en volbrengt dat in de vreeze Gods, zoo zult gij het eeuwige leven hebben. Want God zal 't in u werken en volbrengen zonder ophouden.
11. Mijn liefste, verblijdt u in den Heere en wacht u voor degenen die begeerig zijn naar schandelijk gewin.
12. Laat uw gebed openbaar worden tot God, en blijft vast in 't verstand Christi en doet wat behoorlijk is, bekwaam, recht en redelijk.
13. En wat gij gehoord en aangenomen hebt, behoudt dat in uwe harten, zoo zult gij vrede hebben.
14. U groeten de heiligen. De genade van God en van onzen Heere Jezus Christus zij met uwen geest. Amen.
15. Doet dengenen die te Colosse zijn dezen brief lezen en leest gij den brief die geschreven is aan de Colossensen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's