GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
En dan was er nóg een, dien zij met onderscheiding behandelde, omdat hij zoo goed voor haar was, en als het zoo te pas kwam, het altijd voor haar opnam. Dat was de armmeester. Door de heeren van het Burgerlijk Armbestuur aangesteld om wekelijks de bedeelingspenningen rond te brengen bij diegenen, die niet geregeld op de zittingsavonden van het college kwamen, en om toezicht op de woningen te houden, en óók om als het noodig werd, vrederechter te zijn tusschen de verschillende bewoners dier panden, waar het nog al eens herrie was.
Aan hem had Gretske het te danken, dat zij 't knapste kamertje van heel Lombok bewonen mocht. Waar nog een beetje verf op de deur en de kozijnen zat en waar het winterdag niet zoo vreeselijk tochtte, omdat de wind hier vrij spel had door de reten en naden die overal het daglicht door lieten, en waar nog behangselpapier op de muren zat en 't roet-water niet zoo akelig liep en de schoorsteen niet zoo rookte.
Dat kwam voornamelijk, omdat de armmeester Gretske eigenlijk te goed achtte voor deze omgeving. Die hier niet paste. Want op Lombok, dat geheel aan het Armbestuur behoorde, woonde het uitvaagsel van de maatschappij. Daar hokte alles samen wat geen vaste woonplaats had of geen vast inkomen of geen vast werk, en nergens anders terecht kon. 't Was de plaats waar kermisreizigers en woonwagens en menschen met een woonscheepje, maar dat per ongeluk juist in de nabijheid van Lombok gezonken was, hun tijdelijk domicilie hadden en dan ook wel eens voor goed hunne tenten opsloegen, 't Was de buurt, waar stoelematters en orgeldraaiers en allerlei negotie-menschen óm elkaar en dóór elkaar heen
leefden, als ééne, groote familie, maar zonder de teedere banden die deze kunnen binden. Waar, vooral 's Zondags, gezwetst en gedronken en gevochten kon worden, de politie zoo menigmaal kwam voor minder aangename karweitjes, en waar een fatsoenlijk mensch slechts zelden, en dan nooit bij avond, een voet zou zetten.
Zie, dat was Lombok en daar woonde Gretske, omdat het Armenbestuur haar daar een gratis kamertje beschikt had, en zij van zelf daar niets tegen in kon brengen, omdat zij arm was, en stotterde, en omdat zij heelemaal alleen op de wereld stond, zonder iemand die het voor haar opnam.
Gretske had geen familie.
Precies als die man uit het Evangelie, die al zooveel jaren in het ziekenhuis van Jeruzalem gelegen had, en die óók geen mensch had om hem te helpen.
Gretske had ook op de heele, groote wereld niet één, die zich om haar bekommerde, of aan haar dacht, of voor haar zorgde. En als zij eenmaal die wereld verlaten moest, zou er niemand zijn die haar missen, of een traan om haar schreien zou ! Of het moest juist die armmeester zijn. Omdat zij niet was als de anderen, en nooit met eischen kwam en in het geheel niet brutaal was.
Zooals b.v. „zwarte Ka", die vlak naast haar woonde, of als „manke Trui", wier mond als een scheermes sneed, of als „de Scheele", die af en toe heel Lombok op een end bracht, vooral als zij dronken was 'en dan ruzie met haar man had, of als de „Bultenaar", dus genaamd vanwege zijn hoogen rug ; of als „het Sabelbeen", die dagelijks met een erbarmelijk krijtend orgeltje de dorpen afreisde om dan gewoonlijk thuis te komen, als een ander niet meer zag welk een slingergang hij, maakte ; of als „de Goudvink", die zijn naam te danken had aan het feit, dat hij een jaar of wat in ,, de nor" gezeten heeft, wegens een inbraak, die echter nooit bewezen is, en naar wel eens gefluisterd werd, hem nog altijd als „meneer" deed leven, al gaf hij dan ook voor straatarm te zijn.
Zie, zooals deze allen was Gretske niet. Gretske was niet lastig. En Gretske vloekte niet, en morde niet en deed nooit mee aan het kabaal, dat soms tot laat in den avond hier gemaakt werd. Want als zij, na een vermoeienden dag, thuis kwam, dan werd de deur van binnen even zorgvuldig weer op den grendel gedaan als zij haar zoo juist met een sleutel, die onder in de korf lag, geopend had, terwijl het raamhorretje en de dichte gordijnen voor de kleine ruiten eiken nieuwsgierigen blik beletten naar binnen te kijken.
Dan kookte zij haar potje of roosterde de overgeschoten brokken van den vorigen maaltijd een beetje op, of maakte een weinig drinken warm op de oude kachel of het petroleumstel, — een kopje koffie of thee, al naar 't viel. En wanneer dan de lamp ontstoken werd en het houten luik voor het raam was geschoven, dan werd de inhoud van den diepen zak, tusschen hare rokken verborgen, behoedzaam op tafel neergelegd en uitgeteld, om vervolgens, voor zoover er geen nieuwen voorraad behoefde ingekocht te worden, deze op een geheimzinnige plaats, haar alleen bekend, te verbergen.
Dan moest er nog wel eens een gat in de kous bij elkaar gehaald of een knoop aan het jak genaaid, maar dan gebeurde het ook wel eens dat het Gretske te machtig werd. Dat de oude oogen zich langzaam sloten en de handen slap in den schoot kwamen te rusten, en het moede hoofd diep neerhing op de borst of ook wel eens op de tafel terecht kwam. Soms kon zij langen tijd zoo sluimeren, of 't moest wezen dat het lawaai der buren haar wekte.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's