STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN BELANGRIJK VRAAGSTUK.
De vraag, die in den laatsten tijd in verband met de slechte uitkomst der bedrijven, de bijzondere aandacht trekt, is deze, of het niet mogelijk is, werkloozen, die steun uit de Overheidskassen ontvangen, in het particulier bedrijf te werk te stellen.
Vooral heeft deze tewerkstelling bij het boerenbedrijf groote belangstelling.
Het doet toch wel wat vreemd aan, dat terwijl verschillende noodzakelijke werkzaamheden op de boerderij wegens onvoldoende middelen om een landarbeider te kunnen betalen, moeten blijven liggen, waardoor het land in waarde achteruitgaat, er duizenden werkloozen rondloopen, of met het verrichten van improductieven arbeid belast zijn, die uitnemend goed in het boerenbedrijf zouden kunnen worden gebruikt.
Er hebben zich in het afgeloopen najaar gevallen voorgedaan, dat zelfs de oogst niet anders dan onder zeer bezwarende omstandigheden kon worden binnengebracht.
Nu ligt het niet in de bedoeling van hen, die werkkrachten voor het onderhouden der landerijen behoeven, om werklooze landarbeiders of ander geschikt personeel gratis toegewezen te krijgen, doch om op het loon, dat zelf nog betaald kan worden, een toeslag uit de Overheids-, kassen te ontvangen. Door dit te doen, zou de boer geholpen zijn en zouden de Overheidskassen ten plattelande in belangrijke mate van het uitkeeren van steungelden ontlast worden.
Op zichzelf beschouwd, is voor deze redeneering van de boeren veel te zeggen, doch zooals het spreekwoord zegt : „heeft elke medaille een keerzijde". Zoo staat het ook met den toeslag op het loon. Het systeem van loon bij slagen brengt toch groote moeilijkheden en bezwaren met zich.
In de eerste plaats krijgt de Overheid door het verleenen van toeslagen — wat verkeerd is — bemoeienis met het loon in de particuliere bedrijven. En voorts zou het verleenen van toeslagen uit de Overheidskassen tot het misbruik kunnen leiden, dat boeren-, die door allerlei omstandigheden nog in staat zijn het eigen huishouden naar behooren te laten loopen, hunne arbeiders gedaan gaven, ten einde deze of andere werkkrachten beschikbaar te krijgen, doch dan met gedeeltelijken steun uit de kassen van de Overheid. Wat dan aan de eene zijde door de Overheid bespaard werd, zou aan den anderen kant weer verloren gaan.
Ook zal met de vraag rekening moeten worden gehouden, of, wanneer in het boerenbedrijf werkloozen tegen voor de boeren aannemelijke voorwaarden worden te werk gesteld, de Overheid zich afzijdig zou kunnen houden, voor het geval de nijverheid of een ander bedrijf zich voor toeslag op het loon kwamen aanmelden. Tot welke consequenties het instituut van toeslag op het loon zouden kunnen leiden, valt niet te overzien.
Echter, afgezien van al deze bezwaren en moeilijkheden, zou het toch op den weg van de Regeering liggen, om na te gaan, of er geen weg te vinden is, om zonder dat dit voor andere volksbelangen gevolgen heeft, het boerenbedrijf, dat in een noodstand verkeert, en groote kapitalen door onvoldoende zorg voor de eigendommen ziet verloren gaan, voor verdere inzinking te behoeden.
Zou de Regeering hier uitkomst kunnen bieden, dan zou zij daarmede een belangrijk vraagstxik tot oplossing hebben gebracht.
HOE GESCHIEDENIS WORDT GESCHREVEN.
Het wijzigingsontwerp betreffende de Lager-Onderwijswet 1920, dat de vorige week in de Tweede Kamer in behandeling was, heeft een oogenblik de gemoederen der Kamerleden dermate in beweging gebracht, dat men gedacht zou hebben midden in de dagen van den schoolstrijd te leven.
De oorzaak der beroering lag in het voorstel van den heer Zijlstra c.s., om in het wetsontwerp de bepaling op te nemen, waarbij de onderwijzeres, die in het huwelijk treedt, ontslag zal worden verleend.
Hoe het met dit voorstel van het A.R. Kamerlid verder geloopen is, daarover wil ook „De Banier", het orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, haar lezers inlichten.
Het blad schrijft:
De heer Zijlstra, die met anderen (Chr. Historischen en Roomsch-Katholieken) een amendement had ingediend om de huwende onderwijzeres te ontslaan, is sedert Vrijdagmiddag gezwicht voor den aandrang, welke door de linkerzijde en door den Minister op hem is uitgeoefend en heeft zijn amendement teruggetrokken. Gaarne wilde de heer Zijlstra den Minister tegemoet komen.
De lezers van „De Banier" weten het nu, de heer Zijlstra is smadelijk voor de linkerzijde, mitsgaders voor den Minister, op den loop gegaan.
Doch zoó is het met de zaak niet gegaan.
De waarheid is deze, dat de heer Zijlstra zijn amendement introk, nadat de Minister de verklaring had afgelegd, dat de Regeering het ontslag der huwende onderwijzeres urgent achtte en zij voornemens was met een zelfstandig ontwerp te komen, waarin deze kwestie wordt geregeld.
Zoo schrijft „De Banier" geschiedenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's