VRAGENBUS
Vraag : Heeft de mensch een vrijen wil ?
Antwoord: De mensch is met een vrijen wil geboren, zijnde een redelijk-zedelijk schepsel. In vrije keuze moest de mensch tot openbaring brengen, of hij God vrijwillig wilde liefhebben, vertrouwen en dienen, of niet. Maar vrijwillig heeft hij, door Satan verleid zijnde, tegen God en Zijn gebod gekozen, heeft den Heere den dienst opgezegd en is Satan dienstbaar geworden ; welke dienst meebrengt, dat hij een slaaf der zonde is, nu beroofd zijnde van het beeld Gods in enger en zin, beroofd zijnde van de ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid. „Al het gedichtsel der gedachten des harten is ten allen dage alleenlijk boos" Gen. 6 vs. 5; 8 vs. 21. Nu is het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid een vrucht van de bijzondere werking van den Heiligen Geest. Dat is den natuurlijken mensch niet eigen. Die is onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad, vleeschelijk onder de zonde verkocht.
Toch staat het zóó met den mensch — die beelddrager Gods is en blijft — dat hij nooit kan zeggen, dat hij nu door God gedwongen wordt om de zonde te doen. Het is altijd zijn vrije keuze en zijn hartelijk verlangen om de zonde te doen, waarbij zijn slavernij in Satan's dienst altijd openbaar wordt. Het gaat dwars door de vermaningen des Heeren heen ; de stemme Gods omringt hem overal, niet het minst in z'n consciëntie en komt zoo bijzonder duidelijk en ernstig tot hem in Gods Woord ! En zoo staat de mensch altijd schuldig, waarbij hij uit z'n gevangenis moet
leeren roepen tot God: „bekeer mij, o God ! dan zal ik bekeerd zijn".
Daarbij klinkt de belofte Gods : „Ik zal u een nieuw hart geven en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen en zal u een vleeschen hart geven". Ezech. 36 vers 26.
Door de Pelagianen en Remonstranten wordt geleerd, dat de mensch, zij 't dan gedeeltelijk, een vrijen wil ten goede heeft en dat de mensch beginnen moet en kan — daarvoor is hij mensch — met het goede te begeeren en te zoeken, waarbij God hem dan helpen wil. Zoo is de vrije wil des menschen het begin van de bekeering en zoo gaat niet de genade Gods voorop, maar de wil des menschen. Als de mensch niet wil, komt er dan ook niets terecht van de zaligheid !
Nu leert Gods Woord ons andere dingen. En het Gereformeerd Protestantisme spreekt in deze naar Gods Woord en niet naar de leeringen van den Pelagiaan of Arminiaan. Daarom lezen we b.v. in de Leerregels van Dordt (Hoofdstuk III en IV, § 1) :„De mensch is door God goed geschapen, versierd in z'n verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper en van andere geestelijke dingen ; in zijn wil en zijn hart met gerechtigheid ; in al zijne genegenheden met zuiverheid en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels en zijnen vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald : blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand ; boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijnen wil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden".
Daarom moet nu de mensch vrijgemaakt, verlost, wedergeboren, vernieuwd worden! 't Welk alleen geschieden kan door de genadewerking Gods, waarvan Hij in Zijn Woord spreekt, opdat we als nieuwgeboren kinderen de stem van den Heiland zullen kennen en in Zijn wegen zullen wandelen, om het goede lief te hebben en het kwade te haten — hier ten deele, doch eenmaal in de eeuwigheid volkomen, met ongekende vreugd genietend van de vrijheid der kinderen Gods. En zoo is God voor den geloovige alles : het begin, het midden en het einde. Het is alles genade, louter genade. En al onze gerechtigheid ligt enkel en alleen in Jezus Christus, onzen Heere.
Vraag: Zullen er in de eeuwigheid heeren en knechten zijn ? Is dat de bedoeling van Ex. 21 vers 6 ?
Antwoord: Exodus 21 vers 6 zegt ons, dat de knecht wien het oor doorboord is (als teeken van gehoorzaamheid, onderworpenheid, om de bevelen des heeren te beluisteren en te volbrengen) zijn heer eeuwiglijk zal dienen. Oppervlakkig gelezen, schijnt dus Exodus 21 vers 6 inderdaad te spreken van heerendienst; loon-en slavendienst in de eeuwigheid. Maar die Schrift met Schrift vergelijkt weet, dat eeuwiglijk in den Bijbel soms beteekent: „levenslang". En dat moeten we hier hebben. Exodus 21 vers 6 wil zeggen : dat de knecht zijn heer tot 't einde zijns levens, zonder bevrijding daarvan, zal dienen. Eeuwig beteekent hier : aldoor en zonder einde — voor geheel het leven.
Maar waar in de Schrift b.v. van de toekomende zaligheid en rampzaligheid gesproken wordt, beteekent eeuwig: eindeloos, eeuwiglijk en altoos. „Deze zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven". Hier zien we dus : het leven der rechtvaardigen zal eeuwig, eindeloos zijn : en tegelijk bemerken we hier, dat ook een eeuwige, eindelooze straf en ellende wacht aan allen die den Zoon ongehoorzaam zijn en in hun zonde sterven. Beiden, de rechtvaardigen en de goddeloozen, zullen een eeuwig, eindeloos wèl of wee ontvangen.
