De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OUDEJAARSAVOND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OUDEJAARSAVOND

11 minuten leestijd

Psalm 39 : 8 en 9a. En nu, wat verwacht ik, o Heere! mijne hoop, die is op U. Verlos mij van al mijne overtredingen.

„De zee bruise met hare volheid", zoo zong de Psalmist, om het ons te doen verstaan, hoe in haar de wondere grootheid Gods stemt tot aanbidding Zijner heerlijkheid. Ja, daar is iets ontroerends in het lied, dat zij zingt. Uit hare kolken ruischt de stemme Gods met macht. Als gij haar aanschouwt, die oneindige zilte vlakte, die voor u uitgespreid ligt, als gij hare aanrollende baren ziet schuimen en haar witte kuiven den horizon breken, dan getuigt zij zichtbaar van het opgaan, blinken en verzinken, van de eeuwige vernieuwing van hetgeen ondergaat. De zee kan ons bijbrengen een diep besef onzer kleinheid, maar ook spreken van onze vergankelijkheid, want haar lied zingt zij eeuwig, rusteloos ruischt zij hare golven brekend op de kusten. Of de stormen woeden, dan wel een zachte koelte haar vlakte rimpelt, eeuw in eeuw uit weerklinkt haar lied. Duizenden jaren gingen heen over deze aarde en alle geslachten hebben haar eentonigen klaagzang beluisterd. En zoo is het nu ook met den stroom des tijds. De Oudejaarsavond dwingt er toe stil te staan en te luisteren een oogenblik naar den golfslag der historie, welker gangen ook de eeuwen staag vernieuwen. De Oudejaarsnacht brengt ons op den top eener schuimende golf, die weldra voor goed weder verzinken zal om nimmer weder te keeren, daar zij hare stuwkracht schonk aan de nieuwe baar, die zal verrijzen. Zoo dringt de Oudejaarsnacht om te staren in de diepte, ons oog te richten op den ondergrond van het leven, het eeuwige te zoeken om eene plaats te vinden, waar wij staan kunnen en onzen voet te planten op een vasten bergtop, die door de wateren des tijds niet wordt overstroomd.
Een jaar is als eene gedachte, zoodra het is voorbijgegaan, als een eindelooze weg, wanneer we staan bij den aanvang. Dat is zóó, omdat wij menschen slechts een ondeelbaar heden beleven kunnen. Het gister is ons ontvallen, het morgen nog niet gegeven, het heden alleen het onze en dan nog in een eindelooze reeks van elkander opvolgende momenten. Zoo verglijdt ons leven van oogenblik tot oogenblik, van dag tot dag, van jaar tot jaar. Wij brengen het door als eene gedachte, het wordt snellijk afgesneden en wij vliegen daarhenen. En toch, het is rijk aan geschieden. Hoeveel geschiedt er soms niet in ons leven in een enkel jaar! Veel verandert in de groote wereld der volkeren, in onzen eigen kiemen levenskring. In een enkel jaar is het aangezicht der groote volken als vernieuwd, ook al bleef hun hart oud. Zij doorleven soms in snel tempo de geweldige omkeering, die door hunne zonde wordt verwekt. Zie slechts naar Duitschland, welks levensgang in dit voorbijgegane jaar als een nieuwe aera inging, waarvan nog niet te zeggen is, of zij vrede dan wel krijg, voorspoed en herleving dan wel dieper lijden over het volk zal brengen. Doch dit kan niet ontkend, dat de gansche wereld dieper daalde in de donkere vallei van wat men crisis noemt. In onze dagen wordt het tastbaar, hoe machteloos en hulpeloos de menschheid staat, ondanks de glorie der cultuur, waarop zij zich beroemde. En hoewel niet het minst zelfs uit de kringen dergenen, die door revolutiewaan worden verteerd, de roep om den vrede wordt beluisterd, dien zij zelfs door opstand en verzet willen afdwingen, toch wordt ook nu nog, zoo kort na den grooten oorlog, het woord des Heeren vervuld, dat er zijn zullen oorlogen en geruchten van oorlogen tot het einde komt. Maar wat in dezen nood der tijden het meest kan treffen, dat is de verharding, die over de volkeren gekomen is. Van bekeering geen spoor, van wederkeer tot de bronnen des levens, waaruit de voorgeslachten dronken, is nergens te speuren, want nog blijven zij hun heil verwachten van de afgoden dezer eeuw, van eigen kracht en eigen vermogen, hunkerend naar eene weelde, die langzaam verteert, naar mate de crisis dieper inzinking brengt. Dit juist is het droevigst, dat zij geslagen worden en geen pijn gevoelen. En ons volk is uit dat oogpunt niet beter dan de andere. Wanneer wij terugzien op dit voorbijgegane jaar, dan hult het zich voor duizenden in een nachtelijk donker, dat geene profetie in zich draagt van een beteren komenden dag.