Vraag: Hebben we ons de verzoekingen in de woestijn, in Matth. 3 beschreven, voor te stellen als geschied in visioen of in daad en werkelijkheid, met een gaan van plaats tot plaats ? Is het een overwinnen van Satan „in den geest" geweest, of ter plaatse waar het ons door den Evangelist genoemd wordt ?
Antwoord: Duidelijk staat ons beschreven, dat de Geest Gods, die als Leidsman hier optreedt op 't gebied van Gods Voorzienigheid, den Heiland, — die pas gedoopt is en daardoor geheel onder „de broederen", onder de menschen, onder de zondaren is komen staan — van den oever van den Jordaan wegvoert, wegdrijft, naar de P woestijn. Dat gaat gepaard met verandering van plaats. Opdat de Heiland nu in de eenzaamheid, voor Gods aangezicht, een noodzakelijk deel van Zijn werk volvoeren zal, metterdaad doormaken zal. Hij zal worden bepaald bij Zijn weg en werk, in betrekking tot de openbaring van Gods Koninkrijk en de verlossing van Sion. En nu komt de Geest Hem wegleiden in de woestijn en de Vader komt Hem beproeven ten opzichte van den weg, dien Hij gaan zal. En de Zoon leert gehoorzaamheid, om Zich als het Lam Gods voor te bereiden, waarbij het van schrede tot schrede gaan zal op den weg van lijden. Want wat was noodig voor de komste van Gods Koninkrijk ? Dat Christus steenen tot brooden kon maken ? Dat Hij van een hoogte sprong ; dat Hij allerlei geestelijke kronkelingen en knievallen wist te doen ? Of was gehoorzaamheid in den weg Zijns Vaders noodig ? Was noodig in de diepte stille te zijn en het kruis te dragen en te sterven, doende den wil Zijns Vaders ? In welk teeken moest het Koninkrijk der hemelen staan, in het teeken van de wereld of in het teeken Gods ? In het teeken van succes of lijden ? In het teeken van macht of van het kruis ?
En de Satan verzocht Hem stuk voor stuk, zoekende wat hij er van maken kan. Wat stuk voor stuk moet worden doorgemaakt, naar Gods wil; en wat stuk voor stuk uitloopt op een nederlaag voor den overste der wereld, den menschenmoorder van den beginne, door de algeheele gehoorzaamheid, door de heerlijkheid en gerechtigheid van Sions Borg en Middelaar, de mensch Christus Jezus !
We hebben het ons dan ook niet zóó voor te stellen, dat de gedachten opkomen uit het hart van Jezus, maar dat de verzoekingen tot Hem komen uit en door Satan. De Heere Zelf laat dat toe en gebruikt Satan tot Gods eer en tot Christus' heerlijkheid en tot Satans schande.
Daarom moeten we hier niet denken aan een visioen, maar aan gebeurtenissen, stuk voor stuk en van plaats tot plaats, tot verzoeking en tot overwinning !
Vraag: Waren er in de dagen van Jezus twee hoogepriesters, zooals Lucas ons dat meedeelt, hoofdstuk 3 vers 22 ?
Antwoord: Lucas 3 vers 2 zegt ons inderdaad, dat „onder de Hoogepriesters Annas en Kajafas het Woord des Heeren kwam tot Johannes". Maar dat er twee hoogepriesters tegelijk waren, kan niet. Dat is ook niet de bedoeling van Lucas. Hij, de echte historieschrijver, geeft ons allerlei namen in het begin van Lucas 3, om ons de internationale en nationale geschiedenis te vertellen, om ons te zeggen wie er hier en daar regeerde, opdat we ons den toestand zoo goed mogelijk kunnen indenken, ook bij de groote veranderingen, die er in Palestina na den dood van Herodes hebben plaats gegrepen. En dan wordt ook de situatie van het kerkelijk leven ons met een enkel woord geteekend en hij zegt ons, dat Kajafas de plaats had ingenomen van Annas. Rome had na lang zoeken in Kajafas iemand gevonden die hen ter wille zou zijn. Annas was afgezet en Kajafas was hoogepriester in zijn plaats. Maar Annas was nog niet zonder invloed, toen Kajafas officieel als hoogepriester optrad. Nu laat Lucas uitkomen, dat Annas er óók nog is zoowel bij het volk, als wat zijn invloed op Kajafas betreft. En al is Kajafas officieel de man, Annas is degene die achter de schermen o ! zooveel invloed heeft.
Natuurlijk was er maar één hoogepriester, en wel Kajafas. Maar ja — feitelijk waren er twee: en wel de oude, sluwe, invloedrijke Annas éénerzijds en anderzijds zijn schoonzoon Kajafas, die aan Annas z'n invloed liet en intusschen zelf deed, wat hij goed vond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's