Doch ook in onzen eigen kleinen kring is er veel geschied. Voor duizenden eindigt het jaar geheel anders dan het begon. En de Oudejaarsavond leent er zich toe rond te gaan met den tooverstaf der herinnering en te peinzen over de dierbaren, die ons ontvielen, over de ledige plaatsen, die ons achterbleven, over den voorspoed en den tegenspoed, óver het licht en het donker, dat gezaaid werd over ons pad. En wij mogen nog zijn, die wij zijn en staan met ons leven, terwijl het jaar, dat voorbijging ons niet slechts genomen heeft, maar ook wel heeft toegebracht. Het gaat nimmer ledig aan ons voorbij. En juist daarom is het nuttig op den Oudejaarsavond in te keeren in ons zelven, stil te staan voor eigen hart, te verschijnen voor Hem, die hart en nieren proeft en alzoo ook dit voorbijgegane jaar te zien in eeuwig licht, ons zelven te onderzoeken en de vraag ons voor te leggen, of wij eeuwige dingen ontvangen hebben, die de wateren des tijds niet kunnen ontwringen aan onze ziel, of wij weten, dat geen schepsel, ook de dood niet, macht heeft ons te scheiden van de liefde Gods, die in onzen Heere Jezus Christus is.
Dat nu deed de Psalmist. Hij dacht na over zijn leven, stond een oogenblik stil en zeide tot zichzelven : hoedanig is mijn leven ? Drie dingen troffen hem en mogen onze aandacht trekken op dezen Oudejaarsavond : de kortheid, de onzekerheid en de ijdelheid van het leven. Het leven is slechts een handbreed gesteld. Wij brengen onze jaren door als eene gedachte. Hoe broos en zwak zijn wij ! En toch, hoe kan die zelfde mensch zich soms machtig en groot gevoelen in zijn waan. Zoo gaan de dagen des levens voorbij in geweldig streven en strijden en geeft hij zijn arbeid uit voor wat niet verzadigen kan. Van den vroegen morgen tot den laten avond spant hij zijne krachten in om bijeen te vergaderen, hoewel hy niet weet, wie het na hem nemen zal. En zoo was er ook dit jaar veel wezenloos in onze verwachtingen en blijft het uitzicht op eene betere toekomst omsluierd. Vooral in dagen als wij beleven, nu duizenden gebukt gaan onder drukkenden last, nu alles soms schijnt verloren te zijn en de vreugdevolle opgang in het leven voor het jeugdig geslacht schijnt afgesloten. Daarom is er op een avond als deze oorzaak, evenals de dichter van dezen Psalm, in te keeren in ons zelven en ons voor Gods aangezicht te stellen en met hem te zeggen : „En nu, wat verwacht ik, o Heere ? " Ja, wat verwachten wy, als wij met ons leven voor des Heeren aangezicht verschijnen ? Er was veel ook in dit jaar, dat op zichzelf schoon en bekoorlijk is, en ons behouden bleef of geschonken werd. Meestal merken wij daarop niet, omdat wij de weldaden zoo gewoon zijn geworden, dat wij ze niet meer als weldaad waardeeren. Toch is het zoo. Doch daaruit blijkt dan ook, dat zij ons als weldaden en genadegaven ontgaan zijn. En daarom verloren zij hunne waarachtige waarde voor ons, want zij worden dan niet meer uit Gods hand ontvangen en niet meer in eeuwig licht genoten. Zoo vervliegen zij met de dagen onzes levens en blijven wij, ondanks Gods weldadigheden, met een ledige hand staan, zelfs op een avond als deze. Waarde krijgt ons leven alleen uit de kracht onzer eeuwige bestemming. En dit had het bij den dichter, zoodat hij tot den Heere zich keerde en zeide : „Wat verwacht ik ? " Hij wist, dat de wereld hem ontviel, dat zijne levensdagen na elkander wegzonken in. de vergetelheid van het verleden, zooals avond aan avond de zon verdwijnt achter de wolkenbank in het Westen. En nu heeft hij behoefte aan een hooger licht en aan een hooger goed. Hij wil zijn leven zien in ander licht, zoodat al het tijdelijke andere waarde krijgen zal. Hij moet het zien door den telescoop des geloofs, het aanschouwen, zooals het in Gods licht verschijnt. En zoo zal het ook voor ons op den Oudejaarsavond moeten zijn, als het wèl met ons is. Voor Zijn aangezicht zullen wij moeten komen met dit voorbijgegane jaar en de vraag onder de oogen moeten zien: Wat verwachten wij dan ? Als de Heere ons leven weegt, als Hij ons wegneemt en oproept voor Zijn vierschaar, wat verwachten wij dan ? En als het ons ernst wordt met die vraag, zal ons niet anders blijven dan verootmoediging vanwege onze zonde en schuld. Dan zullen wij het waarlijk weten en niet alleen met woorden zeggen : „Zoo Gij in het recht wilt treden en gadeslaan onze ongerechtigheden, wie kan dan bestaan ? " Dan zal er een worsteling geboren worden om zekerheid te mogen ontvangen aangaande onze eeuwige toekomst en dan zal in den Oudejaarsnacht de bede klimmen om het eeuwig licht in de donkerheid der tijden.
In het eeuwig licht verkrijgt het aardsche een ander karakter, dan het voor den mensch van nature heeft. Het wordt niet waardeloos, maar van andere waarde. Het houdt op het hoogste, het voornaamste te zijn, kan hoogstens middel zijn tot hooger, eeuwig doel. In zichzelf wordt het nietig en ijdel. In Gods licht leert de mensch zien, dat hij van de wereld niets verwachten kan, dat de wereld hem ontzinkt. Wie waarachtiglijk ontdekt wordt, gaat van de wereld af, laat haar varen en komt als de dichter tot den Heere, legt Hem de levensvraag voor : „Wat verwacht ik, o Heere ? " Doch die ontvangt ook het antwoord: „mijne hope, die is op U". Zoo werd hij als een voorbeeld voor Gods kinderen geleid. Hij zag, dat het leven hem ontgleed, dat alles vervloeide, dat niets meer vastheid bood. En nu zag hij vanuit die hopelooze levensverwording op tot God en hij kreeg een inzicht in de diepe tegenstelling tusschen God en schepsel. Voor hem verscheen de Heere in Zijn eeuwig, onveranderlijk zijn als, gelijk onze vaderen Hem noemden, de Wezenaar, als de onveranderlijke, die niet sterft, niet ondergaat, maar van eeuwigheid tot eeuwigheid de levende God is. Ja, in het licht van Gods Heiligen Geest mag het kind des Heeren Hem kennen als eeuwige liefde, als des ontfermens niet moede, als machtig om te verlossen, als willig om uit te redden, als een God, die Zijn kind dragen wil. En als dan de Oudejaarsavond spreekt van de vergankelijkheid en de ijdelheid,
dan zal hij den Heere kennen, die in Zijnen Christus een Vader van barmhartigheid Is en tot Hem zeggen : „mijne hope, die is op U". Als alles wegvalt, als de dagen donker worden, als het vermogen verdwijnt, als de nood dreigt en de dood door onze vensters gluurt, dan zal de hope van Gods kinderen zijn op Hem. Zij zullen rusten op Gods Vaderhart. Met die waarachtige, levende hope als een licht op het levenspad, wordt de Oudejaarsavond schoon en wordt zelfs dit donkere verglijdende jaar in Gods trouwe aanschouwd, wordt het gansche leven verlicht door den glans der vreugde Zijns heils.
Daarom, laat ons op den Oudejaarsavond komen tot ons zelven met de vraag, of die hope, die niet beschamen zal, in ons leeft. Kunnen wij daarvan getuigen in dien diepen zin, waarbij het niet slechts een woord is, maar de levende werkelijkheid, de vrucht van de leerschool des Geestes Gods? Wie kan zeggen een hope deelachtig te zijn, als hij zich spiegelt in Gods heilige wet, en wie zal van hope durven spreken, als onze heimelijke overtredingen gesteld worden in het licht van des Heeren recht! Indien wij op dezen Oudejaarsavond het eeuwige licht zien opgaan over ons leven, dan zal onze knie zich buigen, zullen wij ons verootmoedigen in stof en asch en de bede opgaan om verlossing van alle onze overtredingen. En die bede zal gehoord worden, want de Heere zelve zal onze oogen openen voor het Lam Gods, Hij zal tot onze zielen zeggen door Zijnen Heiligen Geest: uwe zonden zijn u vergeven. Doch dan zal ook uit den Oudejaarsnacht de morgen rijzen van een nieuwen dag, die profeteert tot de volkeren der wereld, ook tot ons volk, van Gods trouw en reddende daden. Ja, dan zal de sprake des hemels worden beluisterd te midden van de donkerheid des tij ds : „Ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve".
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OUDEJAARSAVOND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's